Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6016

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
16-08-2019
Zaaknummer
13/095659-19, 13/208480-18 (tul), 13/015364-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling van zijn eigen vader in zijn woning. Gevangenisstraf van 40 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 40 uur en een contactverbod van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/095659-19, 13/208480-18 (tul), 13/015364-19 (tul)

Datum uitspraak: 25 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en verdachte en zijn raadsman, mr. M. van Viegen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 19 april 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer] , heeft mishandeld door eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht/gelaat en/of de borst van voornoemde [slachtoffer] .

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de mishandeling bewezen kan worden op grond van de aangifte, de getuigenverklaring, het letsel bij de vader en het letsel aan de handen van verdachte. De ontkennende verklaring van verdachte is niet aannemelijk en ongeloofwaardig.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het feit.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zijn vader, [slachtoffer] , op 19 april 2019 heeft mishandeld door hem meermalen te stompen in het gezicht.

Uit de aangifte blijkt dat verdachte in de nacht van 19 april 2019 aanbelt bij de woning van zijn ouders. Zijn vader doet open en neemt waar dat verdachte veel alcohol heeft gedronken. Na een korte woordenwisseling slaat verdachte zijn vader meermalen met zijn vuist op zijn gezicht. De moeder van verdachte, [naam 1] , ziet dit gebeuren. Zij ziet dat haar man bloed op zijn neus heeft. Verbalisanten nemen het letsel ook waar en op de foto’s is duidelijk te zien dat de vader van verdachte letsel heeft in zijn gezicht. Bij de aanhouding van verdachte zien verbalisanten verse schaafwonden op de knokkels van verdachte.

De verklaring van verdachte, dat zijn vader hem sloeg en het letsel van zijn vader komt doordat zijn vader tegen de muur viel, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verklaring van verdachte vindt geen enkele ondersteuning in het dossier.

Ter zitting heeft verdachte voorts nog verklaard dat hij zoveel alcohol had gedronken dat hij eigenlijk niet meer goed weet wat zich die avond heeft afgespeeld.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage I bewezen dat verdachte:

op 19 april 2019 te Amsterdam zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer] , heeft mishandeld door meermalen met kracht te stompen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] .

5 Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 40 uren. Daarbij vordert de officier van justitie als bijzondere voorwaarde een contactverbod gedurende zes maanden ten aanzien van de ouders van verdachte.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en vraagt een gevangenisstraf op te leggen conform voorarrest of een voorwaardelijke straf.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn eigen vader bij de woning van zijn ouders. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vader. Daarnaast heeft de mishandeling een grote impact gehad op de ouders van verdachte en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Uit de aangifte blijkt dat zij niet meer in de buurt van verdachte durven te komen en bang zijn dat verdachte hen zal vermoorden. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Verder worden in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die onder andere blijken uit het reclasseringsadvies van 11 juli 2019. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van problematisch alcoholgebruik, psychische problematiek en beperkt probleembesef. Bovendien heeft verdachte zich niet gehouden aan zijn bijzondere voorwaarden bij een eerdere veroordeling dit jaar en heeft hij zijn medewerking aan een ambulante behandelverplichting geweigerd. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

Alles afgewogen acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

Aan verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 40 dagen met aftrek, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 40 uur opgelegd. Ter voorkoming van recidive zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf een proeftijd van 2 jaren verbinden.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een contactverbod met de ouders van verdachte als bijzondere voorwaarde dient te worden opgelegd. Gelet op de ernst van het feit en de impact die dit voor het slachtoffer heeft gehad, is van groot belang dat verdachte geen contact met zijn ouders zal zoeken gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Ten aanzien van 13/015364-19

Bij de stukken bevindt zich de op 25 juni 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/015364-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 maart 2019 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 1 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet echter aanleiding om de proeftijd met 1 jaar te verlengen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van 13/208480-18

Bij de stukken bevindt zich de op 25 juni 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/015364-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 17 januari 2019 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden, te weten het niet voldoen aan de meldplicht bij de reclassering.

De rechtbank ziet echter aanleiding om de proeftijd met 1 jaar te verlengen zodat hij onder toezicht van de reclassering zal blijven tot en met januari 2022, hetgeen de rechtbank gelet op de problematiek van verdachte wenselijk acht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte van 14 (veertien) dagen van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat:

1. verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

Contactverbod

Verdachte gedurende de eerste 6 (zes) maanden van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op mag nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en [naam 1]. De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 40 (veertig) uur, bij niet verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen vervangende hechtenis.

Ten aanzien van 13/015364-19

Verlengt de proeftijd met 1 (een) jaar.

Ten aanzien van 13/208480-18

Verlengt de proeftijd met 1 (een) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. H.E. Hoogendijk en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli 2019.

[...]