Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:600

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
13/014966-18 (A) en 13/064700-18 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 50-jarige man krijgt een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor onder meer oplichting. Ook moet hij ruim 700 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/014966-18 (A) en 13/064700-18 (B)

Datum uitspraak: 31 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

postadres [adres] , [woonplaats] , op de zitting opgegeven verblijfsadres [verblijfadres] , [verblijfplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2019. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. Kees, van de vorderingen van benadeelde partijen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T de Wit, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

1. oplichting van 13 personen in de periode van 1 juni 2017 t/m 5 augustus 2017 door hen via Whatsapp te benaderen om mee te varen op een boot tijdens Canal Pride 2017 te Amsterdam, hen per mail een gedetailleerd programma te sturen, hen vervolgens deze boottocht aan te bieden ter betaling van 30 euro per persoon en hen te verzoeken het geldbedrag over te maken op het rekeningnummer van verdachte;

2. diefstal op 4 oktober 2017 van een ABN-Amro pinpas en/of horloge en/of één of meerdere

geldbedragen (van 80,00 euro en/of 250,00 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

3. uitkeringsfraude in de periode van 24 mei 2017 tot en met 31 augustus 2017, door inkomsten te ontvangen uit figurantenwerkzaamheden en/of die hij heeft ontvangen voor (fictieve) toegang op een boot tijdens de Canal Pride 2017 te Amsterdam en/of die hij heeft ontvangen met een gestolen en aan [slachtoffer 1] toebehorende pinpas, terwijl hij dit niet heeft doorgegeven aan de uitkeringsinstantie;

Zaak B

1. diefstal van een portemonnee op 15 november 2017, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

2. diefstal van een portemonnee in de periode van 29 november 2017 tot en met 30 november 2017, toebehorende aan [slachtoffer 3] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Zaak A

Feit 1 kan worden bewezen. De intentie van verdachte op de oplichting bestond al toen hij de aangevers aansprak. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij begin juli 2017 al wist dat er geen boot was. Alle aangiftes zijn gedaan na begin juli. Het eerste contact met de aangevers was steeds rond de datum dat er werd betaald en die betalingen hebben alle plaatsgevonden na begin juli.

Ten aanzien van feit 2 kan worden bewezen dat verdachte de pinpas van [slachtoffer 1] heeft gestolen en daarmee 250 euro heeft gepind. Verdachte bekent dit. Vanwege de ontkenning van de diefstal van het horloge en het contante geldbedrag van 80 euro kan dit deel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

Ook feit 3 kan worden bewezen op grond van de inhoud van het dossier, met uitzondering van de inkomsten die verdachte heeft verkregen door met de gestolen pinpas van [slachtoffer 1] te pinnen nu dit buiten de tenlastegelegde periode valt.

Zaak B

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van feit 1 kan dit feit worden bewezen. Omdat ten aanzien van feit 2 alleen een aangifte in het dossier is opgenomen, en deze aangifte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

Zaak A

Feit 1 kan worden bewezen. Verdachte heeft dit feit bekend.

Ook feit 2 kan worden bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte. Dit geldt niet voor het horloge en het contante geldbedrag van 80 euro. Van dit deel moet verdachte worden vrijgesproken.

Ook van feit 3 moet verdachte worden vrijgesproken. Hij heeft over de inkomsten uit zijn figurantenwerk navraag gedaan bij de uitkeringsinstantie en daarmee voldaan aan zijn mededelingsplicht. De inkomsten die hij heeft ontvangen met de verkoop van tickets voor een tocht op een boot tijdens Canal Pride heeft verdachte niet gezien als inkomsten. De schade die [slachtoffer 1] heeft geleden is al vergoed en bovendien valt deze diefstal buiten de tenlastegelegde periode van de uitkeringsfraude, dus ook dit deel kan niet worden bewezen.

Zaak B

Feit 1 kan worden bewezen. Verdachte heeft dit feit bekend.

Van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken. Verdachte heeft dit feit ontkend. Aangever heeft alleen het vermoeden dat verdachte het heeft gedaan, maar dat vermoeden wordt niet ondersteund.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak in zaak B, feit 2

Verdachte ontkent dat hij de portemonnee van [slachtoffer 3] heeft gestolen. Ten aanzien van de verweten betrokkenheid van verdachte bij dit feit zit alleen een aangifte in het dossier. Daarmee wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.

3.3.2.

De overige tenlastegelegde feiten

Zaak A, feit 1

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Verdachte heeft vanaf 1 juni 2017 zelf of via anderen, mensen benaderd met de vraag of zij geïnteresseerd waren om mee te varen op een boot tijdens de Canal Pride op 5 augustus 2017 in Amsterdam. Verdachte zat naar eigen zeggen in de organisatie en hij kon een boot regelen. Er zou een zanger mee aan boord gaan en er zou een barbecue worden geregeld. Dit zou 30 euro per persoon kosten. Tientallen mensen waren hierin geïnteresseerd en maakten geld over naar verdachtes bankrekening. De mensen die geïnteresseerd waren kregen per e-mail de huisregels en een gedetailleerd programma van de dag toegestuurd. Op 5 augustus 2017 zijn deze mensen naar de afgesproken opstapplaats in Amsterdam gekomen waar zij erachter kwamen dat zowel verdachte als de boot niet aanwezig waren.

Verdachte heeft op de zitting bekend deze mensen te hebben opgelicht. Hij verklaarde wel het plan te hebben gehad om een boot te regelen en zich daar ook voor te hebben ingespannen. Begin juli 2017 kwam hij erachter dat er geen boot beschikbaar was. Hij vond het makkelijker om de mensen in de waan te laten dat zij met een boot meegingen en hen daarvoor te laten betalen, dan de waarheid te vertellen en de al ontvangen gelden terug te betalen, aldus verdachte. De rechtbank stelt op grond van deze verklaring vast dat verdachte in ieder geval vanaf begin juli 2017 de intentie had om op te lichten.

Uit het dossier is gebleken dat alle in de tenlastelegging genoemde personen, behalve [slachtoffer 4] , uitgebreide informatie over de dag hebben ontvangen voordat zij de betaling overmaakten naar de rekening van verdachte. Daarnaast is gebleken dat al deze personen de bedragen naar verdachte hebben overgemaakt ná begin juli 2017. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde personen, behalve [slachtoffer 4] , door de belofte van verdachte en de informatie over de dag van de Canal Pride, zijn bewogen tot afgifte van geld.

Verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde oplichting van [slachtoffer 4] omdat haar aangifte zo summier is dat de rechtbank daaruit niet kan afleiden hoe en op welke manier zij is bewogen tot afgifte van het geld voor de boottocht.

Zaak A, feit 2

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte over de diefstal van de pinpas en het daarmee gepinde bedrag van 250 euro is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging kan worden bewezen. Verdachte zal worden vrijgesproken van de diefstal van het horloge en het contante geldbedrag van 80 euro omdat hij dit deel heeft ontkend en de aangifte van [slachtoffer 1] voor dit deel van de tenlastelegging niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Zaak A, feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude door de inkomsten die verdachte heeft ontvangen uit figurantenwerk en de gelden die hij heeft ontvangen voor de niet bestaande boottocht tijdens de Canal Pride niet op te geven bij de uitkeringsinstantie. Dat verdachte bij de uitkeringsinstantie zou hebben nagevraagd of hij de inkomsten uit zijn figurantenwerk moest opgeven en hem verteld zou zijn dat dat niet nodig was, zolang dit beneden een bepaald bedrag was, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Dat verdachte dit zou hebben nagevraagd en een ontkennend antwoord zou hebben gekregen volgt alleen uit zijn eigen verklaring, bovendien is het moeilijk voorstelbaar dat de uitkeringsinstantie  bij uitstek deskundig op dit onderwerp  zou hebben geantwoord dat hij deze verdiensten niet op hoefde te geven. Verdachte zal worden vrijgesproken voor het niet opgeven van de inkomsten die hij heeft ontvangen door met de gestolen pinpas van [slachtoffer 1] te pinnen (250 euro) omdat deze diefstal buiten de tenlastegelegde periode van feit 3 valt.

Zaak B, feit 1

Op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat dit feit kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

feit 1:

in de periode van 1 juni 2017 tot en met 5 augustus 2017 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, van totaal ongeveer 670,00 euro, door

- hen via WhatsApp en/of in persoon en/of via anderen dan verdachte te benaderen om mee te varen op een boot tijdens de Canal Pride 2017 te Amsterdam en

- hen per mail een gedetailleerd programma te sturen van de boottocht tijdens de Canal Pride 2017 te Amsterdam met onder meer informatie over het tijdstip, de plaats van aanmelding, de vaarroute, de dresscode, de naam van de artiest aan boord en de toestemming tot filmen tijdens de boottocht en

- vervolgens deze boottocht aan te bieden tegen betaling van 30,00 euro per persoon en

- hen te verzoeken het geldbedrag over te maken op het (door hem gegeven) rekeningnummer waardoor voornoemde [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 2:

op 4 oktober 2017 te Diemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ABN-Amro pinpas en een geldbedrag van 250,00 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

feit 3:

in de periode van 24 mei 2017 tot en met 31 augustus 2017 te Amsterdam in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17.1 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte telkens aan de gemeente Amsterdam niet opgegeven:

- alle inkomsten/vergoedingen die hij als figurant heeft ontvangen en die hij heeft ontvangen voor fictieve toegang op een boot tijdens de Canal Pride 2017 te Amsterdam;

Zaak B

feit 1:

op 15 november 2017 te Amsterdam een portemonnee, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

Dit vonnis betreft een zogenaamd verkort vonnis. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en de maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die zijn geadviseerd in het reclasseringsrapport van 15 maart 2018.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat met het volgende rekening te houden. Het strafblad van verdachte laat geen recente veroordelingen zien en na het plegen van deze feiten is verdachte niet meer met justitie in aanraking gekomen. Daarnaast moet in strafmatigende zin rekening worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaken, met de media-aandacht en met de terugvordering van de gemeente voor de te veel ontvangen uitkering. Een gevangenisstraf is niet op zijn plaats, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In dat kader moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte op een wachtlijst staat voor begeleid wonen. Een gevangenisstraf zou dat traject dwarsbomen.

De rechtbank wordt verzocht een forse taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat de bijzondere vooraarden die de reclassering heeft geadviseerd kunnen worden opgelegd. Verdachte is bereid deze voorwaarden na te leven. Hoewel de reclassering in het rapport schrijft dat verdachte daartoe niet in staat is, is verdachte bereid en in staat een taakstraf te verrichten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting door niet alleen de op de tenlastelegging genoemde mensen maar daarnaast nog tientallen anderen te laten betalen om mee te varen op een boot tijdens de Canal Pride 2017, terwijl die boot er niet was. Deze mensen hebben hiervoor 30 euro per persoon betaald. Zelfs toen verdachte volgens zijn eigen verklaring wist dat er helemaal geen boot beschikbaar was, heeft hij nog actief mensen benaderd en informatie gegeven over de niet bestaande boot, over het programma en op welke rekening mensen hun geld over moesten maken. Hierdoor zijn een hoop mensen, die zich verheugden op een feestelijke dag op een boot, met zanger en barbecue, gedupeerd. Verdachte heeft naar eigen zeggen een zeer beperkt aantal mensen terugbetaald. De rest van de overgemaakte bedragen heeft hij uitgegeven aan andere dingen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door de inkomsten uit deze oplichting en uit zijn figurantenwerk niet te melden bij de uitkeringsinstantie waardoor hij meer uitkering heeft gekregen dan waar hij recht op had. Hierdoor is de maatschappij benadeeld.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen van portemonnees van twee mannen met wie verdachte toen een seksuele dan wel liefdesrelatie had. Op die manier heeft verdachte het vertrouwen dat zij in hem hadden misbruikt.

Blijkens zijn strafblad van 11 december 2018 heeft verdachte zich in de afgelopen vijf jaar niet schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 15 maart 2018. Hierin staat dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Als de delicten bewezen worden verklaard is het opvallend dat er geen financieel gewin aan ten grondslag lijkt te liggen, maar er een diepere laag onder zit dat zou kunnen verklaren waarom verdachte deze delicten pleegt. Zoals ook in eerdere rapportages is aangegeven lijkt het erop dat hij zich op mensen heeft willen wreken, door hen geld af te pakken. Verdachte ontvangt hulpverlening in vrijwillig kader, maar dit is volgens de reclassering niet voldoende om de kans op recidive te verminderen. Van belang is dat eerst ingezet wordt op de externe factoren die invloed op hem hebben. Verdachte is gebaat bij vaste huisvesting en continuering van zijn vrijwilligerswerk. Binnen een toezichtkader bij de reclassering kan hierin worden ondersteund. Zodra hier enige structuur en stabiliteit in zit kan er met een specifieke psychotherapeutische behandeling verder aan zijn psychische problematiek worden gewerkt. Verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis en trauma’s die nog niet zijn verwerkt. Verdachte staat open voor therapieën. In het verleden is de behandeling afgebroken, omdat verdachte na het aflopen van het gedwongen kader niet meer verscheen. Het opnieuw oppakken van de geschikte behandeling is van groot belang voor de resocialisatie van verdachte en het voorkomen van recidive. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en opname in een instelling voor begeleid wonen.

De rechtbank neemt het advies over en zal de bijzondere voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel.

Hoewel voor de bewezenverklaarde feiten een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zou zijn, kiest de rechtbank in dit geval voor een andere strafmodaliteit. De rechtbank neemt daarin mee dat het aantal gedupeerden van de oplichting groot is, maar de door hen geleden schade relatief beperkt is gebleven. Om te voorkomen dat verdachte opnieuw diefstallen in de persoonlijke sfeer zal plegen lijkt een behandeling op dit moment belangrijk. Daarbij heeft de rechtbank meegenomen dat een gevangenisstraf het traject voor begeleid wonen, wat ook van belang is om herhaling te voorkomen, zou kunnen dwarsbomen.

De rechtbank legt een taakstraf van 180 uur aan verdachte op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

9 De benadeelde partijen

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 15] dienen geheel te worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] dient te worden toegewezen met uitzondering van de autokosten en de parkeerkosten nu deze kostenposten te ingewikkeld van aard zijn. Gelet op de hoogte van de parkeerkosten heeft [slachtoffer 13] ongeveer 8 uur geparkeerd gestaan in Amsterdam dus onduidelijk is in hoeverre dat aan verdachte kan worden toegerekend. In dat deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De vordering van [slachtoffer 14] dient voor wat betreft de materiele schade te worden toegewezen. De benadeelde partij is voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] dient te worden toegewezen voor wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor de tickets en het treinvervoer. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering nu dat deel niet is onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient geheel te worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zowel de materiële als de immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] dient, gelet op de verzochte vrijspraak, te worden afgewezen.

9.2.

Het standpunt van de raadsvrouw

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] kunnen worden toegewezen voor wat betreft de tickets voor de boot. De benadeelde partijen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen nu die voor dat deel niet zijn onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] kan worden toegewezen voor wat betreft de tickets voor de boot. De benadeelde partij dient voor het deel dat ziet op de advocaatkosten niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering nu dit deel onvoldoende is onderbouwd.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 15] zijn toewijsbaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 11] en [slachtoffer 13] kunnen worden toegewezen voor wat betreft de tickets voor de boot. De benadeelde partijen dienen voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen nu dat niet is onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] kan worden toegewezen voor wat betreft de tickets voor de boot. De benadeelde partij dient in de vordering voor het deel dat ziet op de immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard nu dit niet is onderbouwd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient geheel te worden toegewezen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zowel de materiële als de immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] dient, gelet op de bepleite vrijspraak, in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A, feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 112,80 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2017.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de oplichting van [slachtoffer 4] .

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert € 60,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 250,- aan advocaatkosten. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding voor wat betreft de tickets à € 60,- komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom voor dat deel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2017.

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief van kantonzaken, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 36,- (1 punt voor het indienen van het voegingsformulier). Voor het overige wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert € 90,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017.

De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert € 166,14 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017.

De benadeelde partij [slachtoffer 13] vordert € 120,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding voor wat betreft de tickets en de reiskosten, totaal € 80,-, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom voor dat deel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017. Voor het overige deel dat ziet op de kosten voor het parkeren wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu dit deel onvoldoende is onderbouwd. De hoogte van de kosten die voor deze post zijn opgegeven à € 40,- duiden erop dat er gedurende meerdere uren is geparkeerd, wat maakt dat het voor de rechtbank onduidelijk is of dit in rechtstreeks verband kan worden gebracht met het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij [slachtoffer 15] vordert € 30,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017.

De benadeelde partij [slachtoffer 14] vordert € 30,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor wat betreft de tickets niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom voor dat deel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017. Voor het deel dat ziet op de immateriële schade wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard nu dit deel niet is onderbouwd.

Ten aanzien van zaak A, feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 4.183,- aan materiële schade, bestaande uit

€ 2.500,- voor het gestolen horloge en € 1.683,- voor de vernieling van de deuren, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert [slachtoffer 1] € 10.000,- aan immateriële schade voor het bezoeken van een therapeut wegens paniekaanvallen.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering voor wat betreft de kosten van de vernielde deuren niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze schade geen rechtstreeks verband houdt met het (maak een keuze)bewezen verklaarde feit. Daarnaast zal de benadeelde partij in de vordering voor wat betreft de kosten die zien op het gestolen horloge ook niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte voor deze onderdelen wordt vrijgesproken.

De immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel veroorzaakt door de bewezenverklaarde diefstal.

Ten aanzien van zaak B, feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 67,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2017.

Ten aanzien van zaak B, feit 2


De benadeelde partij [slachtoffer 3] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van dit feit.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partijen zal als extra waarborg voor de betaling aan verdachte telkens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, behoudens de proceskosten ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] , nu dit niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 227b, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2 en 3 en het in zaak B onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A, feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd;

zaak A, feit 2 en zaak B, feit 1:

diefstal, meermalen gepleegd;

zaak A, feit 3:

in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden :

- dat veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het

vonnis moet melden bij Leger des Heils reclassering op het adres [adres Leger des Heils]

. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde als de reclassering dit noodzakelijk acht verplicht wordt om zich te

laten behandelen bij de Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter

beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de

aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de

instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- dat veroordeelde wordt verplicht om in een instelling, zulks ter beoordeling van de

reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze

voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering

dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uur per vastgezeten dag.

Wijst de vordering van [slachtoffer 6], wonende te [woonplaats] , toe tot € 112,80 (honderdtwaalf euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat € 112,80 (honderdtwaalf euro en tachtig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 2 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst de vordering van [slachtoffer 7], wonende te [woonplaats] , toe tot € 96,- (zesennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 7] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] , € 60,- (zestig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 8], wonende te [woonplaats] , toe tot € 90,- (negentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 8] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 8] , € 90,- (negentig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 11], wonende te [woonplaats] , toe tot € 166,14,- (honderdzesenzestig euro en veertien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 11] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 11] € 166,14 (honderdzesenzestig euro en veertien cent), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 3 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 13], wonende te [woonplaats] , toe tot € 80,- (tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 13] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 13] € 80,- (tachtig euro), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 15], wonende te [woonplaats] , toe tot € 30,- (dertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 15] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 15] € 30,- (dertig euro), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 14], wonende te [woonplaats] , toe tot € 30,- (dertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 14] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige, dat ziet op de immateriële schade, niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 14] € 30,- (dertig euro), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor het deel dat ziet op de materiele schade. Voor het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade wordt deze afgewezen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] , toe tot € 67,- (zevenenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2017 tot het moment van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] € 67,- (zevenenzestig euro), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2017 tot het moment van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 1 dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2019.