Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5900

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
7778357 EA VERZ 19-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slapend dienstverband.

Verzoek werknemer, primair tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van primair de transitievergoeding, subsidiair een billijke vergoeding. Subsidiair verzoek: verklaring voor recht dat werkgever zich niet als een goed werkgever heeft gedragen met veroordeling tot betaling van een schadevergoeding. Het primaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van transitievergoeding of billijke vergoeding wordt afgewezen aangezien er geen sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De beslissing op het subsidiaire verzoek wordt aangehouden totdat de Hoge Raad de door de rechtbank Limburg bij vonnis van 10 april 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331) voorgelegde prejudiciële vragen heeft beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0871
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7778357 EA VERZ 19-362

beschikking van: 15 juli 2019

func.: 33623/21925

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker

nader te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. M.J. Hamer

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Technische Unie B.V.

gevestigd te Amstelveen

verweerster

nader te noemen: Technische Unie

gemachtigde: mr. P. Willems

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 17 mei 2019 een verzoekschrift met producties ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Technische Unie heeft een verweerschrift met producties ingediend.

[verzoeker] heeft vervolgens bij akte zijn verzoek vermeerderd en nog een aantal aanvullende producties overgelegd.

Het verzoek is mondeling behandeld op 27 juni 2019. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens Technische Unie is [vertegenwoordiger] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, mede aan de hand van pleitnotities, toegelicht. [verzoeker] heeft tevens een verschrijving in zijn (vermeerderde) verzoek gecorrigeerd. Na verder debat is een datum voor beschikking gevraagd, die bij vervroeging is bepaald op vandaag.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende:

1.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1953, is op 24 juni 2002 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Technische Unie.

1.2.

De laatste functie die [verzoeker] vervulde is die van ‘ [functie] ’. Het bruto salaris op basis van een werkweek van 40 uren bedraagt € 2.281,57 per maand exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten.

1.3.

[verzoeker] is per 9 april 2014 arbeidsongeschikt geworden.

1.4.

Op 29 januari 2016 heeft Technische Unie het UWV vrijwillig verzocht de periode van loondoorbetaling bij ziekte te verlengen tot 7 oktober 2016.

1.5.

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft het UWV geoordeeld dat Technische Unie haar re-integratieverplichtingen gedurende de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] niet naar behoren is nagekomen en heeft aan Technische Unie een loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 6 oktober 2017.

1.6.

Technische Unie heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde loonsanctie en nadat het UWV op 16 maart 2017 zijn beslissing op bezwaar heeft gegeven, beroep aangetekend. Bij vonnis van 12 maart 2019 is het beroep ongegrond verklaard. Technische Unie heeft hoger beroep ingesteld, welke procedure thans nog lopende is.

1.7.

In mei 2017 heeft Technische Unie aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, kort gezegd inhoudende dat het dienstverband per 1 juli 2017 met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd, onder toekenning van een vergoeding aan [verzoeker] van € 37.319,41. Verder was als voorwaarde opgenomen dat [verzoeker] zich volledig arbeidsgeschikt zou melden voor beëindiging van het dienstverband.

1.8.

In de begeleidende e-mailberichten over deze regeling van 2 mei 2017 en 9 mei 2017 heeft Technische Unie als voorwaarde gesteld dat [verzoeker] naar de bedrijfsarts gaat om te bekijken of de beperkingen van [verzoeker] van dien aard zijn dat hij hersteld uit dienst kan. Verder heeft Technische Unie in deze berichten [verzoeker] geadviseerd om juridisch advies in te winnen.

1.9.

[verzoeker] heeft de aangeboden vaststellingsovereenkomst van mei 2017 afgewezen.

1.10.

Bij brief van 1 september 2017 heeft Technische Unie aan [verzoeker] bericht dat op 6 oktober 2017 haar loondoorbetalingsplicht afloopt, en dat UWV de loondoorbetaling vanaf die datum op zich neemt. [verzoeker] wordt aangeraden om bij het UWV achter een WGA-keuring aan te gaan mocht hij daar nog niet voor zijn uitgenodigd. Daarbij meldt Technische Unie: “De werkgever heeft in deze procedure geen verplichting meer.”

1.11.

Vanaf 6 oktober 2017 ontvangt [verzoeker] een WGA-uitkering gebaseerd op 56,69% arbeidsongeschiktheid.

1.12.

Bij brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 15 december 2017 voorgesteld om met (de gemachtigde van) Technische Unie in gesprek te gaan en te onderzoeken op welke afdeling [verzoeker] als administratief medewerker dan wel boekhouder dan wel [functie] aan het werk kan.

1.13.

Bij brief van 20 december 2017 heeft de gemachtigde van Technische Unie afwijzend gereageerd op het voorstel van [verzoeker] . Samengevat is hierin vermeld dat [verzoeker] door het UWV is afgekeurd voor de functie van [functie] en dat hij arbeidsgeneeskundig niet in staat is om als [functie] te werken, en voorts dat Technische Unie geen vacatures heeft voor een passende functie. Tot slot heeft de gemachtigde bericht:

“Gezien de eerdere uitlatingen van uw cliënt dat hij niet wil terugkeren binnen de organisatie van cliënte en het feit dat hij geen enkele poging heeft gedaan om zich de noodzakelijke computervaardigheden eigen te maken, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat uw brief een ander doel heeft dan dat uw cliënt daadwerkelijk weer wil re-integreren binnen de organisatie van cliënte. (…)”

1.14.

Op 29 januari 2019 heeft een zitting plaatsgevonden bij de meervoudige kamer bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam in het kader van het beroep van Technische Unie tegen de loonsanctie (zie ook rov. 1.6). In de zittingsaantekeningen, staat, voor zover van belang, het volgende:

“Vz: vorige zitting geëindigd bij aanbod vaststellingsovereenkomst. Geadviseerd om dat niet te doen. U had daar spijt van. Is daar nog over gesproken?

Gem. eiseres: zeker vervolg geweest. Contact gehad met andere advocaat van werknemer, die arbeidsrechtelijke kant doet. Die heeft te kennen gegeven dat [verzoeker] geen overleg wilde. Dan houdt het op.

(…)

[verzoeker] : ik weet helemaal niets van afwijzing vaststellingsovereenkomst. (…)

Gem eiseres: (…) toen sprak ik mevr. Hamer. Zouden overleggen met [verzoeker] . Zo heb ik het ook teruggekoppeld aan eiseres. Ik ga ervan uit dat als ik advocaat spreek dat die overlegt met cliënt. Ik vind heel vervelend, maar dat was vrij snel naar de zitting <15 november 2017; toevoeging kantonrechter> (…)”

1.15.

Op 30 januari 2019 heeft de gemachtigde van [verzoeker] Technische Unie mondeling verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. In het daarop volgend overleg van 30 maart 2019 en 23 april 2019 is door de gemachtigde namens Technische Unie toegelicht dat Technische Unie vooralsnog geen beleid heeft om slapende dienstverbanden te beëindigen.

1.16.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft Technische Unie aan [verzoeker] bevestigd dat het dienstverband tussen partijen met ingang van [datum pensioengerechtigheid] 2019 van rechtswege zal eindigen in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

1.17.

Bij wet van 11 juli 2018 is de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Stb. 2018, 234) tot stand gekomen (hierna: de compensatieregeling). Deze wet treedt op 1 april 2020 in werking. De wet houdt - kort gezegd - in dat de werkgever vanaf 1 april 2020 bij het UWV een verzoek kan indienen tot vergoeding van de transitievergoeding die hij aan de werknemer heeft betaald bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, indien deze arbeidsovereenkomst is beëindigd vanwege het feit dat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat is om de bedongen arbeid te verrichten. De compensatieregeling heeft terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. De compensatie is niet hoger dan de wettelijke transitievergoeding, berekend op de dag na het verstrijken van de periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 7:629 BW. Verder zal de vergoeding niet hoger zijn dan de transitievergoeding die daadwerkelijk is uitgekeerd.

Het geschil

2. [verzoeker] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en na vermeerdering van het verzoek:

primair

de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de door [verzoeker] aangevoerde redelijke grond;

te verklaren voor recht dat Technische Unie primair een transitievergoeding verschuldigd is dan wel subsidiair een billijke vergoeding;

aan [verzoeker] primair een transitievergoeding toe te kennen ter hoogte van

€ 34.656,08 bruto dan wel subsidiair een billijke vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 34.656,08 bruto dan wel meer subsidiair dat bedrag dat in goede justitie redelijk wordt geacht;

subsidiair

indien de verzochte transitievergoeding dan wel billijke vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt, te verklaren voor recht dat Technische Unie zich niet als goed werkgever jegens [verzoeker] heeft gedragen;

Technische Unie te veroordelen tot betaling van € 34.656,08 bruto ter zake van schadevergoeding ex artikel 7:611 BW;

primair en subsidiair

veroordeling van Technische Unie tot betaling van de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de 15e dag na betekening van de beschikking.

3. Aan zijn primaire verzoeken legt [verzoeker] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – omstandigheden die zodanig zijn dat van hem redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Verder heeft [verzoeker] er belang bij dat het dienstverband wordt beëindigd, omdat hij anders niet in aanmerking komt voor een transitievergoeding. Het recht van [verzoeker] op een transitievergoeding vervalt op [datum pensioengerechtigheid] 2019 vanwege zijn wettelijke AOW leeftijd. Technische Unie handelt niet als goed werkgever en handelt ernstig verwijtbaar door het tussen partijen bestaande dienstverband slapend te houden. Het slapend houden van de arbeidsovereenkomst dient Technische Unie geen enkel zakelijk doel, omdat zij immers in 2017 wel bereid was om aan [verzoeker] een vergoeding te betalen. Technische Unie heeft bij deze handelwijze thans nog minder belang, nu zij ingevolge de compensatieregeling de transitievergoeding volledig krijgt gecompenseerd.

4. Aan zijn subsidiaire verzoeken legt [verzoeker] ten grondslag dat hij een redelijk voorstel heeft gedaan aan Technische Unie voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met uitkering van de transitievergoeding en dat Technische Unie ten onrechte niet is ingegaan op dit voorstel. Zij heeft zich daarmee geen goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW getoond.

5. Technische Unie heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het verzoek.

6. Bij de beoordeling zal voor zover van belang op de standpunten van partijen verder worden ingegaan.

Beoordeling

Ten aanzien van het primaire verzoek

7. Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en aan [verzoeker] een transitievergoeding moet worden toegekend.

8. Technische Unie verzet zich tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst en voert daartoe, kort gezegd, aan dat er zich geen feiten of omstandigheden voorgedaan hebben die maken dat er vóór [datum pensioengerechtigheid] 2019 door middel van ontbinding een einde moet komen aan de arbeidsovereenkomst.

9. De kantonrechter stelt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek voorop dat uit artikel 7:671c lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer kan worden ontbonden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. In de parlementaire geschiedenis1 is opgemerkt dat is aangesloten bij het bepaalde in artikel 7:685 BW, zodat het gaat om een gewichtige reden die kan bestaande uit een verandering van omstandigheden of een dringende reden.

10. [verzoeker] heeft hieromtrent gesteld dat gedurende de ziekteperiode van twee jaar een verstoorde arbeidsverhouding met Technische Unie is ontstaan doordat Technische Unie haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Dit heeft geleid tot de aanbieding van een vaststellingsovereenkomst in mei 2017, welke vaststellingsovereenkomst volgens [verzoeker] onjuistheden bevatte en vergaande (negatieve) consequenties voor hem zou hebben. [verzoeker] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat Technische Unie hem op het verkeerde been heeft gezet en zich in meerdere opzichten een slecht werkgever heeft getoond. Ook nadien bleef de communicatie met Technische Unie moeizaam verlopen, hetgeen er onder andere toe heeft geleid dat een tweede beëindigingsaanbod van Technische Unie na mei 2017 hem, noch zijn advocaten, heeft bereikt.

11. Technische Unie heeft bovenstaande gemotiveerd en gedocumenteerd betwist.

12. De kantonrechter overweegt als volgt.

13. Voor wat betreft de wijze waarop Technische Unie aan [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst in mei 2017 heeft aangeboden stelt de kantonrechter vast dat de aan Technische Unie gemaakte verwijten geen steun vinden in de correspondentie (zie rov. 1.10). Er is geen sprake van dat Technische Unie zich een slecht werkgever heeft getoond nu de voorgestelde hersteldmelding in de vaststellingsovereenkomst niet zonder raadpleging van de bedrijfsarts zou plaatsvinden en Technische Unie [verzoeker] heeft geadviseerd zich juridisch te laten bijstaan (hetgeen hij ook heeft gedaan). Op diens advies heeft [verzoeker] het aanbod indertijd afgewezen.

14. Veronderstellende wijs ervan uitgaand dat Technische Unie (mondeling) een tweede beëindigingsaanbod heeft gedaan na de eerste zitting bij de bestuursrechter in november 2017 valt uit de correspondentie in december 2017 niet af te leiden dat [verzoeker] destijds daarvoor alsnog openstond. Volgens deze correspondentie (rov. 1.13) twistten partijen over de re-integratie binnen Technische Unie en haar verplichtingen in dit verband. Er zijn geen aanwijzingen dat Technische Unie meer heeft willen doen dan het mondeling onderzoeken van een eventuele regeling in het licht van hetgeen aan de slot van de zitting bij de bestuursrechter is besproken.

15. Anders dan [verzoeker] stelt staat in de brief van Technische Unie van 1 september 2017 niet dat zij na 6 oktober 2017 geen enkele verplichting meer heeft jegens werknemer, maar dat zij geen enkele verplichting meer heeft “in deze procedure”. Gelet op de overige inhoud van de brief doelt Technische Unie klaarblijkelijk op de procedure tot aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het UWV.

16. [verzoeker] heeft ten aanzien van de periode na eind 2017 tot januari 2019 geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die het voorgaande in een ander daglicht stellen. Onbetwist heeft Technische Unie naar voren gebracht dat zij conform de wens van [verzoeker] heeft ingezet op re-integratie en daartoe meerdere arbeidsdeskundigen heeft ingezet, laatstelijk op 15 januari 2019. Dat gedurende dat traject de verhouding tussen partijen is verstoord heeft [verzoeker] tegenover de betwisting van Technische Unie niet concreet toegelicht.

17. Het ligt, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst over enkele weken van rechtswege zal eindigen door het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd, ook niet in de lijn der verwachting dat partijen (op het gebied van re-integratie) nog met elkaar te maken zullen krijgen. Van omstandigheden die tot verdere wrijving tussen partijen zouden kunnen leiden, is daarom geen sprake meer. Ook het enkele feit dat Technische Unie het dienstverband bewust ‘slapend’ houdt (hetgeen Technische Unie betwist), brengt niet per definitie met zich mee dat de arbeidsrelatie is verstoord.

18. [verzoeker] heeft erop gehamerd dat sprake is van een dringende reden c.q. dat Technische Unie ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door thans niet mee te willen werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding, terwijl zij in mei 2017 een zelfde aanbod heeft gedaan. Dit betoog wordt niet gevolgd. Daartoe wordt verwezen naar de bestendige rechtspraak dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten indien een werkgever bij een slapende arbeidsovereenkomst niet tot ontslag overgaat zodat de werknemer een transitievergoeding misloopt. In dit geval is geen reden om van deze lijn af te wijken. Immers, gelet op het tijdsverloop van ruim twee jaar is de situatie van 2017 niet één op één vergelijkbaar met de huidige situatie. [verzoeker] heeft vanwege het doorlopen van de arbeidsovereenkomst (onder meer) pensioen kunnen opbouwen en staat thans op het punt met pensioen te gaan. Dientengevolge ontvangt hij vanaf [datum pensioengerechtigheid] 2019 een pensioenuitkering naast zijn AOW-uitkering.

19. Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Nu het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, kan ook geen recht bestaan op toekenning van een transitievergoeding of billijke vergoeding. De daartoe strekkende verzoeken zullen daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek

20. In geval van een slapend dienstverband, waarbij de werknemer geen arbeid verricht en de werkgever geen loonbetalingsverplichting meer heeft, kan de werkgever op grond van artikel 7:669 lid 1 in verbinding met lid 3 aanhef en onder b BW de arbeidsovereenkomst opzeggen. Dit artikel verplicht haar daar evenwel niet toe. De vraag is of Technische Unie in een dergelijk geval, mede gelet op de inwerkingtreding van de compensatieregeling (zie rov. 1.17) per 1 april 2020, op grond van zijn verplichting als goed werkgever te handelen (artikel 7:611 BW) gehouden is (was) om, mee te werken aan het redelijk voorstel van [verzoeker] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met uitkering van de transitievergoeding, zoals [verzoeker] heeft gesteld (en Technische Unie betwist). Nu Technische Unie dit niet heeft gedaan heeft zij volgens [verzoeker] niet als goed werkgever gehandeld, hetgeen grondslag biedt voor een schadevergoeding. [verzoeker] heeft de hoogte van de schadevergoeding begroot op
€ 34.656,08 bruto. Dit bedrag is gelijk aan de hoogte van de transitievergoeding die Technische Unie volgens [verzoeker] op grond van de compensatieregeling kan indienen bij de UWV.

21. De kantonrechter van de rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 10 april 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331) prejudiciële vragen voorgelegd aan de Hoge Raad, die betrekking hebben op bovenstaande vraag. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om een beslissing op het subsidiair verzoek aan te houden totdat de Hoge Raad deze vragen heeft beantwoord.

22. Na beantwoording door de Hoge Raad van de prejudiciële vragen zal [verzoeker] in de gelegenheid worden gesteld bij akte zich uit te laten over de gevolgen daarvan voor het subsidiair verzoek. Technische Unie zal daarop bij antwoord akte mogen reageren. Hiermee wordt het bezwaar van Technische Unie op de vermeerdering van eis van [verzoeker] tevens ondervangen.

Tussentijdse slotsom

23. Het primair verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de daaraan gekoppelde nevenverzoeken zullen worden afgewezen. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden als na te melden.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de verzoeken onder primair I, II en III van het petitum af;

stelt [verzoeker] in de gelegenheid zich bij akte uit te laten, uiterlijk zes weken, nadat de Hoge Raad de antwoorden op de prejudiciële vragen heeft gepubliceerd;

stelt Technische Unie in de gelegenheid hierop vervolgens bij antwoordakte te reageren binnen zes weken na indiening van de akte van [verzoeker] ;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Lourens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Kamerstukken II 2013/2014, 33818, 3, p. 109