Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6030

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
AMS 19/3849 en AMS 19/3850
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente mocht de vergunning van twee marktondernemers op de Albert Cuypmarkt voor één, dan wel drie maanden intrekken naar aanleiding van een vechtpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/3849 en AMS 19/3850

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2019 in de zaken tussen

[verzoeker 1] , te [woonplaats] , verzoeker 1,

[verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoeker 2,

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] worden hierna gezamenlijk verzoekers genoemd

(gemachtigde: mr. J. Monster),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

Met het besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder [verzoeker 1] de sanctie opgelegd dat hem een dagvergunning voor de Albert Cuypmarkt wordt geweigerd voor de duur van drie maanden, te weten van 20 juli 2019 tot 20 oktober 2019.

Met afzonderlijk besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de aan [verzoeker 2] op 22 juni 2019 mondeling opgelegde ordemaatregel schriftelijk bevestigd en de sanctie opgelegd dat zijn marktvergunning wordt ingetrokken voor de duur van een maand, te weten van 20 juli 2019 tot 20 augustus 2019.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het op hen betrekking hebbende bestreden besluit. Zij hebben de voorzieningenrechter elk afzonderlijk verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt het bestreden besluit te schorsen tot na de behandeling van het bezwaarschrift.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2019. De zaken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn gezamenlijk behandeld. Verzoekers waren op de zitting aanwezig samen met hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] . Van het marktbureau waren aanwezig [marktbeheerder] (marktbeheerder) en [toezichthouder] (toezichthouder).

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Achtergrond en besluitvorming

2.1.

[verzoeker 1] is eigenaar van de winkel ‘ [winkel 1] ’ op het adres [adres 1] . Daarnaast is [verzoeker 1] marktondernemer-sollicitant op de Albert Cuypmarkt.

2.2.

[Naam echtgenote] is de echtgenote van [verzoeker 1] . Zij staat in [winkel 1] .

2.3.

[verzoeker 2] is marktondernemer met een vaste marktplaats op de Albert Cuypmarkt. Hij heeft een dubbele marktkraam met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] . [naam 2] is de vaste vervanger van [verzoeker 2] voor deze marktkramen.

2.4.

Marktkraam [nummer 2] is gesitueerd voor [winkel 1] , terwijl marktkraam [nummer 1] is gesitueerd voor de daarnaast gelegen winkel, namelijk de winkel ‘ [winkel 2] ’ op het adres [adres 2] .

3. Op 22 juni 2019 is er een incident geweest op de Albert Cuypmarkt. Het incident bestond uit twee opeenvolgende vechtpartijen waar in ieder geval tussen meerdere personen werd geslagen, geschopt, geduwd en getrokken. Het heeft zich afgespeeld in het gebied rondom de marktkramen [nummer 3] , [nummer 1] en [nummer 2] en de daarachterliggende winkels [winkel 1] en [winkel 2] . Het incident is vastgelegd met bewakingscamera’s van de winkels.

4. [verzoeker 2] was op de dag van het incident niet op de markt aanwezig. Verder is op de zitting komen vast te staan dat niet [verzoeker 1] maar [naam 2] in de marktkramen van [verzoeker 2] stond toen het incident begon.

5. Met het bestreden besluit I heeft verweerder aan [verzoeker 1] een sanctie opgelegd wegens ernstig wangedrag, inhoudende het nalaten van de-escalerend gedrag, het gebruik en uitlokken van geweld en het ondermijnen van de markt en het marktcollectief.

De ondermijning van het marktcollectief blijkt volgens verweerder onder meer uit de situatie dat een collega-marktondernemer, die te hulp wilde schieten, door een duw van een van de vechtenden, hard ten val is gekomen maar dat zij daarvan geen aangifte wil doen en geen verklaring wil afleggen uit angst voor represailles. Ook andere marktondernemers hebben bij de toezichthouders van verweerder verklaard zich onveilig te voelen. Volgens verweerder is sprake van een ‘haat- en nijdverhouding’ tussen enerzijds [verzoeker 1] en anderzijds de winkelier van [winkel 2] , zijn winkelpersoneel en de marktsollicitanten die namens hem spullen verkopen op de markt (hierna: het conflict). Het conflict is volgens de marktondernemers al een paar jaar gaande sinds [verzoeker 2] een extra marktkraam erbij heeft gekregen. Deze extra kraam is gesitueerd voor [winkel 2] , aldus verweerder in het bestreden besluit I.

6. Met het bestreden besluit II heeft verweerder de aan [verzoeker 2] en/of zijn vervangster [naam 2] op 22 juni 2019 mondeling opgelegde ordemaatregel om – kort gezegd – op 24 en

25 juni 2019 niet op de markt aanwezig te zijn ter herstel van de orde en rust op de markt, schriftelijk bevestigd. Daarnaast heeft verweerder aan [verzoeker 2] een sanctie opgelegd wegens ernstig wangedrag, inhoudende het nalaten van de-escalerend gedrag tijdens de tweede vechtpartij, het onbeheerd achterlaten van zijn marktkramen, en het ondermijnen van de markt en het marktcollectief. Volgens verweerder is [verzoeker 2] in zijn hoedanigheid van vergunninghouder verantwoordelijk voor iedereen die op de dag van het incident in zijn kraam aan het werk was, dus ook voor zijn vervanger [naam 2] . Alles wat zij die dag vanuit zijn kraam en op het marktterrein heeft gedaan of heeft nagelaten, wordt aan [verzoeker 2] toegerekend. De sanctie bij (poging tot) geweld is volgens het beleid het intrekken van de marktplaatsvergunning voor maximaal 3 maanden. Omdat [naam 2] het gevecht niet is begonnen is de sanctieduur teruggebracht naar een maand, aldus verweerder in het bestreden besluit II.

Wettelijk kader

7. Verweerder mag op grond van artikel 125 van de Gemeentewet handhavend optreden als een voorschrift van de Marktverordening wordt overtreden.

8. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, onder a en b van de Marktverordening kan verweerder de marktondernemer gelasten zich voor de duur van ten hoogste een week van de markt te verwijderen, als hij de orde op de markt verstoort of in gevaar brengt of zich aan wangedrag of bedrog schuldig maakt. Op grond van het derde lid van dit artikel is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op – kort gezegd – degene die de ondernemer vervangt.

9. In artikel 6.2, tweede lid, onder h, van de Marktverordening is onder meer bepaald dat verweerder een vergunning voor een marktplaats kan intrekken, dan wel kan weigeren een vergunning voor een losse marktplaats op een markt voor bepaalde of onbepaalde termijn te verlenen als de houder de in artikel 6.1 genoemde gedragingen pleegt.

10. Verweerder heeft beleid vastgesteld over hoe opgetreden wordt als de Marktverordening wordt overtreden. Dit beleid is neergelegd in ‘Het uniform handhavingsbeleid warenmarkten en bijbehorende stappenplan’. Daarin staat dat bij overtreding van artikel 6.1, eerste lid, onder b van de Marktverordening (ernstig wangedrag) iemand bij een eerste overtreding wordt verwijderd voor maximaal een week en de vergunning drie maanden wordt ingetrokken of geweigerd.

De beoordeling

11. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de ordemaatregel tegen [verzoeker 2] , althans [naam 2] , al is afgelopen, zodat hiertegen geen voorlopige voorziening meer mogelijk is.

12. [verzoeker 1] voert tegen de sanctie aan dat er geen sprake is geweest van een overtreding van de Marktverordening omdat hij die dag niet aanwezig was in de hoedanigheid van marktondernemer. Hij deed die dag als burger op de markt boodschappen. De voorzieningenrechter volgt [verzoeker 1] niet in dit betoog. Ook al was [verzoeker 1] die dag niet actief als marktondernemer; hij is als sollicitant op de marktlijst geplaatst en hij was die dag betrokken bij het incident dat op de markt plaatsvond. De Marktverordening is daarom wel op hem van toepassing.

13. [verzoeker 2] voert tegen de sanctie aan dat geen sprake is van een overtreding omdat hij niet bij het incident aanwezig was. Ook dit betoog slaagt niet. Uit artikel 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat degene tot wie het overtreden voorschrift zich richt, als overtreder kan worden aangemerkt. Artikel 6.2 van de Marktverordening is hier het voorschrift dat is overtreden en dat voorschrift richt zich tot de vergunninghouder. [verzoeker 2] is de vergunninghouder, zodat het handelen of nalaten van [naam 2] hem kan worden toegerekend. Dat betekent dat verweerder [verzoeker 2] terecht als overtreder heeft aangemerkt.

14. [verzoeker 2] voert verder aan dat hij met de ordemaatregel en de sanctie twee keer wordt gestraft voor hetzelfde incident, wat in is strijd met artikel 5:6 of artikel 5:43 van de Awb. Deze grond slaagt evenmin. Artikel 6.1. van de Marktverordening betreft een ordemaatregel en is alleen gericht op het meteen laten terugkeren van de rust op de markt. Degene tot wie de ordemaatregel zich richt, hoeft dan ook geen overtreder te zijn. Artikel 6.2. van de Marktverordening is een herstelsanctie en is gericht tot overtreders. Deze twee artikelen beogen dus andere doelen. Een ordemaatregel en een herstelsanctie kunnen daarom gelijktijdig worden opgelegd.

15. Verzoekers voeren voorts aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest omdat verweerder het politieonderzoek niet heeft afgewacht. Uit dit onderzoek zal blijken dat [naam 2] geen overtreding heeft begaan en dat [verzoeker 1] werd geprovoceerd en dus slachtoffer is geweest. [verzoeker 1] heeft daarbij aangevoerd dat de camerabeelden niet in het dossier zaten en hij daar niet op heeft kunnen reageren.

16. Voor zover het al onzorgvuldig zou zijn dat de beelden niet eerder in het dossier zaten, geldt dat verweerder voorafgaand aan de zitting de beelden aan alle betrokkenen beschikbaar heeft gesteld en dat de beelden zijn bekeken. Ook de voorzieningenrechter heeft de beelden voorafgaande aan de zitting gezien. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het politieonderzoek niet had hoeven afwachten voordat hij de bestreden besluiten nam, omdat camerabeelden objectief en duidelijk zijn. De beelden zijn scherp en het incident speelt zich direct vóór een van de bewakingscamera’s af. Uit de beelden wordt aannemelijk wat op 22 juni 2019 op de Albert Cuypmarkt aan de hand is geweest. Verweerder hoefde daarom het politieonderzoek niet af te wachten om een zorgvuldig besluit te nemen. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

17. Verzoekers voeren verder aan dat sprake is een onredelijke belangenafweging. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Daarbij is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat het belang van verzoekers niet opweegt tegen het algemeen belang van verweerder bij orde en rust op de markt. Op de zitting is in dit verband niet bestreden dat tussen de betrokken personen al gedurende langere tijd spanning bestaat. De marktmeester heeft meermaals geprobeerd in het conflict te bemiddelen maar dat is niet gelukt. Ten aanzien van [verzoeker 1] geldt dat hij weliswaar drie maanden niet op de Albert Cuypmarkt in een kraam mag staan, maar wel in zijn winkel op het marktgedeelte van de Albert Cuypstraat mag verkopen. Verweerder heeft verder bij [verzoeker 2] de belangenafweging in zijn voordeel laten uitvallen door rekening te houden met het feit dat [naam 2] de vechtpartij niet is begonnen. Verweerder heeft daarom zijn sanctieduur teruggebracht van drie tot één maand.

18. Tot slot slagen ook het beroep van verzoekers op het gelijkheidsbeginsel en het beroep op het proportionaliteitsbeginsel niet. Dat de eigenaar van [winkel 2] en andere betrokkenen bij het incident wellicht een lichtere sanctie hebben gekregen maakt niet dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Elke betrokkene heeft zijn eigen rol gehad in het incident. Dat sprake is van gelijke gevallen is niet onderbouwd en niet gebleken. Verder is niet aannemelijk geworden dat de opgelegde sancties disproportioneel zijn, omdat verweerder zich bij [verzoeker 1] aan het beleid heeft gehouden en bij [verzoeker 2] in zijn voordeel is afgeweken. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding dat verweerder daarvan (verder) had moeten afwijken.

19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bezwaren hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening daarom af.

20. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. L.C. Dankbaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 augustus 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.