Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5800

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
13/701219-19 +13/017774-19 (TUL) + 13/741199-18 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

oplegging ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/701219-19 +13/017774-19 (TUL) + 13/741199-18 (TUL)

Datum uitspraak: 19 juli 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 19 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. L.E. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, P.A.Th. Lemmers, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer (pakjes) scheermesjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde bewezen. Zij heeft daartoe de in haar ogen relevante bewijsmiddelen opgesomd.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 10 april 2019 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pakjes scheermesjes, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Verdachte heeft al eerder de ISD-maatregel opgelegd gekregen en dat traject verliep relatief goed. Als het dwang- en/of drangkader wegvalt bij verdachte, dan gaat het mis bij hem. De raadsvrouw heeft verder verzocht de ISD-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat verdachte op 22 juli 2019 al geplaatst kan worden op de [instelling] (hierna: [instelling] ).

8.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een ergerlijk feit. Het feit veroorzaakt overlast en schade bij de winkelier.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 juni 2019, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavig feit te plegen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 12 juli 2019, opgemaakt door R.P. Mandjes. Uit het rapport blijkt – kort gezegd – onder meer het volgende. Er is bij verdachte sprake van psychische- en verslavingsproblematiek. Verdachte heeft in 2014 de ISD-maatregel opgelegd gekregen. In het kader van die maatregel is verdachte geplaatst bij Oranjeborg, waar hij tot het einde van de maatregel goed heeft gefunctioneerd. In het verleden zijn verder meerdere hulpverleningstrajecten ingezet. Tot op heden heeft dit geen soelaas geboden. Telkens als verdachte na een verblijf in een gestructureerde omgeving, zoals detentie of klinische behandeling, doorstroomt naar een minder gestructureerde omgeving, valt hij nagenoeg direct terug in het gebruik van middelen. Gelet op zijn justitiecontacten, psychische problematiek, verslavingsproblematiek en zijn zwakke sociaal maatschappelijke positie acht de reclassering een langdurige hulpverleningstraject geïndiceerd, teneinde de kans op recidive te doen verminderen. De reclassering schat in dat behandeling en begeleiding in het kader van een voorwaardelijke straf geen kans van slagen heeft. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. In samenspraak met diverse ketenpartners is er voor gekozen om, anders dan gebruikelijk in geval van een advies tot de oplegging van de ISD-maatregel, alvast een indicatiestelling aan te vragen bij de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (hierna: IFZ). Volgens het IFZ komt verdachte in aanmerking voor een plaatsing op de [instelling] . Op 12 juli 2019 heeft de [instelling] de aanmelding van verdachte geaccepteerd.

De rechtbank heeft op de zitting mevrouw J.S.J.A. Pattikawa, als reclasseringswerker werkzaam bij GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam, als deskundige gehoord. Pattikawa heeft verklaard dat verdachte op 22 juli 2019 geplaatst kan worden op de [instelling] . De ISD-maatregel geeft verdachte zekerheid en duidelijkheid. Mocht het niet goed verlopen, dan is er een mogelijkheid van een time out, waarbij verdachte tijdelijk kan worden teruggeplaatst in de penitentiaire inrichting.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij wil meewerken aan de ISD-maatregel en zo snel mogelijk geplaatst wil worden op de [instelling] in [plaats] .

De rechtbank verenigt zich met de conclusies uit voornoemd rapport en neemt het advies van de reclassering over.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 25 juni 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 10 april 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en een maatregel. Het in het onderhavige vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank is niet gebleken van redenen om af te zien van deze maatregel. Zij zal daarom de ISD-maatregel opleggen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en verder ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Gelet op de problematiek van verdachte die verband houdt met zijn delictgedrag en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Gelet op het voorgaande en nu verdachte al op zeer korte termijn, te weten op 22 juli 2019, kan worden geplaatst op de [instelling] , zal de rechtbank bevelen dat de ISD-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 Vorderingen tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 12 april 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/017774-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 15 februari 2019 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 dagen, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Ook bevindt zich bij de stukken de op 15 april 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/741199-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 oktober 2018 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 12 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In de zaak met parketnummer 13/263456-18 is de proeftijd van het voorwaardelijk deel van deze straf met één jaar verlengd tot 16 oktober 2021.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter geen aanleiding de vorderingen toe te wijzen, nu aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd en de rechtbank daarom geen meerwaarde ziet in de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, die is opgelegd bij voornoemd vonnis van 15 februari 2019 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/017774-19.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 2 oktober 2018 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741199-18.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 19 juli 2019.