Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:572

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
13-993115-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude, oplichting, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift.

Verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-993115-17

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-993115-17

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] B.V. ,

Gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [vestigingsplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 december 2018 en 29 januari 2019. Verdachte was bij de behandeling van haar strafzaak door haar bestuurder vertegenwoordigd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Hart en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger] , en de raadsman mr. W. de Vries naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – na wijziging op de zittingen van 7 september 2018 en 11 december 2018 – ervan beschuldigd dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met heden te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en),

te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal circa Euro 121.859,50, althans circa Euro 113.149,84 (AMB-033 en/of AMB-053), in elk geval enig(e) geldbedrag(en)/voorwerp(en),

voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben overgedragen en/of van dat/die geldbedrag(en) en/of dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt

en/of

van dat/die geldbedrag(en)/voorwerp(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geld-bedrag(en) en/of voorwerp(en) was/waren en/of wie dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) voorhanden had(den)

terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

3.1.1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

3.1.2

Inleiding

Naar aanleiding van een melding van de AFM 2 augustus 2017 dat obligatiefonds [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) mensen laat investeren in projecten waarvan het twijfelachtig is of deze ooit gerealiseerd worden, is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart.

[naam vertegenwoordiger] (hierna: [naam vertegenwoordiger] ) heeft de besloten vennootschappen [medeverdachte 1] en [verdachte] (hierna ook: [verdachte] ) opgericht met als – ogenschijnlijk - doel het aantrekken van gelden van investeerders ter financiering van de aankoop en exploitatie van grondposities. Op deze grondposities zouden zonneparken worden gebouwd.2 [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) is enig aandeelhouder en beheerder van beide vennootschappen. [naam vertegenwoordiger] is (al dan niet indirect) enig bestuurder en enig aandeelhouder van al deze vennootschappen3

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat [verdachte] gelden, afkomstig uit enig misdrijf, te weten oplichting althans verduistering heeft witgewassen.

Op de rekening van [verdachte] is in totaal € 522.500,- gestort door beleggers die ervan uitgingen dat de inleg zou worden gebruikt voor investering in grond voor de aanleg van zonneparken. Door [verdachte] is van dit bedrag € 121.859,50 overgeboekt naar andere aan [naam vertegenwoordiger] gelieerde ondernemingen en daarmee omgezet. In het excel-overzicht is te zien dat op 16 augustus 2017, de dag waarop beslag is gelegd op de bankrekening van [verdachte] , het saldo op de bankrekening van [verdachte] nog slechts € 400.640,50 bedroeg en de rekeningen van de andere betrokken entiteiten ( [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) nagenoeg leeg waren. Hiermee staat vast dat de bedragen zijn omgezet en gebruikt.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman betoogd dat nu [naam vertegenwoordiger] moet worden vrijgesproken van oplichting en verduistering er geen sprake is van een gronddelict om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen.

Subsidiair kan [naam vertegenwoordiger] als (indirect) aandeelhouder van [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] en [verdachte] worden vereenzelvigd. Hiermee kan het overdragen en omzetten worden gezien als een ‘vestzak-broekzak-handeling’. Het verwerven en voorhanden hebben vallen hierbij onder de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Ten slotte blijkt niet dat [naam vertegenwoordiger] of de vennootschappen de herkomst van het onttrokken geld heeft willen verhullen, zodat vrijspraak dient te volgen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met [naam vertegenwoordiger] en [medeverdachte 2] in de periode van 9 september 2016 tot en met 17 augustus 2017 € 121.859,50 heeft witgewassen.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Een groot aantal investeerders heeft in totaal € 522.500,-4 belegd in het obligatiefonds [verdachte] , dat – ogenschijnlijk – als doel had te investeren in grondprojecten ten behoeve van de aanleg van zonneparken.5

Van het totaal in [verdachte] geïnvesteerde bedrag was op 16 augustus 2017, de dag waarop beslag is gelegd op de rekeningen van [verdachte] , nog € 400.640,50 op de rekening van [verdachte] aanwezig.6

De rechtbank stelt vast dat van de rekening van [verdachte] een bedrag van € 8.500,- is overgemaakt aan [medeverdachte 2] , dat er per saldo een groot bedrag contant van de rekening is opgenomen en dat betalingen zijn verricht aan salarissen, beheerskosten, facturen en de belastingdienst.7 Hiermee worden de bestanddelen “omzetten”, “overdragen” en “gebruik maken van” feitelijk vervuld.

Door de overboekingen tussen de diverse vennootschappen van [naam vertegenwoordiger] en de contante opnames van en stortingen op diverse rekeningen is de herkomst van de bedragen verhuld.

[naam vertegenwoordiger] , en daarmee verdachte, wist dat het geld van de beleggers van misdrijf afkomstig was, namelijk van oplichting. De rechtbank verwijst hiertoe naar het vonnis van heden (parketnummer 13-845211-17) waarbij [naam vertegenwoordiger] is veroordeeld voor (onder meer) oplichting aangezien hij – kort gezegd - nimmer van plan is geweest de gelden van de beleggers te gebruiken voor het aankopen van grond om daarop een zonnepark te kunnen laten realiseren, maar dat hij van meet af aan van plan was dit geld in zijn eigen zak te steken en dat hij de hele constructie met dat doel heeft opgetuigd en met diverse oplichtingsmiddelen beleggers ertoe heeft bewogen geld in te leggen in (onder meer) [verdachte] . De wetenschap van [naam vertegenwoordiger] moet worden toegerekend aan [verdachte] , waarvan hij immers (al dan niet indirect) enig bestuurder en enig aandeelhouder is.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen, nu het betreft het over een langere periode een veelvuldig overboeken en besteden van uit misdrijf afkomstige gelden.

De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is van witwassen, nu [naam vertegenwoordiger] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moeten worden gezien als één entiteit. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer. De vennootschappen zijn immers in het leven geroepen om de beleggers voor te wenden dat sprake was van een afgescheiden vermogen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 1 mei 2017 tot en met 17 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal Euro 121.859,50, heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt en van die geldbedragen de herkomst heeft verhuld terwijl zij, verdachte en haar mededaders, wisten dat die geld-bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte en haar mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), met een proeftijd van 3 jaren.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. Zij heeft gefaciliteerd in het omzetten en overdragen en verhullen de herkomst van criminele geldbedragen. Verdachte heeft hiermee de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Ook heeft zij eraan meegewerkt dat een grote groep beleggers is gedupeerd.

Gelet op de hoogte van het bedrag is de rechtbank van oordeel dat een geldboete zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank zal deze geldboete geheel voorwaardelijk opleggen omdat zij – met de officier – van oordeel is dat eventueel nog in [medeverdachte 1] aanwezige gelden primair moeten worden aangewend om gedupeerde beleggers schadeloos te stellen. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op drie jaar.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 47, 51 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van gewoontewitwassen, gepleegd door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro).

Beveelt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en B.M. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De overige bewijsmiddelen zijn geschriften.

2 Zie voorwoord informatiememoranda [medeverdachte 1] en [verdachte] , doc-015 ( [medeverdachte 1] ) en doc-016 ( [verdachte] );

3 Uittreksels Kamer van Koophandel, doc-007, doc-008 en doc-009, Brief AFM aan [medeverdachte 1] / [verdachte] , d.d. 27 sep 2017, doc-68, p. 6 en 7 en doc-1 voetnoot 1;

4 Doc-035 en AMB-053

5 Zie voorwoord informatiememoranda [verdachte] , doc-016;

6 Zie het excel-bestand ‘kopie van Dorado-Overzicht per datum van alle rekeningen t.b.v. RB’ tabblad ‘dashboard’, zoals door de officier van justitie per e-mail van 10 december 2018 toegezonden aan de leden van de rechtbank en de verdediging. Dit bestand is niet in fysieke vorm aan het dossier gevoegd;

7 AMB-033, pag. 11 en Doc-043;