Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
13/701528-18, 13/706188-18, 13/156033-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak verlaten plaats ongeval (voldoende gelegenheid geboden tot vaststellen identiteit), bewezenverklaring valsheid in geschrifte/oplichting door vervalsen medicijnrecepten en winkeldiefstal, gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/701528-18 (A), 13/706188-18 (B), 13/156033-17 (C)

Datum uitspraak: 30 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,

gedetineerd in [Detentieadres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. van Laere, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. El Farougui, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

ten aanzien van zaak A

1. valsheid in geschrifte op 2 april 2018;

2. poging tot oplichting op 2 april 2018;

3. oplichting en valsheid in geschrifte op 23 januari 2017;

ten aanzien van zaak B

winkeldiefstal op 5 juli 2018;

ten aanzien van zaak C

verlaten van een plaats ongeval op 6 oktober 2016.

De gehele tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten in de zaken A, B en C.

Op 6 oktober 2016 heeft verdachte een plaats ongeval verlaten. Op basis van de aangifte en de door aangeefster gemaakte foto van de auto van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster heeft aangereden. Verdachte wist dat er schade was, is niet uitgestapt, maar heeft wel zijn telefoonnummer gegeven en heeft toegelaten dat aangeefster een foto van hem maakte. Verder heeft hij niet met aangeefster willen meewerken.

Op 5 juli 2018 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een controller (van een Playstation) bij de [naam bedrijf] . Hij heeft de verpakking opengescheurd en de controller in zijn jaszak gestopt. Hij heeft daarmee de controller uit het zicht van de winkel onttrokken en zich als heer en meester over het goed gedragen. Er is daarmee sprake van een voltooide diefstal.

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte kan ook worden bewezen dat verdachte op 2 april 2018 een medicijnrecept heeft vervalst en deze heeft ingeleverd bij de apotheek in het [naam ziekenhuis] . Dit levert valsheid in geschrifte en oplichting op. Ook op 23 januari 2017 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en oplichting. Hij heeft de [naam apotheek] opgelicht door een vervalst medicijnrecept in te leveren. Verdachte heeft ten aanzien van dit feit ook een bekennende verklaring afgelegd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde verlaten plaats ongeval op 6 oktober 2016 (zaak C). Verdachte wist niet en had ook niet kunnen vermoeden dat sprake was van een ongeval of van schade. Verdachte heeft bovendien zijn telefoonnummer aan aangeefster gegeven en daarbij een foto van zichzelf en het kenteken van zijn auto laten maken. Hij heeft hiermee voldoende zijn identiteit kenbaar gemaakt.

De raadsvrouw heeft ook vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde diefstal bij de [naam bedrijf] op 5 juli 2018 (zaak B). Verdachte was voornemens om naar de kassa te gaan en daar een vraag te stellen over de controller die hij uit de verpakking had gehaald. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Diefstal kan daarom niet worden bewezen.

Ten aanzien van de valsheid in geschrifte en oplichting op 2 april 2018 (zaak A; feiten 1 en 2) heeft de raadsvrouw verzocht verdachte partieel vrij te spreken, namelijk van het onderdeel medeplegen, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld. Ten aanzien van de valsheid in geschrifte en oplichting op 23 januari 2017 (zaak A; feit 3) dient verdachte volgens de raadsvrouw partieel te worden vrijgesproken, namelijk van het valselijk opmaken van het recept, omdat verdachte alleen gebruik heeft gemaakt van het vervalste recept.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak verlaten plaats ongeval (zaak C)

Op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster heeft aangereden en dat aangeefster daardoor schade heeft geleden aan haar auto. Aangeefster heeft verklaard dat zij een knal voelde en toen in haar binnenspiegel zag dat een zwartkleurige auto haar van achteren had aangereden. Ze is uitgestapt en naar verdachte – de bestuurder van de zwartkleurige auto – toegelopen. Verdachte heeft toen gevraagd: “Heb ik je geraakt?”, waarop aangeefster heeft geantwoord: “Ja, ik heb schade.” Volgens de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte wist dat sprake was van een ongeval en ook dat daardoor schade aan de auto van aangeefster was ontstaan. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is het niet verboden om de plaats van een ongeval te verlaten indien men behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn of haar identiteit en de identiteit van het motorrijtuig. Uit de aangifte en uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte zijn telefoonnummer aan aangeefster heeft gegeven. Bovendien heeft aangeefster een foto van verdachte en van het kenteken van zijn auto kunnen maken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee voldoende gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van zijn motorrijtuig. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

3.3.2

Bewijsoverweging diefstal bij [naam bedrijf] (zaak B)

Uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden leidt de rechtbank af dat verdachte in de [naam bedrijf] een doos open heeft gescheurd om daar een controller van een PlayStation uit te halen. Op de beelden is te zien dat verdachte deze controller vervolgens in zijn jaszak stopt. Volgens verdachte was hij van plan om naar de kassa te lopen en daar een vraag te stellen over de controller. De rechtbank vindt deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Zijn verklaring past immers niet bij de waargenomen handelingen, namelijk het openscheuren van de verpakking en het vervolgens in zijn jaszak stoppen van de controller. Uit deze handelingen van verdachte leidt de rechtbank af dat hij het oogmerk heeft gehad om zich de controller wederrechtelijk toe te eigenen. Er is sprake van een voltooide diefstal en het laste gelegde feit kan daarmee worden bewezen.

3.3.3

Bewijsoverweging valsheid in geschrifte en oplichting (zaak A)

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van de valsheid in geschrifte en de oplichting op 2 april 2018 (feiten 1 en 2) partieel vrijspreken, namelijk van het medeplegen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld. Ook zal verdachte ten aanzien van de valsheid in geschrifte en de oplichting op 23 januari 2017 (feit 3) partieel worden vrijgesproken, namelijk van het valselijk opmaken van het recept. Uit het dossier volgt dat verdachte niet ook het recept heeft vervalst.

Omdat verdachte ten aanzien van de valsheid in geschrifte en de oplichting op zowel 2 april 2018 als op 23 januari 2017 een bekennende verklaring heeft afgelegd en door de raadsvrouw alleen partieel vrijspraak is bepleit van bovengenoemde punten, zal in bijlage II worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A, feit 1

op 2 april 2018 te Amsterdam, een recept voor

- 60 Oxycodon-tabletten (80 mg) en

- 60 Flunitrazepam-tabletten (2mg),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk

- een blanco medicijnreceptblad van een medicus gebruikt en

- op voornoemd medicijnreceptblad de personalia van [nep naam] getypt, als ware hij, [nep naam] , de begunstigde patiënt was en

- op voornoemd medicijnreceptblad een handtekening geplaatst als ware die van de medicus die het recept zou hebben uitgeschreven,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

ten aanzien van zaak A, feit 2

op 02 april 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de apotheek in het [naam ziekenhuis] te bewegen tot de afgifte van medicijnen (te weten 60 oxycodon-tabletten en 60 flunitrazepam-tabletten), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk een medicijnreceptblad op te maken en vervolgens voornoemd medicijnreceptblad aan te bieden;

ten aanzien van zaak A, feit 3

op 23 januari 2017 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen, de [naam apotheek] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten medicijnen te verstrekken, te weten 60 Dormicum 15 mg tabletten, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk voornoemd medicijnreceptblad ingeleverd bij voornoemde [naam apotheek] , waardoor de [naam apotheek] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van zaak B

op 05 juli 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een controller (onderdeel van spelcomputer Playstation 4), toebehorende aan winkelbedrijf [naam bedrijf] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is daarvoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrifte. Hij heeft door middel van het opmaken en het gebruiken van valse recepten geprobeerd om medicijnen te verkrijgen. In het maatschappelijk verkeer dient vertrouwen te kunnen worden gesteld in schriftelijke documenten als recepten. Verdachte heeft met zijn handelen de regelgeving omtrent receptgeneesmiddelen omzeild en het vertrouwen ondergraven dat in de maatschappij in dergelijke schriftelijke stukken gesteld moet kunnen worden. Verdachte heeft bij zijn handelen geen enkel moment nagedacht over deze gevolgen, maar ook niet over de gevolgen voor de betrokken apothekers, artsen en personen op wiens naam de recepten zijn gezet. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan winkeldiefstal.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten.

Uit het reclasseringsadvies van 18 april 2019 volgt dat verdachte een forse verslaving aan slaap- en pijnstillende medicatie heeft. Bij een eerder uitgesproken schorsing is aan verdachte – onder meer – de bijzondere voorwaarde opgelegd om mee te werken aan een klinische opname om aan zijn verslaving te werken. Verdachte is toen ook opgenomen in een kliniek, maar hij had veel moeite zich te conformeren aan de behandeling en het medicatiebeleid. Verdachte is uiteindelijk – tegen het advies van de reclassering in – vroegtijdig uit de kliniek vertrokken, zonder zijn behandeling af te ronden. De reclassering ziet op dit moment geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Verdachte heeft met zijn handelen er blijk van gegeven dat hij zich niet bewust is van de ernst van zijn verslaving en ook niet gemotiveerd is voor enige vorm van behandeling. Zij adviseren daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij niet op zijn plaats zat in de kliniek. Hij is daarom vertrokken. Hij ziet ook geen meerwaarde in toezicht of hulp van de reclassering. Hij wil graag zelf – zonder tussenkomst van de reclassering – werken aan zijn verslaving. Hij heeft daartoe ook al contact opgenomen met de instelling Changes GGZ, waar hij mogelijk op korte termijn terecht kan voor een behandeling.

Verdachte heeft ruim drie maanden in voorarrest gezeten. De rechtbank acht het van belang dat verdachte een behandeling ondergaat voor zijn verslaving en ziet geen reden om verdachte langer vast te laten zitten. De rechtbank zal daarom een straf opleggen waarbij het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Naast dit onvoorwaardelijk strafdeel, is een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is. Hierbij wordt een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Beslag

Onder verdachte zijn twee computers en een printer in beslag genomen. Deze goederen dienen aan verdachte – als rechthebbende van die goederen – te worden teruggegeven.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 225, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A, feit 1

valsheid in geschrift;

ten aanzien van zaak A, feit 2

poging tot oplichting;

ten aanzien van zaak A, feit 3

oplichting

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

ten aanzien van zaak B

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 (honderdvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 50 (vijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan [naam verdachte] van:

  • -

    1 STK Printer HP Color (5553408)

  • -

    1 STK Computer Samsung (5553377)

  • -

    1 STK Computer Samsung (5559951)

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2019.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

.