Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6046

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-08-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
AMS 18/6492, 18/6592 en 18/6593
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte toeslagen niet in geschil, geen dwangsommen verbeurd, ernstige twijfel aan handelwijze en betrouwbaarheid van de gemachtigde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/6492, 18/6592 en 18/6593

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [de persoon] ),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. D.W.L.M. van Veldhuizen).

Procesverloop

Eiseres heeft op 25 oktober 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op haar bezwaarschriften tegen de primaire besluiten van verweerder van 28 december 2017, 21 juni 2018 en 23 juli 2018 over de (gewijzigde) voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2018.

Verweerder heeft met twee beslissingen van 13 november 2018 (de bestreden besluiten) beslist op de bezwaren van eiseres. Ook heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2019 en is voortgezet op 9 augustus 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Voorschotbeslissingen zorgtoeslag en huurtoeslag 2018

1. Verweerder heeft met de beslissing van 28 december 2017 voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag vastgesteld. Met de beslissingen van 21 juni 2018 en 23 juli 2018 zijn die voorschotten gewijzigd en – in de laatste beslissing – vastgesteld op nihil. Eiseres stelt bezwaar te hebben gemaakt tegen alle drie de voorschotbeschikkingen. Ook stelt eiseres dat zij verweerder in gebreke heeft gesteld. Wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaren heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft gesteld dat hij de bezwaren en ingebrekestellingen van eiseres pas voor het eerst via de rechtbank heeft ontvangen nadat door eiseres beroep was ingesteld.

2. Op 13 november 2018 heeft verweerder twee beslissingen op bezwaar genomen. In de beslissing op bezwaar over de zorgtoeslag heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is van het gezamenlijke jaarinkomen van de aanvrager en de toeslagpartner. Het inkomen van eiseres is te hoog om voor zorgtoeslag in aanmerking te komen. Het inkomen van de kinderen van eiseres als medebewoner telt niet mee. In de beslissing op bezwaar over de huurtoeslag heeft verweerder het bezwaar eveneens ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van het gezamenlijke jaarinkomen van de aanvrager, de toeslagpartner en de medebewoner(s). Een deel van het inkomen van een kind, dat aan het begin van het berekeningsjaar jonger is dan 23 jaar, wordt niet meegeteld bij de berekening. Deze gedeeltelijke vrijstelling is toegepast in 2018, omdat het [kind] pas in maart 2018 23 jaar is geworden. Het gezamenlijke inkomen van eiseres en haar kinderen (ook als rekening wordt gehouden met de gedeeltelijke vrijstelling) is echter te hoog om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Ook is de rekenhuur hoger dan de maximale huurgrens.

3. De rechtbank stelt vast dat de derde beslissing op bezwaar (van 19 november 2018) niet als afzonderlijk besluit kan worden aangemerkt, omdat op het bezwaar tegen het voorschot huurtoeslag al was beslist met de beslissing op bezwaar van 13 november 2018.

HHet beroep tegen het niet tijdig beslissen

4. Verweerder heeft tijdens deze procedure op de bezwaren van eiseres beslist met de beslissingen op bezwaar van 13 november 2018. Die bestreden besluiten zullen hierna worden beoordeeld. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaren. Eiseres zal daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard in dat beroep.

5. Het door eiseres betaalde griffierecht voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen de bestreden besluiten van 13 november 2018. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in relatie tot het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Het beroep tegen de bestreden besluiten van 13 november 2018

6. De hoogte van de vastgestelde voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag over 2018 is in beroep niet in geschil. Evenmin is in geschil dat geen dwangsom kan worden verbeurd bij een beroep niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een voorschotbeschikking. Reeds hierom is geen dwangsom verbeurd. In het midden kan dus blijven of verweerder wel of niet tijdig heeft beslist en of verweerder de bezwaren en ingebrekestellingen heeft ontvangen voorafgaand aan het op 25 oktober 2018 ingestelde beroep niet tijdig beslissen.

7. Het beroep tegen de bestreden besluiten van 13 november 2018 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.

Het beroep tegen de definitieve vaststelling zorgtoeslag en huurtoeslag 2017

8. Met het primaire besluit van 3 augustus 2018 heeft verweerder het recht van eiseres op zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2017 definitief berekend en vastgesteld op respectievelijk € 1.053,- en nihil. In twee beslissingen op bezwaar van 8 april 2019 zijn de bezwaren van eiseres tegen die vaststellingen ongegrond verklaard.

9. Het schrijven van eiseres van 16 april 2019 heeft de rechtbank mede aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissingen op bezwaar van 8 april 2019. Dat beroep is met instemming van partijen meegenomen in deze procedure.

10. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de definitieve vaststelling van het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag over 2017 niet in geschil is. Dat betekent dat het beroep tegen de beslissingen op bezwaar van 8 april 2019 ongegrond is.

11. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voor vergoeding van griffierecht is evenmin aanleiding, reeds omdat voor het beroep tegen de beslissingen op bezwaar van 8 april 2019 geen griffierecht is geheven.

Het beroep tegen het dwangsombesluit

12. Ook het dwangsombesluit van 8 april 2019 is met instemming van partijen meegenomen in deze procedure. Met instemming van partijen heeft de rechtbank ook door eiseres in de procedure met zaaknummers AMS 18/5343 en 18/5819 overgelegde stukken betrokken.

13. In geschil is of verweerder met de beslissingen op bezwaar van 8 april 2019 de beslistermijn heeft overschreden. Eiseres stelt in dat verband dat zij op 30 juli 2018 bezwaarschriften heeft afgeleverd bij het kantoor van de Belastingdienst in Hoofddorp en op 1 november 2018 ingebrekestellingen heeft afgeleverd bij datzelfde kantoor. Ook stelt eiseres dat zij die bezwaarschriften en ingebrekestellingen op dezelfde data tevens per gewone post naar verweerder heeft verstuurd. Op de zitting bij de rechtbank stelt eiseres ten slotte dat zij op 24 oktober 2018 en 19 november 2018 klachtbrieven heeft ingediend over het uitblijven van een beslissing op haar bezwaren tegen het besluit van 3 augustus 2018, dat zij die klachtbrieven heeft afgegeven bij het kantoor van de Belastingdienst in Hoofddorp en dat daarbij ook de eerdere bezwaren en ingebrekestellingen waren gevoegd. De ontvangst van die klachtbrieven is bevestigd, aldus eiseres.

14. Verweerder stelt de bezwaarschriften en ingebrekestellingen niet te hebben ontvangen van het kantoor van de Belastingdienst in Hoofddorp en die stukken evenmin via de post te hebben ontvangen. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt het opmerkelijk te vinden dat eiseres stelt op veel data stukken te hebben ingeleverd en opgestuurd, maar dat verweerder daar nooit iets van heeft ontvangen. Verweerder heeft de stukken pas voor het eerst ontvangen via de rechtbank in de andere procedure (met zaaknummers AMS 18/5343 en 18/5819), aldus verweerder.

15. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de bezwaren, ingebrekestellingen en klachtbrieven bij het kantoor van de Belastingdienst in Hoofddorp zijn ingeleverd. Dat zou de beslistermijn voor verweerder immers niet doen aanvangen, want de Belastingdienst is een ander bestuursorgaan dan verweerder en de beslistermijn vangt pas aan als verweerder de bezwaren ontvangt. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres, op wie in dit geval de bewijslast van de verzending rust, met de door haar overgelegde getuigenverklaringen en kopieën van enveloppen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de bezwaren en ingebrekestellingen per gewone post heeft verstuurd aan verweerder.

16. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat zij op 13 maart 2019 in de andere procedure met zaaknummers AMS 18/5343 en 18/5819 nadere stukken heeft ingediend en toen ook de ingebrekestellingen heeft overgelegd. Die stukken heeft verweerder dus in elk geval kort daarna ontvangen, zo stelt eiseres. Volgens eiseres heeft verweerder daarna niet tijdig beslist en is daarom een dwangsom verbeurd.

17. Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres miskent met haar betoog dat door verweerder eerst een bezwaarschrift moet zijn ontvangen voordat de wettelijke beslistermijn aanvangt. Pas na het verstrijken van die beslistermijn kan een ingebrekestelling worden uitgebracht. In dit geval is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de bezwaarschriften eerder heeft ontvangen dan na doorzending via de rechtbank in maart 2019. De beslistermijn voor verweerder is pas na ontvangst van de stukken aangevangen. Omdat de beslistermijn pas is aangevangen toen verweerder de stukken via de rechtbank ontving, kon verweerder op dat moment niet ook al meteen in gebreke worden gesteld. De beslissingen op bezwaar van 8 april 2019 zijn daarom niet te laat genomen. Verweerder heeft daarom in het dwangsombesluit van 8 april 2019 terecht beslist dat hij geen dwangsom is verschuldigd.

18. Het beroep tegen het dwangsombesluit is ongegrond. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voor vergoeding van het griffierecht is evenmin aanleiding, reeds omdat voor het beroep tegen het dwangsombesluit geen griffierecht is geheven.

19. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, gelet op het hierna te bespreken patroon, ernstig wordt getwijfeld aan de beweerdelijke gang van zaken omtrent de indiening van stukken, zoals de gemachtigde van eiseres die heeft geschetst. De gemachtigde stelt telkens dat hij op verschillende momenten stukken heeft ingeleverd en opgestuurd. Gemachtigde schermt daarbij met stukken met daarop geplaatste ontvangststempels. Van geen van die stukken kan in deze zaak echter worden vastgesteld dat deze zijn ontvangen. Het valt de rechtbank op dat dit patroon – beweerdelijke indiening van stukken, waarbij ten bewijze van die indiening wordt verwezen naar documenten met ontvangststempels, terwijl bij het betreffende bestuursorgaan of de betreffende rechtbank die stukken niet zijn ontvangen – zich vaker voordoet in zaken waarin deze gemachtigde optreedt. Zo verwijst de rechtbank bijvoorbeeld naar uitspraken van de rechtbank Noord‑Holland van 3 september 20181, 25 januari 20192 en 2 april 20193. Dat patroon is niet alleen hoogst opmerkelijk, maar geeft reden ernstig te twijfelen aan de echtheid van de door de gemachtigde van eiseres gepresenteerde ‘bewijsstukken’, ook omdat uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep4 blijkt dat deze gemachtigde in het verleden al eens gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte documenten. Daarnaast is in verschillende procedures getwijfeld aan de echtheid van door deze gemachtigde overgelegde machtigingen5 en ook is in een zaak waarin deze gemachtigde zelf als eiser optrad diens oprechtheid uitdrukkelijk in twijfel getrokken vanwege onbetrouwbare en ongeloofwaardige verklaringen.6

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissingen op bezwaar van 13 november 2018 en 8 april 2019 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit van 8 april 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S. Boomhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zaaknummer HAA 17/4867 (ECLI:NL:RBNHO:2018:7385, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

2 Zaaknummer HAA 18/4177 (ECLI:NL:RBNHO:2019:464, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

3 Zaaknummers HAA 18/2983 en 18/3005 (ECLI:NL:RBNHO:2019:2635, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

4 Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1691, hetgeen reden is geweest voor de Raad om de gemachtigde in een andere procedure te weigeren als gemachtigde (zie ECLI:NL:CRVB:2016:2488). Zie ook de uitspraken in eerste aanleg, ECLI:NL:RBAMS:2014:6225 en ECLI:NL:RBAMS:2014:6227.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1693, en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2019 met zaaknummer AMS 18/6764 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4809, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

6 Zie de uitspraak van de Raad van 19 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1315).