Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:597

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
13/702370-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 50-jarige man krijgt 18 maanden gevangenisstraf (waarvan 6 voorwaardelijk) omdat hij 24 augustus 2018 in Amsterdam een man met een moersleutel tegen zijn hoofd sloeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702370-18 (Promis)

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [naam JC] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. C. Maat, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij op 24 augustus 2018, in Amsterdam

primair: heeft geprobeerd [slachtofffer] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door [slachtofffer] met een moersleutel te slaan;

subsidiair: [slachtofffer] zwaar heeft mishandeld door hem te slaan met een moersleutel;

meer subsidiair: heeft geprobeerd [slachtofffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te slaan met een moersleutel.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en baseert zich daarbij op de zich in het procesdossier bevindende bewijsmiddelen. Verdachte heeft het slachtoffer opgewacht. Vervolgens heeft hij met veel kracht meerdere keren met een moersleutel op het hoofd van het slachtoffer geslagen. Dat blijkt uit de aangifte, de getuigenverklaringen, foto’s en camerabeelden. Het slachtoffer had letsel aan de voor- en achterzijde van zijn hoofd. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor het leven zou verliezen. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank Maastricht heeft in een soortgelijke zaak (zie de uitspraak van 20 juni 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BE2911) geoordeeld dat deze handelingen een poging tot doodslag opleveren. Het letsel aan de hand van het slachtoffer is een typisch voorbeeld van afweerletsel.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag omdat geen sprake is van opzet op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin.

Verdachte heeft in een opwelling de moersleutel gepakt en daarmee in het wilde weg geslagen. Hij heeft niet specifiek op het hoofd van aangever gericht. Uit de omstandigheden kan niet worden afgeleid dat verdachte de intentie had om aangever te doden en er was dus geen sprake van ‘bloot’ opzet op de dood.

Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet, omdat verdachte geen aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen. De raadsvrouw heeft verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2018:327 en ECLI:NL:RBGEL:2018:1317).Verdachte heeft, gelet op zijn lichamelijke conditie (verdachte lijdt aan COPD), ook niet de kracht om iemand van het leven te beroven en op basis van de informatie in het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de dood heeft kunnen intreden. Er is namelijk onvoldoende bekend over (de ernst van) het letsel, terwijl duidelijk is dat niet de meest kwetsbare delen van het hoofd zijn geraakt en door aangever is afgeweerd. Ook is niet duidelijk hoe vaak er exact is geslagen. Dat hard is geslagen, kan evenmin worden vastgesteld op basis van de verklaring van aangever, want een moersleutel komt nu eenmaal hard aan. Daarbij komt dat verdachte door zijn realiteitsstoornis ook niet in staat geweest om een aanmerkelijke kans op de dood te aanvaarden, nu hij in een opwelling handelde en deze opwelling is te herleiden tot de realiteitsstoornis waaraan verdachte lijdt.

Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van zware mishandeling omdat het letsel van aangever (een gebroken kaak) niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.

De raadsvrouw heeft vervolgens geconcludeerd dat uitsluitend de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen kan worden verklaard.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtofffer] heeft aangevallen en hem met een moersleutel heeft geprobeerd te slaan. Hij was gefrustreerd en boos omdat aangever een horloge van hem zou hebben afgepakt. Hij heeft verklaard niet te weten of hij het slachtoffer daadwerkelijk heeft geraakt. Uit de aangifte, het letsel bij het slachtoffer en de verklaring van [getuige] kan echter worden geconcludeerd dat verdachte [slachtofffer] meermalen met een moersleutel heeft geslagen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte heeft geprobeerd [slachtofffer] te doden en of verdachte zich daardoor heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, dan wel zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling of een poging daartoe.

Opzet

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van een poging tot doodslag, moet worden vastgesteld of sprake is van opzet.

De rechtbank is met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat verdachte de intentie had aangever van het leven te beroven (geen vol opzet). De kernvraag in deze zaak is of bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

Hiervan is sprake indien er een aanmerkelijke kans is geweest dat de dood zou intreden en verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De raadsvrouw heeft allereerst betoogd dat überhaupt geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft, zoals uit een beschrijving van de camerabeelden valt af te leiden, aangever bij het portiek opgewacht. Verdachte is, nadat hij naar buiten is gelopen, op aangever afgelopen en heeft toen een ‘uithalende slaande beweging’ gemaakt. Daarna heeft hij aangever meerdere malen en met enige kracht met een ijzeren voorwerp (een moersleutel) op zijn hoofd en in zijn gezicht geslagen. De agent die de camerabeelden heeft beschreven, heeft opgemerkt dat verdachte 13 à 14 keer op [slachtofffer] heeft ingeslagen. Dat verdachte op zijn hoofd en in zijn gezicht is geslagen blijkt uit de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige] en de foto’s van het letsel op het voor- en achterhoofd van aangever. De handelswijze van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op de dood van aangever. Het is namelijk een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarop met kracht met een hard en zwaar voorwerp (in dit geval een moersleutel), geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van de raadsvrouw dat verdachte niet op de meest kwetsbare delen van het hoofd heeft geslagen en dat daarom geen sprake zou zijn van een aanmerkelijke kans op de dood.

De raadsvrouw heeft verder bepleit dat geen sprake is van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans, nu verdachte hiertoe, gelet op zijn psychische gesteldheid, niet in staat is. De raadsvrouw verwijst in dat verband naar de Pro Justitia rapportages van 8 januari 2019 en 11 januari 2019 De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft aangever opgewacht in het portiek. Hij had op dat moment een moersleutel bij zich. Dat hij enige tijd op aangever heeft gewacht, wijst erop dat hij zich had voorgenomen een confrontatie met aangever aan te gaan. Vervolgens heeft aangever, terwijl hij door verdachte werd geslagen, geprobeerd om de klappen met zijn handen af te weren en zo zijn hoofd te beschermen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om door te gaan met slaan. Zelfs toen het slaan werd onderbroken doordat aangever verdachte bij de benen vastgreep en zij samen zijn gevallen, is verdachte doorgegaan met slaan op het hoofd van aangever. Het slaan door verdachte werd pas beëindigd op het moment dat toevallige voorbijgangers ingrepen door verdachte vast te grijpen en de moersleutel van hem af te pakken. Het handelen van verdachte is hierdoor naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van fataal letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedragingen is dan ook voldaan aan het vereiste van voorwaardelijk opzet op de dood. Dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangever niet bewust heeft kunnen aanvaarden vanwege zijn psychische gesteldheid, blijkt niet uit de Pro Justitia rapportages.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 24 augustus 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtofffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht met een moersleutel heeft geslagen op het hoofd en tegen het gezicht van voornoemde [slachtofffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit (poging tot doodslag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft gezegd dat zij zich niet kan vinden in de strafeis van de officier van justitie. Er dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij zat in een buitengewoon lastige situatie en heeft gehandeld uit waanhoop en frustratie. De psychiater heeft geconcludeerd dat de psychische problemen van verdachte indirect hebben doorgewerkt in het delict en adviseert verdachte in enige mate verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het strafblad van verdachte zou geen strafverzwarend effect moeten hebben omdat verdachte regelmatig is ontslagen van alle rechtsvervolging of de zaak is geseponeerd vanwege zijn gezondheidstoestand. Zij zou graag zien dat de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld aan een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel. Het is van belang dat verdachte een behandeling ondergaat. De raadsvrouw heeft er verder op gewezen dat verdachte zich ten overstaan van haar bereid heeft verklaard mee te werken aan bijzondere voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag.

Verdachte heeft het slachtoffer opgewacht en hem vervolgens aangevallen waarbij hij hem meermalen met een moersleutel tegen het hoofd en in zijn gezicht heeft geslagen. Het slachtoffer heeft hieraan een snijwond in zijn gezicht, twee kaakfracturen en meerdere gaten in zijn hoofd overgehouden. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en heeft daar medische verzorging ontvangen. Dat het letsel niet nog ernstiger is, is niet aan het handelen van verdachte te danken doch aan de dappere voorbijgangers die hebben ingegrepen. Duidelijk is dat het gewelddadige handelen van verdachte, te weten het slaan met de moersleutel, niet alleen schokkend moet zijn geweest voor het slachtoffer, maar ook voor de mensen die het incident hebben gezien.

Uit het strafblad van verdachte van 13 december 2018 blijkt dat hij meermalen is veroordeeld vanwege geweldsdelicten, maar niet in de afgelopen vijf jaar.

Daarnaast is acht geslagen op de Pro Justitia rapportages van 8 januari 2019 en 11 januari 2019.

Uit beide rapporten komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en van een psychotische stoornis. Er is sprake van paranoïde waanvorming met betrekking tot de invloed van de overheid. De geraadpleegde deskundige R. Bout, GZ-psycholoog, komt in zijn rapport van 8 januari 2019 tot de conclusie dat het feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend, nu door hem geen verband is geconstateerd tussen de door hem gediagnosticeerde waanstoornis en het strafbare feit. De wanen van verdachte hebben namelijk voornamelijk betrekking op overheidsinstanties en particulieren, zoals het slachtoffer, vormen geen onderdeel van het paranoïde waansysteem. De geraadpleegde deskundigen, drs. E.M. van Soelen, arts in opleiding tot psychiater, en drs. R.A. Graaff, psychiater, komen echter tot een iets andere conclusie. Zij concluderen in hun Pro Justitia rapport van 11 januari 2019 dat het feit in enige mate verminderd valt toe te rekenen aan verdachte, doordat er indirect enige doorwerking van de ziekelijke geestesstoornis, een chronisch aanwezige psychotische stoornis, wordt verondersteld. Bij verdachte is sprake van voortdurend aanwezige milde realiteitsstoornissen, die bij oplopende spanningen het optreden van gevoelens van vijandigheid en achterdocht kunnen versterken, waardoor verdachte, mogelijk ook ten tijde van het plegen van het feit, minder goed in staat is geweest zijn situatie voldoende adequaat te overzien en op dat moment weerstand te bieden aan agressieve impulsen; het moment dat door verdachte zelf wordt beschreven als ‘er knapte iets in mij’.

De rechtbank neemt, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, de conclusies van het Pro Justitia rapport van 11 januari 2019 over en volgt dit advies. De rechtbank is van oordeel dat de door de deskundigen Van Soelen en Graaff geconcludeerde verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt gedragen door de verdere inhoud van het rapport. De rechtbank is van oordeel dat de agressie en gevoelens van achterdocht en vijandigheid waarmee verdachte te kampen had ten tijde van het plegen van het primair ten laste gelegde feit, gerelateerd kan worden aan de chronische psychotische stoornis die bij hem is verondersteld. Gelet op het voorgaande beschouwt de rechtbank verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde als verminderd toerekeningsvatbaar, iets wat matigend werkt op de hoogte van de op te leggen straf.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 14 januari 2019. Uit dit advies blijkt dat zonder behandeling de kans op recidive wordt ingeschat op hoog. De reclassering is bereid invulling te geven aan toezicht. De rechtbank vindt een behandeling van verdachte belangrijk om de kans op herhaling te verkleinen. Daarom zal de rechtbank een deels voorwaardelijke straf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden opleggen.

Alles afwegende en gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de oriëntatiepunten die de rechtbank bij strafbare feiten als hier aan de orde hanteert en gelet op de ernst van het feit en het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden passend en geboden is, waarvan 6 maanden voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden die zien op het reclasseringscontact en een behandelverplichting. De rechtbank ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van een contactverbod.

8 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

- 1.00 STK Gereedschap moersleutel 5621294

Verbeurdverklaring

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtofffer] vordert € 385,00 aan materiële schadevergoeding (zijnde het bedrag van het eigen risico van de zorgverzekering), te vermeerderen met de wettelijke rente. Hij heeft niet om immateriële schadevergoeding (smartengeld) gevraagd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bedrag volledig wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd nu een letselverklaring en stukken van de zorgverzekeraar ontbreken.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De rechtbank begrijpt dat het slachtoffer gewond is geraakt en medische kosten heeft gemaakt. Die kosten kunnen in het algemeen voor vergoeding in aanmerking komen. De hoogte van de vergoeding die het slachtoffer vraagt, is door de verdediging echter betwist. Het slachtoffer moet in dat geval nader onderbouwen welke medische kosten hij heeft moeten betalen. Documenten waaruit blijkt dat hij € 385,00 aan eigen risico heeft moeten betalen, ontbreken. Het is mogelijk dat het eigen risico van het slachtoffer ten tijde van het feit (24 augustus 2018) geen € 385,- bedroeg, bijvoorbeeld doordat hij eerder in dat kalenderjaar (om een andere reden) al een deel van het eigen risico heeft voldaan. De rechtbank verklaart de vordering daarom niet-ontvankelijk, zodat het slachtoffer de civiele rechter alsnog om een vergoeding kan vragen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

poging doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich meldt binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Leger des Heils op het adres [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

- zich laat behandelen door het Forensische Ambulant Team van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij aanleidingen die zich kunnen voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft aan de Reclassering Leger des Heils opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op beslag:

Verklaart verbeurd: 1.00 STK Gereedschap moersleutel 5621294

Beslissing op de vordering benadeelde partij:

Verklaart [slachtofffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Mark en C.A. Mud, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2019.