Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5704

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
C/13/656213 / HA ZA 18-1091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg na tussenvonnis in incidenten tot bevoegdheid en aanhouding; artikel 33 Brussel I bis-Vo, vereiste dat het gerecht van de lidstaat ervan overtuigd is dat aanhouding nodig is voor een goede rechtsbedeling; (ook) afwijzing vordering tot aanhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/656213 / HA ZA 18-1091

Vonnis in incident van 17 juli 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

DYMI MARITIME CO LTD.,

gevestigd te Limasol (Cyprus),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten tot (I) onbevoegdheid en (II) aanhouding (hierna: de incidenten),

advocaat mr. M. Verhagen te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

advocaat mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam.

Partijen worden hierna Dymi en ING genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 3 april 2019 en de daarin genoemde (proces)stukken,

  • -

    de akte uitlating van ING, met één productie,

  • -

    de akte van Dymi.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De verdere beoordeling in de incidenten

(I) incident tot onbevoegdheid

2.1.

In het vonnis in incident van 3 april 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire incidentele vordering van ING tot onbevoegdverklaring moet worden afgewezen. Deze beslissing zal - zoals aangekondigd in het tussenvonnis - in het dictum van dit vonnis worden opgenomen.

(II) incident tot aanhouding

2.2.

Subsidiair heeft ING gevorderd dat de rechtbank de hoofdzaak op de voet van artikel 33 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) aanhoudt totdat de Indiase opheffingsprocedure finaal is beslecht. Voor de goede orde zij herhaald dat het hier gaat om de door Dymi op 9 maart 2016 door middel van een interlocutory application gestarte Indiase opheffingsprocedure bij de High Court of Gujarat (hierna: de High Court), ter opheffing van het door ING gelegd beslag op het schip en tot vergoeding van schade wegens onrechtmatigheid van het beslag en het stellen van tegenzekerheid door ING.

2.3.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat in deze zaak aan de in lid 1, aanhef en onder a van artikel 33 Brussel I bis-Vo gestelde vereisten wordt voldaan, maar dat in geschil is of aanhouding van de hoofdzaak nodig is voor een goede rechtsbedeling (lid 1 aanhef en onder b van artikel 33 Brussel I bis-Vo). In het kader van de belangenafweging die daarvoor blijkens overweging 24 van de considerans bij de Brussel I bis-Verordening moet worden gemaakt moet als omstandigheid worden betrokken of van het gerecht in de derde staat kan worden verwacht dat hij binnen een redelijke termijn uitspraak doet. In het tussenvonnis is in dat verband overwogen dat Dymi erop heeft gewezen dat de door haar gestarte Indiase Opheffingsprocedure zich slechts nog in de ‘interlocutory’ fase bevindt en dus nog niet in de bodemfase, en dat de High Court inmiddels ruim drie jaar na aanvang van de procedure, nog geen uitspraak heeft gedaan en er geen aanwijzing bestaat dat een uitspraak binnen afzienbare tijd zal volgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Dymi gewezen op de (als productie 15 bij incidentele conclusie van antwoord) overgelegde legal opinion van het Indiase advocatenkantoor Bose & Mitra & Co. van 1 maart 2019 ((hierna: de opinie van B&M). Omdat ING zich over deze opinie niet had uitgelaten is zij in de gelegenheid gesteld dat alsnog bij akte te doen. Vervolgens heeft ING bij de door haar genomen akte op haar beurt een aanvullende legal opinion van het Indiase advocatenkantoor Crawford Bayley & Co. van 27 mei 2019 (hierna: de aanvullende opinie van CB&C) overgelegd, waarop Dymi nog bij akte heeft mogen reageren.

2.4.

In haar akte heeft ING onder verwijzing naar de aanvullende opinie van CB&C gesteld dat het mogelijk is om de rechtbank in India om een spoedige behandeling van de zaak te verzoeken en een spoedig oordeel te krijgen in meerdere instanties. Zij wijst daarbij op de procedure tussen ING en de m.s. Eco (hierna: de Indiase procedure tegen m.s. Eco). Verder heeft ING onder verwijzing naar een court order van de High Court toegelicht dat de High Court op haar verzoek de datum voor een inhoudelijke behandeling van de interlocutory application van Dymi heeft vastgesteld op 24 juni 2019. Nadat de inhoudelijke behandeling is afgerond zal de High Court uiterlijk binnen zes maanden over dienen te gaan tot het geven van een oordeel over de interlocutory application van Dymi, aldus ING. Zij heeft subsidiair verzocht om de hoofdzaak in ieder geval aan te houden voor een periode van ten minste negen maanden, om het oordeel van de High Court over de interlocutory application van Dymi af te wachten.

2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank overtuigt de vergelijking met de Indiase procedure tegen m.s. Eco niet. Dymi heeft erop gewezen dat de beslissing in die procedure geen inhoudelijke beslissing inhoudt en bovendien slechts een beslissing is in de interlocutory stage. Daarnaast wijst zij erop dat in die procedure vanaf 27 januari 2017 geen directional order meer is gegeven door de Indiase rechtbank.

2.6.

Nog afgezien van het feit dat Dymi vanwege de uitzonderlijkheid daarvan betwist dat de Indiase procedure tegen m.s. Eco als maatgevend kan worden beschouwd, moet gezien de aard van de beslissing en de fase waarin die procedure verkeert worden geconcludeerd dat deze geen onderbouwing kan vormen voor de stelling van ING dat de Indiase Opheffingsprocedure binnen een redelijke termijn finaal zal worden beslecht.

2.7.

Daarbij komt dat Dymi ook heeft verwezen naar een overzicht van de Indiase Opheffingsprocedure waaruit volgt dat de zaak in de periode van maart 2016 tot begin 2019 wel op de rol is verschenen, maar telkens niet is behandeld, om uiteenlopende redenen, waaronder herhaaldelijk tijdgebrek aan de zijde van het gerecht of door (namens ING) verzochte aanhoudingen. Verder heeft Dymi aangevoerd dat de High Court slechts een enkele zittende rechter heeft die een zogenaamde ‘admirality’-bevoegdheid heeft en dat 150 tot 200 zaken dagelijks door deze rechter moeten worden beslist. Dit alles heeft ING niet betwist. Weliswaar heeft ING onderbouwd gesteld dat een datum voor de inhoudelijke behandeling van de interlocutory application van Dymi is bepaald, maar gelet op de veelvuldige aanhoudingen die in deze zaak hebben plaatsgevonden kan er niet met zekerheid van worden uitgegaan dat de behandeling op 24 juni 2019 heeft plaatsgevonden, laat staan dat binnen de gestelde termijn daadwerkelijk zal worden beslist op de interlocutory application van Dymi. In zoverre heeft ING haar stelling dat de Indiase Opheffingsprocedure binnen een redelijke termijn finaal zal worden beslecht onvoldoende gemotiveerd.

2.8.

Een en ander leidt ertoe dat moet worden aangenomen dat de gehele Indiase Opheffingsprocedure die al meer dan drie jaar duurt, nog langer zal duren in een mate die als onredelijk kan worden beschouwd. In de te maken belangenafweging (rov. 4.11 van het tussenvonnis) weegt deze omstandigheid zwaarder dan de omstandigheden voor aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank niet is overtuigd dat aanhouding van de hoofdzaak nodig is voor een goede rechtsbedeling, zodat de vordering tot aanhouding van ING zal worden afgewezen.

2.9.

Ook het subsidiaire verzoek tot aanhouding voor een periode van negen maanden zal worden afgewezen. Nog afgezien van het feit dat een termijn van zes maanden voor een beslissing in interlocutory proceedings bezwaarlijk als redelijk kan worden beschouwd, doet dit vooruitzicht niet af aan de vaststelling dat reeds een periode van meer dan drie jaar is verstreken zonder dat een eindbeslissing van de Indiase rechtbank is gevolgd.

2.10.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de incidentele vordering tot aanhouding.

2.11.

Het verzoek van ING om tussentijds hoger beroep open te stellen zal worden afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, nu het toelaten van tussentijds hoger beroep in wezen alsnog zou leiden tot aanhouding van de hoofdzaak, terwijl de rechtbank daarvoor nu juist geen gronden ziet en bovendien ambtshalve dient te waken tegen onredelijke vertraging van het geding. Daarbij komt dat haar beslissing het niet gebruiken van een discretionaire bevoegdheid betreft, welke beslissing naar zijn aard niet snel tot openstelling van tussentijds hoger beroep noopt.

proceskosten

2.12.

ING zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de incidenten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dymi worden begroot op € 814,50 (1,5 punt × tarief II) aan salaris advocaat.

2.13.

De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt ING in de kosten van het incident, aan de zijde van Dymi tot op heden begroot op € 814,50,

3.3.

veroordeelt ING in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ING niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.5.

verwijst de zaak naar de rol van 28 augustus 2019 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.