Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:598

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
13-659356-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

tenuitvoerlegging niet ten uitvoer gelegde straf; omzetting jeugddetentie naar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESLISSING NA VEROORDELING

TOT VOORWAARDELIJKE STRAF

Parketnummer: 13/659356-15

Beslissing van 16 januari 2019 op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 2 november 2018, betreffende een onherroepelijk geworden vonnis van 15 december 2015, in de strafzaak tegen:

[veroordeelde] (hierna: veroordeelde),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] .

Bij voormeld vonnis is aan veroordeelde jeugddetentie voor de duur van 2 maanden (60 dagen) opgelegd, met bevel dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de daarbij op twee jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of omdat hij gedurende de proeftijd de bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, inhoudende dat veroordeelde:

  1. zich na veroordeling op uitnodiging meldt bij de reclassering van GGZ Inforsa JVz, op het adres [vestiging] Amsterdam (telefoonnummer [nummer] ). Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

  2. zich ambulant moet laten behandelen bij het Forensisch Jeugd ACT van Inforsa, gericht op de leefgebieden die hebben bijgedragen aan het delictgedrag, met de mogelijkheid van Detox gedurende maximaal zeven weken, en zich moet houden aan de voorwaarden die door de behandelaar worden gesteld;

  3. moet verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang indien de reclassering dit nodig acht, en zich moet houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

  4. andere voorwaarden het gedrag van de veroordeelde betreffende (indien gedurende het toezicht geïndiceerd): dat de veroordeelde zich actief moet inzetten voor het vinden en behouden van een dagbesteding en de aanwijzingen moet volgen van de reclassering en het dagbestedingstraject, indien de reclassering dit gedurende het toezicht noodzakelijk acht.

Bij beslissing van 2 augustus 2016 heeft de rechtbank de bij voormeld vonnis onder 3 gestelde bijzondere voorwaarde gewijzigd in:

“moet verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang van de Boomerang zorg, gevestigd aan de [adres 2] , dan wel een soortgelijke instelling, en zich moet houden aan het dagprogramma en het begeleidingsplan dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.”

Bij beslissing van 11 januari 2017 heeft de rechtbank gelast dat een gedeelte van de bij voormeld vonnis opgelegde niet ten uitvoer gelegde straf, te weten jeugddetentie voor de duur van veertien dagen, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

Bij beslissing van 14 december 2017 heeft de rechtbank vervolgens gelast dat een gedeelte van de bij voormeld vonnis opgelegde niet ten uitvoer gelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van zestien dagen, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, met dien verstande dat de veroordeelde in plaats van deze jeugddetentie te ondergaan, 32 uren taakstraf zal verrichten.

De rechtbank heeft daarnaast de bij voormeld vonnis bepaalde proeftijd met één jaar verlengd.

Ook heeft de rechtbank de bij voormeld vonnis onder 3 gestelde bijzondere voorwaarde wederom gewijzigd, in die zin dat deze thans luidt:

“veroordeelde zijn medewerking zal verlenen aan het vinden en behouden van een woonvoorziening en daar zal verblijven zolang de reclassering dit nodig acht, en tevens zijn medewerking zal verlenen aan een IQ-test indien dat naar het oordeel van de reclassering nodig is voor het vinden van een geschikte verblijfplaats.”

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt er toe dat het geheel van die niet ten uitvoer gelegde straf (30 dagen)1 alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, met dien verstande dat de jeugddetentie eventueel ten uitvoer kan worden gelegd in de vorm van een gevangenisstraf.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    voormeld vonnis van 15 december 2015;

  • -

    een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan veroordeelde per post is toegezonden;

  • -

    een beslissing na veroordeling tot voorwaardelijke straf van 14 december 2017;

  • -

    twee brieven van Inforsa te Amsterdam, van 10 april 2018 en 10 juni 2018, aan veroordeelde, waarin veroordeelde een officiële waarschuwing heeft gekregen omdat hij zich niet houdt aan de voorwaarden;

  • -

    rapporten van de reclassering van 15 juni 2016, 16 juni 2017, 25 juli 2017, 4 juli 2018 en 11 januari 2018 (de rechtbank begrijpt: 11 januari 2019).

  • -

    een proces-verbaal ter terechtzitting van 2 november 2018.

De rechtbank heeft op 16 januari 2019 en op 2 november 2018 ter openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsvrouw mr. A.S. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, en deskundige K. van Randeraat, belast met het verlenen van hulp en steun aan veroordeelde.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat, gelet op zijn indicatie, het niet gelukt is om te worden opgenomen in een kliniek. Daarnaast heeft veroordeelde ten aanzien van de urinecontroles verklaard dat niet aan hem was uitgelegd waartoe deze dienden en hij dus niet begreep waarom de controles moesten worden uitgevoerd. De reclassering heeft voor hem geen woning en geen mobiele telefoon geregeld. Hierdoor is het volgens veroordeelde niet mogelijk om bereikbaar te zijn voor begeleiding.

De deskundige heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden toegewezen en dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden, het gedrag en de leeftijd van veroordeelde, de detentie in de vorm van een gevangenisstraf ten uitvoer moet worden gelegd. Naar aanleiding van het plaatsingsgesprek op 8 oktober 2018, werd besloten dat opname in een woonvoorziening alleen mogelijk was wanneer eerst een klinische opname werd afgerond. Vanuit de reclassering is via meerdere wegen gezocht naar een mogelijkheid om veroordeelde te laten opnemen in de Vlaardingenkliniek of in een andere kliniek. Dat het niet tot een opname is gekomen, ligt deels aan de wachtlijsten en deels aan veroordeelde. Als tussenoplossing kon veroordeelde bij HVO-Querido verblijven, maar hij moest dan abstinent zijn. Omdat veroordeelde niet wenste mee te werken aan urinecontroles, is die plaatsing niet gerealiseerd. Het is de reclassering onbekend waar hij nu verblijft. Idealiter zou hij eerst een klinische opname moeten ondergaan, vervolgens kan diagnostiek plaatsvinden en vervolgens kan hij doorstromen naar begeleid wonen. In het belang van veroordeelde heeft de reclassering die volgorde gaandeweg veranderd door eerst begeleid wonen proberen te realiseren, maar ook dat is niet gelukt. De reclassering heeft tevergeefs vele pogingen gedaan en ziet nu geen mogelijkheden meer om veroordeelde hulp te bieden en te begeleiden.

De officier van justitie heeft, verwijzend naar haar vordering, aangevoerd dat het tenuitvoerleggen van de nog niet ten uitvoer gelegde straf de enige resterende mogelijkheid is. Een werkstraf is een gepasseerd station. Eerder opgelegde werkstraffen, waaronder de 32 uren die hij op grond van de beslissing van 19 september 2017 moest verrichten, heeft verdachte niet uitgevoerd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het niet geheel aan veroordeelde te wijten is dat de bijzondere voorwaarde niet is nageleefd. Gebleken is dat het in het huidige kader niet mogelijk is om veroordeelde te laten opnemen in een kliniek. Veroordeelde wilde meewerken aan een klinische opname en dat dit nu niet mogelijk is, is niet aan hem te wijten. Er is sprake van onmacht bij veroordeelde en het gaat niet om onwil. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de straf om te zetten in een werkstraf.

De beoordeling

Gebleken is dat de veroordeelde vóór het einde van de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Dat het niet tot een opname in een kliniek is gekomen, is deels aan wachtlijsten, maar ook deels aan veroordeelde te wijten. De reclassering heeft meerdere mogelijkheden onderzocht om tot een oplossing te komen en heeft hier veel moeite, energie en tijd ingestoken. Desondanks heeft veroordeelde er zelf voor gekozen om niet mee te werken aan urinecontroles, terwijl medewerking ervoor zou hebben gezorgd dat hij onderdak zou krijgen bij HVO-Querido. De rechtbank onderkent dat het tenuitvoerleggen van het resterende deel van de niet ten uitvoer gelegde straf geen oplossing biedt voor de problemen van verdachte, maar op een zeker moment zijn de middelen die het strafrecht biedt uitgeput. Dat moment is in deze zaak bereikt. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, gelasten dat het resterende deel van de op 15 december 2015 voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank is, gelet op het advies van de deskundige, van oordeel dat de veroordeelde niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, zodat de straf ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van een gevangenisstraf.

Beslissing

De rechtbank gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf, te weten een jeugddetentie van 30 (dertig) dagen, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd in de vorm van een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen.

Deze beslissing is genomen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Mark en C.A. Mud, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 januari 2019.

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam brengt vorenstaande beslissing ter kennis van voornoemde persoon, alsmede ter kennis van Reclassering Nederland, ressort Amsterdam en GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam.

Amsterdam,

de officier van justitie voornoemd,

1 Ter terechtzitting is abusievelijk gesproken over 44 dagen, na de zitting is gebleken dat het gaat om 30 dagen. De rechtbank gaat uit van 30 dagen, de verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.