Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5994

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3199
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/3199 en 18/3202

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2019 in de zaken tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. G. Martin),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Procesverloop

Intrekking/herziening

Bij besluit van 17 november 2017 (primair besluit intrekking I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 18 oktober 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 30 november 2017 (primair besluit intrekking II) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 2 oktober 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 21 maart 2018 (bestreden besluit herziening I) heeft verweerder de bezwaren tegen primair besluit intrekking I en II gevoegd behandeld. Het bezwaar tegen primair besluit intrekking II is gegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit ingetrokken en het recht op uitkering over de periode van 2 oktober 2015 tot en met 17 oktober 2017 herzien.

Eiser heeft tegen bestreden besluit herziening I beroep ingesteld (AMS 18/3199).

Bij besluit van 3 januari 2019 (bestreden besluit herziening II) heeft verweerder ook het bezwaar tegen primair besluit intrekking I gegrond verklaard. Verweerder heeft primair besluit intrekking I ingetrokken en het recht op uitkering voor de periode vanaf 18 oktober 2017 herzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Terugvordering

Bij besluit van 6 december 2017 (primair besluit terugvordering) heeft verweerder over de periode van 2 oktober 2015 tot en met 31 oktober 2017 een bedrag van € 36.759,15 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 12 april 2018 (bestreden besluit terugvordering I) heeft verweerder het bezwaar tegen primair besluit terugvordering gegrond verklaard en de vordering verlaagd naar € 28.387,57.

Eiser heeft tegen bestreden besluit herziening I beroep ingesteld (AMS 18/3202).

Bij besluit van 3 januari 2019 (bestreden besluit terugvordering II) heeft verweerder bestreden besluit terugvordering I herzien en de vordering verlaagd naar € 18.645,47.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Waar gaan deze zaken over?

1. Eiser ontvangt sinds 2 oktober 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin.

2. Verweerder is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de uitkering. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen gezin, opgemaakt op 3 november 2017. In het rapport wordt onder “aanleiding onderzoek” de conclusie uit een eerder onderzoek geciteerd. De rechtbank begrijpt dit citaat zo, dat verweerder door het eerdere onderzoek vermoedde dat eiser mogelijk over middelen zou gaan beschikken omdat hij aangaf een klusbedrijf te willen beginnen.

3. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij over inkomsten beschikt die hij niet heeft gemeld. Deze inkomsten bestaan volgens verweerder uit bijschrijvingen door zijn ouders en stortingen op zijn bankrekeningen. Verweerder heeft de uitkering eerst ingetrokken. Verweerder heeft de uitkering later herzien, omdat de inkomsten onder de bijstandsnorm liggen.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking/herziening (AMS 18/3199)

4. De rechtbank beoordeelt eerst of verweerder terecht is overgegaan tot herziening van eisers bijstandsuitkering vanwege schending van de inlichtingenplicht. In bestreden besluit herziening II is geen einddatum bepaald voor de herziening. De rechtbank begrijpt de beslissing aldus dat verweerder de uitkering heeft herzien over de periode van 2 oktober 2015 tot en met 31 oktober 2017.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bijschrijvingen en stortingen op zijn bankrekeningen heeft ontvangen en dat hij daarvan geen melding heeft gedaan bij verweerder. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of deze bijschrijvingen en stortingen zijn aan te merken als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).

6. Eiser betwist dat hij over inkomsten beschikt die hij had moeten melden. Volgens eiser kwalificeren de bijschrijvingen als leningen. Deze leningen zijn verstrekt met een specifiek doel en moeten worden terugbetaald. De stortingen betreffen volgens eiser een “vestzak-broekzaksituatie”, omdat hij zijn uitkering, de toeslagen die hij ontving en geld van zijn spaarrekening direct opnam om de meest noodzakelijke kosten te voldoen en het restant weer terugstortte. De stortingen vinden dus hun oorsprong in inkomensbestanddelen die bij verweerder al bekend waren.

7. Het relevante juridische kader luidt als volgt. Artikel 31, eerste lid, van de Pw bepaalt dat middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen zijn waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens vaste rechtspraak vallen kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger onder het middelenbegrip. Of middelen ook kunnen worden aangemerkt als inkomen wordt nader geregeld in artikel 32 van de Pw. Als de geldstromen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is volgens artikel 32, eerste lid, van de Pw sprake van inkomen. Een geldlening, ongeacht of deze moet worden terugbetaald, valt ook onder het middelenbegrip. Een geldlening is namelijk niet uitgezonderd in artikel 31, tweede lid, van de Pw. Verder is het vaste rechtspraak dat periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandontvanger worden aangemerkt.1

8. De rechtbank is van oordeel dat de bijschrijvingen en stortingen zijn aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw. Het maakt daarbij geen verschil of de bijschrijvingen zijn aan te merken als leningen. Het gaat immers om bedragen die periodiek op eisers rekeningen zijn bijgeschreven en die hij heeft aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dit geldt ook voor zover de bijschrijvingen zijn gebruikt voor de betaling van de kosten van het huwelijk, de verbouwing en/of de geboorte van het kind. Dergelijke kosten zijn weliswaar incidenteel, maar kwalificeren wel als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten had eiser dus ook uit zijn uitkering moeten voldoen. De stelling dat ten aanzien van de stortingen sprake is van een vestzak-broekzaksituatie kan eiser niet baten, omdat hij deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

9. Door van de bijschrijvingen en stortingen geen melding te maken, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden.

10. Eiser betoogt dat een schending van de inlichtingenplicht hem niet kan worden tegengeworpen omdat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat leningen van zijn ouders geen inkomen zijn die hij hoeft te melden. Eiser heeft namelijk al op 2 september 2015 tegenover verweerder verklaard dat zijn ouders hem financieel hebben geholpen. Verweerder heeft toen niet ingegrepen.

11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Eiser ontving op 2 september 2015 geen uitkering, een eerdere uitkering was op 30 maart 2015 stopgezet. Eiser schond op 2 september 2015 dus geen verplichting op grond van de Participatiewet. Eisers verklaring ziet daarnaast op een situatie in het verleden. Uit zijn verklaring volgt niet dat eiser deze betalingen ook in de toekomst, als hij weer een uitkering heeft, zal ontvangen. Zoals onder 2 overwogen, is de ontvangst van deze gelden voor verweerder ook niet de aanleiding geweest om het rechtmatigheidsonderzoek te starten. Aan de omstandigheid dat verweerder niet heeft ingegrepen, heeft eiser dus niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de bijschrijvingen uitgezonderd waren van de inlichtingenplicht.

12. Eiser betoogt verder dat sprake is van willekeur, omdat verweerder de bijschrijvingen door zijn ouders niet heeft aangemerkt als leningen. Dit beroep kan eiser niet baten. Voor de vraag of sprake is van inkomsten is immers niet relevant of de bijschrijvingen als leningen zijn aan te merken (zie hiervoor onder 7 en 8).

13. Als gevolg van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, is aan eiser teveel uitkering betaald. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor herziening van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw is voldaan. Eisers beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat hij geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Terugvordering (AMS 18/3202)

14. De rechtbank beoordeelt vervolgens of verweerder terecht is overgegaan tot terugvordering van een bedrag van € 18.645,47.

15. Eiser heeft in beroep alleen aangevoerd dat de terugvordering van de uitkering onterecht is omdat geen sprake is van inkomsten. Het bedrag wat verweerder terugvordert, is volgens eiser dus rechtmatig ontvangen.

16. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat wel sprake is van inkomsten en dat de uitkering terecht is herzien. Verweerder was daarom gehouden op grond van artikel 58, eerste lid, Pw over te gaan tot terugvordering. Eisers beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat hij geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

In de zaak 18/3199 verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

In de zaak 18/3202 verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.H. Kosters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1176.