Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5690

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
13/650141-17 (A) + 13/659203-17 (B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar en 5 maanden en TBS met dwangverpleging voor de doodslag op en het wegmaken van het lichaam van slachtoffer 2 in 2004.

Verdachte had als laatste contact met slachtoffer 2 op 7 november 2004, waarna zij is verdwenen en door niemand meer is gezien. Enkele dagen later werd haar lichaam in verschillende vuilniszakken aangetroffen in enkele bosjes in Amsterdam. Zij bleek door verstikking om het leven te zijn gekomen, waarna haar lichaam in stukken was gezaagd. Op de knoop van één van de vuilniszakken werd in 2016 (door nieuwe forensische technieken) DNA van verdachte aangetroffen.

Verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood en/of wegmaken van het stoffelijk overschot van slachtoffer 1 in 2017. De rechtbank acht het aannemelijk dat slachtoffer 1 niet meer in leven is, nu zij al meer dan twee jaar is vermist en er taal noch teken van haar is vernomen. Er is echter geen lichaam aangetroffen en de oorzaak van het overlijden kan dan ook niet worden vastgesteld. Andere concrete sporen die zouden kunnen wijzen in de richting van een misdrijf, zoals een bloedspoor of een verdacht DNA-spoor, zijn evenmin aangetroffen. Weliswaar is sprake van bijzonder gedrag en opmerkelijke verklaringen van verdachte, maar daaruit kan geen betrokkenheid bij de dood van slachtoffer 1 worden vastgesteld, temeer omdat niet is gebleken dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen.

Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van slachtoffer 3 in 2003. Weliswaar kan worden vastgesteld dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen, maar ten aanzien van verdachte kan niet meer worden vastgesteld dat zij op enig moment voor haar overlijden seksueel contact hebben gehad.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten (inzake slachtoffer 2), de afschuwelijke omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de impact die deze feiten op de betrokkenen en de maatschappij hebben gehad, is een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar passend en geboden. Omdat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden, zal een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 14 jaar en 5 maanden.

Uit verschillende over verdachte opgemaakte rapportages, met name het rapport van het PBC uit 2019, blijkt dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met trekken van psychopathie en stoornissen op de gebieden alcohol en cocaïne. Deze stoornissen waren ook aanwezig in 2004, toen slachtoffer 2 om het leven werd gebracht, en zijn nooit behandeld. Ook uit het strafblad en uit verschillende getuigenverklaringen in het dossier komt een beeld naar voren van gewelddadig en normoverschrijdend gedrag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar hoog recidiverisico als verdachte na detentie zonder behandeling zou terugkeren in de maatschappij. Daarom legt de rechtbank tevens de TBS-maatregel met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2019, afl. 5, p. 223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650141-17 (A) + 13/659203-17 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 5 augustus 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , aldaar gedetineerd in het Justitieel Complex [naam Justitieel Complex] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18, 19 en 20 juni 2019 en (sluiting op) 5 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. N.M. Smits en S.M. Hoogerheide (hierna gezamenlijk in enkelvoud aangeduid als: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. M.A.M. Pijnenburg en N.W.A. Dekens (hierna ook: de verdediging) naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van
7 maart 2017 tot en met 27 juni 2017 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1 primair : moord, dan wel doodslag op [slachtoffer 1] ;

Feit 1 subsidiair : zware mishandeling van [slachtoffer 1] , met de dood tot gevolg;

Feit 2 : het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer 1] .

Verder is aan verdachte in zaak A ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 7 november 2004 tot en met 15 november 2004 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 3 primair : moord, dan wel doodslag op [slachtoffer 2] ;

Feit 3 subsidiair : mishandeling van [slachtoffer 2] , met de dood tot gevolg;

Feit 4 : het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer 2] .

In zaak B is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 26 tot en met 27 april 2003 heeft schuldig gemaakt aan:

Primair : moord, dan wel doodslag op [slachtoffer 3] ;

Subsidiair : zware mishandeling van [slachtoffer 3] , met de dood tot gevolg.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in geen van de zaken de voorbedachten raad kan worden bewezen. Van dit element in de tenlasteleggingen moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

[slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] )

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte verantwoordelijk is geweest voor de verdwijning van [slachtoffer 1] . Sinds de nacht van 7 op 8 maart 2017 is er geen teken van leven meer van haar geweest. Er zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen die tot de conclusie kunnen leiden dat [slachtoffer 1] vrijwillig is verdwenen en elders een bestaan heeft opgebouwd, zonder dat zij dit aan haar familie en kennissen heeft laten weten. Deze omstandigheden maken dat de conclusie gerechtvaardigd is dat zij is overleden. De aanwezigheid van verdachte op de dag van de verdwijning, bovendien in de woning waar [slachtoffer 1] als laatste is gezien, in combinatie met de afwezigheid van verdere waarneming van haar nadien, zijn bezit van haar fiets, het gedrag van verdachte op en na 8 maart 2017 en de samenhang tussen de drie strafzaken, maken dat er geen andere redelijke verklaring is dan dat verdachte inderdaad betrokken is bij de dood van [slachtoffer 1] . De officier van justitie concludeert dat sprake is van doodslag, waarna verdachte bovendien het lichaam heeft weggemaakt om mogelijke sporen uit te wissen en het opsporingsonderzoek te bemoeilijken. De officier van justitie acht de feiten 1. primair en 2. in zaak A dan ook bewezen.

[slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] )

De officier van justitie acht ook bewezen dat verdachte verantwoordelijk is geweest voor de dood van [slachtoffer 2] . De officier van justitie heeft gewezen op het feit dat het laatst vastgestelde contact van [slachtoffer 2] met verdachte is geweest in de avond/nacht van 6 op 7 november 2004. Niet kan worden vastgesteld dat zij de woning van verdachte levend heeft verlaten. Ook was de woning van verdachte destijds een rotzooi geworden, stonk het er, stonden er verschillende vuilniszakken op zijn balkon en heeft hij met stinkende en lekkende vuilniszakken door het trappenhuis gelopen. Bovendien waren er grote vlekken in de slaapkamer en was de badkamer rood geschilderd, terwijl de woning van verdachte kort na de verdwijning van [slachtoffer 2] zou worden ontruimd.

Enkele dagen na 7 november 2004 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] aangetroffen, waarbij haar lichaam was verdeeld over meerdere vuilniszakken die in een plantsoen waren geplaatst. DNA van verdachte is aangetroffen op een knoop van één van deze vuilniszakken. Aangezien [slachtoffer 2] door verwurging om het leven is gekomen, kan het niet anders dan dat verdachte de keel van het slachtoffer zo hard heeft dichtgeknepen dat het haar het leven heeft gekost. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans, dat [slachtoffer 2] door de verwurging zou komen te overlijden, bewust aanvaard, zodat hij ook voorwaardelijk opzet had op haar dood. De officier van justitie acht de feiten 3. primair (doodslag van [slachtoffer 2] ) en 4. (wegmaken van haar lichaam) in zaak A dan ook bewezen.

[slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] )

Ten slotte acht de officier van justitie ook bewezen dat verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 3] . Kort voordat zij dood is aangetroffen heeft verdachte seksueel contact met haar gehad en in de auto van [slachtoffer 2] is meer dan een jaar later een bloedspoor van [slachtoffer 3] aangetroffen. Dit kan niet anders worden verklaard dan dat verdachte dat spoor heeft overgedragen. Kijkend naar de geconstateerde doodsoorzaak, moet verdachte veel geweld op het hoofd van [slachtoffer 3] hebben toegepast. Het handelen van verdachte wordt daarom uitgelegd als zozeer te zijn gericht op de dood van [slachtoffer 3] dat het niet anders kan dan dat hij die kans op haar dood bewust heeft aanvaard. De in zaak B primair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer 3] kan dan ook worden bewezen. Omdat verdachte voor dit feit niet in voorlopige hechtenis zit, heeft de officier van justitie ten aanzien van dit feit de gevangenneming gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

[slachtoffer 1]

De belastende elementen ten aanzien van verdachte kunnen worden weerlegd. Zo is de verklaring van verdachte over de fiets van [slachtoffer 1] aannemelijk, terwijl de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] juist onbetrouwbaar zijn. Dat verdachte op 31 maart 2017 een paar dagen buiten het zicht van justitie wilde blijven, had niets te maken met [slachtoffer 1] , maar met het feit dat hij dacht te worden gezocht door de politie voor het uitzitten van vervangende hechtenis in verband met een onbetaalde boete en een onverrichte taakstraf. Bovendien zijn er ontlastende elementen die verdachte vrijpleiten. Zo is er, nadat [slachtoffer 1] de woning van verdachte zou hebben verlaten, nog een belcontact met de telefoon van [slachtoffer 1] naar [naam 1] . Hij verdwijnt lange tijd van de radar als de politie hem als getuige wil horen. Daarnaast wijzen veel bekenden van [slachtoffer 1] in de richting van andere, mogelijke betrokkenen, zoals [naam 2] . Ten slotte is in de woning van verdachte geen enkel spoor aangetroffen dat wijst op een misdrijf met betrekking tot [slachtoffer 1] . Verdachte moet dan ook van het in zaak A onder 1. primair en subsidiair en 2. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

[slachtoffer 2]

Er zijn belastende elementen, maar ook deze kunnen worden weerlegd. Zo is het aannemelijk dat het DNA van verdachte via secundaire overdracht op de knoop van de vuilniszak terecht is gekomen en niet via direct contact tussen verdachte en de vuilniszak in kwestie. Waar enkele getuigen verklaren over stinkende vuilniszakken en een stank in de woning, wordt daarover door politieagenten, die op 12 november 2004 in de woning zijn geweest, niet geverbaliseerd. Dit geldt ook voor eventuele vlekken op de muren. Verdachte erkent dat [slachtoffer 2] in de nacht van 6 op 7 november 2004 bij hem is geweest. Zij heeft volgens zijn verklaring de woning op 7 november 2004 rond 12:00 uur verlaten. Hij heeft toen haar auto voor haar uitgeparkeerd. Er is bovendien geen enkel spoor gevonden dat erop wijst dat zij in de woning van verdachte om het leven is gekomen. Zo is de woning van verdachte op verschillende momenten grondig doorzocht op (bloed)sporen, zonder resultaat. Bovendien zou het slachtoffer in stukken zijn gezaagd met een lintzaag, terwijl nergens uit blijkt dat verdachte zo’n apparaat ooit heeft gebruikt of tot zijn beschikking heeft gehad. Ook kan het overlijden van [slachtoffer 2] , gelet op de postmortale tijd (hierna ook: PMT) niet in de woning van verdachte worden geplaatst. Er is daarnaast geen enkel spoor van verdachte of van de vuilniszakken in de auto van [slachtoffer 2] aangetroffen. Ten slotte zijn er veel open eindjes in het dossier die wijzen op andere mogelijke daders. Verdachte moet dan ook van het in zaak A onder 3. primair en subsidiair en 4. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

[slachtoffer 3]

Er zijn enkele belastende elementen, maar ook deze kunnen worden weerlegd. Uit het spermaspoor op de schaamlippen van [slachtoffer 3] blijkt niet meer dan dat verdachte en het slachtoffer seksueel contact hebben gehad. Dat is geen verdachte omstandigheid, omdat [slachtoffer 3] zich destijds prostitueerde en verdachte wel eens prostituees oppikte achter het Centraal Station of op de Theemsweg. Er is weliswaar bloed van [slachtoffer 3] in de auto van [slachtoffer 2] aangetroffen, maar niet kan worden vastgesteld dat dit spoor delictgerelateerd is. Dit geldt ook voor de aangetroffen botanische deeltjes, omdat deze door heel Nederland voorkomen en op elk moment daar terecht kunnen zijn gekomen. Bovendien kan het kratje dat is aangetroffen in de auto van [slachtoffer 2] niet aan verdachte worden toegeschreven. Al met al kan geen ononderbroken chain of evidence worden geconstrueerd en verdachte moet dan ook van het in zaak B primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

De zaak van [slachtoffer 1]

3.3.1.1 Inleiding

De rechtbank heeft zich allereerst de vraag gesteld of [slachtoffer 1] nog in leven is.

Bij de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten. [slachtoffer 1] was verslaafd en leefde van een uitkering. Deze uitkering werd door haar ook gebruikt om in haar verslaving te voorzien. Sinds haar verdwijning heeft zij haar uitkering echter niet meer opgenomen. Ook heeft zij sinds 8 maart 2017 geen enkel contact meer gehad met haar familie, wat voor haar doen ongewoon is. Bovendien is zij, ondanks veelvuldige aandacht daarvoor van de zijde van de politie en diverse media, nooit meer door iemand gezien. Er zijn weliswaar enkele meldingen geweest, maar dit bleek telkens een ander persoon dan [slachtoffer 1] te zijn. Het is ten slotte, gelet op de hiervoor geschetste combinatie van de verslaving en het gebrek aan financiële middelen, uiterst onaannemelijk dat [slachtoffer 1] met de noorderzon is vertrokken en ergens anders een nieuw leven is begonnen. De rechtbank acht het daarom het meest aannemelijk dat [slachtoffer 1] niet meer in leven is.

In het kader van deze strafzaak dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of bewezen kan worden dat [slachtoffer 1] door een misdrijf om het leven is gekomen en of verdachte bij haar dood en/of het wegmaken van haar lichaam een rol heeft gehad.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank aan de hand van een tijdlijn de uren voorafgaand aan én de dagen na de verdwijning van [slachtoffer 1] voor zover mogelijk gereconstrueerd.

Op basis van haar bevindingen is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat zij niet kan bewijzen dat [slachtoffer 1] door een misdrijf om het leven is gekomen. De betrokkenheid van verdachte hierbij dan wel bij het wegmaken van haar lichaam kan de rechtbank evenmin bewijzen. Ook niet als de drie zaken ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) in onderlinge samenhang worden beschouwd.

De overwegingen die hebben geleid tot deze conclusies worden hieronder uiteengezet. Daarbij verwijst de rechtbank in voetnoten naar de relevante feiten en omstandigheden zoals die naar voren zijn gekomen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.1

3.3.1.2 Tijdlijn [slachtoffer 1]

De nacht van 7 op 8 maart 2017 – [slachtoffer 1] en haar verblijf bij verdachte

In de avond/vroege nacht van 7 op 8 maart 2017 neemt verdachte veelvuldig contact op met diverse vrouwen, te weten A. [getuige 5] , S. [getuige 6] en [slachtoffer 1] .2 Zowel [getuige 5]3 als [getuige 6] hebben verklaard dat verdachte op zoek was naar seks. [getuige 6] heeft hier nog aan toegevoegd dat het klonk alsof verdachte dronken was.4

In de avond van 7 op 8 maart 2017 bevindt [slachtoffer 1] zich op het adres [adres 1] bij [naam 2] , met wie zij samenwoont. Hij heeft verklaard dat zij die avond veelvuldig werd gebeld, maar [slachtoffer 1] wilde niet tegen hem zeggen door wie zij werd gebeld. Kort nadat zij weer werd gebeld, verliet zij volgens [naam 2] de woning waarbij zij zou hebben gezegd dat ze een fiets ging verkopen.5

Uit de telefoongegevens van [slachtoffer 1] blijkt dat zij om 02:16 uur een SMS stuurt naar verdachte met de tekst: “Ik kan nog komen”.6 Kort hierna vinden nog zes belcontacten plaats tussen de telefoons van [slachtoffer 1] en verdachte7, waarna [slachtoffer 1] , zo blijkt uit camerabeelden van het appartementencomplex [adres 1] , de woning met haar fiets om 02:47 uur verlaat.8 Ook hierna is nog sprake van verschillende belcontacten tussen [slachtoffer 1] en verdachte.9

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [slachtoffer 1] verschillende keren met elkaar hebben gebeld en dat zij die nacht langs is gekomen met haar fiets.

Op 8 maart 2017 om 04:04:59 worden met de telefoon van [slachtoffer 1] binnen drie minuten achtereenvolgens [naam 3] , [naam 4] , een onbekend gebleven persoon en [naam 5] gebeld. De telefoon van [slachtoffer 1] bevindt zich op dat moment in de buurt van de woning van verdachte.10 Gelet op de verklaring van verdachte, in samenhang met de telecomgegevens van [slachtoffer 1] , stelt de rechtbank vast dat zij op dit tijdstip in de woning van verdachte aanwezig moet zijn.

Ten aanzien van de telefoongesprekken heeft [naam 3] verklaard dat hij wel eens drugs leverde aan [slachtoffer 1] en dat dat ook de reden was dat zij hem belde. Omdat het een half uur zou duren, zou [slachtoffer 1] haar eigen dealer bellen, die eerder zou kunnen komen.11

Vervolgens zoekt [slachtoffer 1] contact met [naam 4] , met wie geen contact tot stand is gekomen, omdat hij op dat moment gedetineerd was.12

Hierna wordt een onbekend gebleven persoon gebeld, die zich op dat moment in Oss bevond.13 Ten slotte wordt [naam 5] gebeld, met wie ook geen contact tot stand is gekomen, omdat ook hij gedetineerd was. Hij heeft verklaard dat hij wel eens drugs leverde aan [slachtoffer 1] .14

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] op 8 maart 2017 rond 04:00 uur nog in leven was en dat zij bij verdachte in zijn woning was. Zij gebruikten drugs en waarschijnlijk hadden zij seks. [slachtoffer 1] is om 04:51:55 uur nog gebeld door [naam 6] , maar niet blijkt dat zij ook met elkaar hebben gesproken.15

Vervolgens worden de telefoons van [slachtoffer 1] en verdachte niet gebruikt. Pas in de ochtend van 8 maart 2017 om 08:33 uur belt verdachte met zijn toestel zijn moeder.16 Inmiddels zou [slachtoffer 1] volgens verdachte rond 08:00 uur zijn woning hebben verlaten. Verdachte heeft in zijn eerste twee verhoren bij de politie verklaard dat zij de woning met de fiets zou hebben verlaten. De rechtbank constateert dat verdachte in deze verhoren hierover niet naar waarheid heeft verklaard, gelet op het navolgende.

De ochtend van 8 maart 2017 – De fiets van [slachtoffer 1]

Uit camerabeelden is gebleken dat de fiets van [slachtoffer 1] op 8 maart 2017 om 11:44:50 uur door verdachte wordt neergezet op de hoek van de Groesbeekdreef en de Karspeldreef, ter hoogte van nummer [nummer] - [nummer] (deze locatie wordt hierna genoemd: Karspeldreef). Het lijkt erop alsof verdachte de fiets op slot zet en hij lijkt een telefoon aan zijn oor te houden, waarna hij (ongeveer een minuut later) uit beeld verdwijnt.17

8 maart 2017 – Het laatste telefooncontact van de telefoon van [slachtoffer 1]

Enkele minuten nadat de fiets op 8 maart 2017 door verdachte op de Karspeldreef wordt neergezet, vindt het laatste uitgaande telefoonverkeer plaats met de telefoon van [slachtoffer 1] . Om 11:48:48 uur wordt met de telefoon van [slachtoffer 1] gebeld naar de telefoon van [naam 1] .18 Het telefooncontact duurt slechts drie seconden en niet kan worden vastgesteld dat er een daadwerkelijke spraakverbinding tot stand is gekomen. Getuige [naam 1] kan zich dit gesprek in elk geval niet herinneren.19

De rechtbank acht het aannemelijk dat er geen contact tot stand is gekomen. De rechtbank kan namelijk ten aanzien van veel andere gesprekken, die volgens de historische verkeersgegevens eveneens drie seconden hebben geduurd, wél vaststellen dat er geen contact is geweest. Gewezen wordt op bijvoorbeeld de contacten (met een duur van drie seconden) tussen de telefoon van [slachtoffer 1] en de telefoons van getuigen [naam 4] en [naam 5] in de nacht van 8 maart 2017, terwijl zij allebei gedetineerd waren.20

Tijdens het contact met [naam 1] op 8 maart 2017 om 11:48:48 uur wordt de mast op de [adres 2] aangestraald. De Karspeldreef bevindt zich niet in het gebied dat gebruikmaakt van deze telefoonmast, maar uit politieonderzoek is gebleken dat het mogelijk is dat de persoon die de fiets van [slachtoffer 1] daar heeft neergezet, naar het gebied kan lopen dat wél gebruikmaakt van deze paal.21

9 en 10 maart 2017 – De fiets van [slachtoffer 1]

Een dag later, op 9 maart 2017 wordt op camerabeelden gezien dat de fiets omvalt en op 10 maart 2017 om 03:29:07 wordt de fiets meegenomen door getuige [getuige 3] , die de fiets, rollend met de wielen over het wegdek, naar zijn auto rijdt en inlaadt. Uit de camerabeelden blijkt dat geen andere personen de fiets tussentijds hebben vastgepakt.22

Getuige [getuige 3] heeft zich naar aanleiding van een uitzending van Opsporing Verzocht van 18 april 2017 gemeld bij de politie. Hij heeft bevestigd dat hij de fiets heeft meegenomen vanaf de Karspeldreef en verklaard dat deze niet op slot stond. Ook lag er geen slot in de buurt van de fiets.23

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte in de ochtend van 8 maart 2017 de beschikking heeft gehad over de fiets van [slachtoffer 1] en dat hij deze onafgesloten heeft neergezet op de Karspeldreef.

Het is bovendien niet uitgesloten dat verdachte, nadat hij de fiets op de Karspeldreef had neergezet, verder is gelopen en met de telefoon van [slachtoffer 1] het laatste contact met de telefoon van [naam 1] tot stand heeft gebracht.

De rechtbank stelt vast dat de tijdlijn van de reconstructie met betrekking tot [slachtoffer 1] hier ophoudt. Er is taal noch teken meer van haar vernomen, reden waarom de rechtbank zich verder heeft geconcentreerd op de gedragingen en verklaringen van verdachte, omdat hij de laatste, bekend geworden, persoon is die haar nog in leven heeft gezien.

3.3.1.3 De verklaring van verdachte over de fiets

Na zijn aanhouding op 27 juni 2017 is verdachte een aantal keren verhoord. In zijn eerste verhoor (op 27 juni 2017) gaf hij aan dat hij wist dat de politie op zoek was naar de fiets van [slachtoffer 1] , maar hij ontkende die fiets in zijn bezit te hebben gehad. In zijn tweede verhoor (op 28 juni 2017) ontkende hij bovendien dat de fiets hem zou zijn aangeboden en verklaarde hij de fiets niet te hebben gezien. Hij kon er naar eigen zeggen “niets over vertellen”. Vervolgens is hij geconfronteerd met het feit dat de politie niet alleen in het bezit was van de fiets, maar ook dat zij wisten dat verdachte op de fiets had gereden. Pas na deze informatie verklaarde verdachte dat hij de fiets van [slachtoffer 1] had gekocht en vervolgens heeft hij niets meer willen zeggen tijdens dat verhoor.

In zijn eerstvolgende verhoor op 29 juni 2017 vulde verdachte nog aan dat hij de fiets had meegenomen naar Kraaiennest, omdat hij iets moest regelen, waarna hij met de bus is teruggegaan. Hij heeft niet willen zeggen waarom hij dat heeft gedaan.

In het daaropvolgende verhoor op dezelfde dag maakte hij weer gebruik van zijn zwijgrecht. Dit gold ook voor de daaropvolgende twee verhoren op 5 juli 2017 en de verhoren op 13 juli, 4 september, 5 september, 14 november, 15 november, 7 december 2017, 5 maart en 9 juli 2018.

In zijn allerlaatste verhoor op 10 juli 2018 heeft verdachte nog aangegeven dat hij misschien iets zou moeten verklaren over zijn andere activiteiten. Het zou te maken hebben met “heling en een paar andere dingetjes”, maar daar wilde hij op een later moment op terugkomen. Dat moment is, tot aan de dag van de inhoudelijke behandeling op 18 juni 2019, niet gekomen.

Op deze laatstgenoemde datum heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij naar de Karspeldreef was gegaan omdat hij daar geld moest afleveren. Dat was ook de reden dat hij daar stond te bellen. De telefoon die hij gebruikte, had hij van tevoren gekregen. Het was niet zijn telefoon en evenmin die van [slachtoffer 1] . Vervolgens is hij met de bus teruggegaan naar huis, omdat hij geen zin meer had om verder te fietsen. Hij heeft ook niet meer naar de fiets omgekeken.

Verdachte heeft niet verklaard met wie hij deze afspraak had, met wie hij belde, welk telefoonnummer hij op dat moment gebruikte, of van wie hij de telefoon had gekregen. Ook heeft hij niet verder willen uitweiden over de aard en achtergrond van deze levering. Dat dit opmerkelijk genoemd is - een mogelijke verdenking staat immers in schril contrast tot de feiten waarvoor verdachte op dat moment al bijna twee jaar voorlopig gehecht is - leidt evenmin tot enige nadere uitleg hierover door verdachte.

3.3.1.4 Het gedrag van verdachte in de periode van 31 maart tot en met 20 mei 2017

Op 31 maart 2017 wordt door een ex van verdachte ( [naam ex 1] ) een melding van stankoverlast gedaan, afkomstig van het perceel [adres 3] . Hierop komt de politie ter plaatse en tussen 15:50 en 18:05 uur staat minstens één politieauto voor de woning van [naam ex 1] . Om 16:12 uur wordt met de OV-chipkaart van verdachte uitgecheckt bij Station Diemen Zuid (Oosthal), op vijf minuten lopen vanaf de woning van [naam ex 1] .24 Tien minuten later wordt er echter alweer ingecheckt, waarna op de telefoon van verdachte wordt gezocht op ‘112’ en ‘politie Diemen’.25 Verdachte heeft hierover verklaard dat hij bij de woning van [naam ex 1] een politieauto had zien staan en dat hij bang was om te worden opgepakt in verband met het uitzitten van vervangende hechtenis voor een onbetaalde boete en een onverrichte taakstraf. Hij wilde dan ook niet met de politie in aanraking komen.

Vervolgens heeft verdachte om 18:04 uur een telefoongesprek met [naam ex 1] , waarin hij haar bevestigt die avond te zullen oppassen en zegt er om 20:00 uur te zullen zijn. Direct hierna wordt echter de simkaart ontkoppeld en de telefoon van verdachte is dan ook niet meer actief.

Om 19:15 uur probeert verdachte een nieuwe telefoon en simkaart te activeren.

Hij is die avond niet meer naar de woning van [naam ex 1] gegaan en ook de vijf dagen daarna is verdachte onbereikbaar.26

Over het missen van zijn oppasafspraak heeft verdachte tegen [naam ex 1]27, zijn moeder28 en zijn zus29 verklaard dat zijn telefoon in het water was gevallen. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat dat een ‘verhaaltje’ was en dat hij in werkelijkheid de telefoon had weggegooid. Dit zou ook verklaren waarom de simkaart en SD-kaart van de telefoon die in het water zou zijn gevallen bij de doorzoeking van de woning werden aangetroffen.

In de dagen na 31 maart 2017 heeft verdachte verbleven bij [naam 7] omdat hij niet door de politie gevonden wilde worden.30

Op 20 mei 2017 werd verdachte via een bericht op WhatsApp gewezen op de verdwijning van [slachtoffer 1] in de nacht van 7 op 8 maart 2017. In dit bericht staat ook te lezen dat zij een fiets ging verkopen en dat haar telefoon voor het laatst aan stond in Reigersbos, de wijk waar verdachte woont.31 Op deze zelfde datum heeft hij met [naam 7] gesproken over de verdwijning van [slachtoffer 1] .32

Verdachte moet dan ook uiterlijk op 20 mei 2017 op de hoogte zijn geraakt van de verdwijning van [slachtoffer 1] , net als van het feit dat zij is verdwenen nadat zij bij hem de nacht had doorgebracht én van het gegeven dat de politie op zoek zal zijn geweest naar haar fiets. Een en ander was voor verdachte echter geen aanleiding zich te melden bij de politie met de informatie dat hij haar fiets had achtergelaten op de Karspeldreef.

Ter terechtzitting heeft hij hierover verklaard dat hij niet geassocieerd wilde worden met de fiets. Hij heeft desgevraagd niet verklaard waarom hij dat niet wilde.

3.3.1.5 De getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

Getuige [getuige 1] heeft enkele belastende verklaringen afgelegd over verdachte. Zo zou verdachte vlak voor Koningsdag 2017 tijdens een toevallige ontmoeting op straat tegen [getuige 1] hebben gezegd dat [slachtoffer 1] in de “Gaasperplasse bossen” zou liggen en dat ‘ze’ haar niet meer zouden vinden.33 Verdachte [getuige 1] wist op dat moment echter nog niet de naam van verdachte. Hier kwam hij pas achter in het [naam Justitieel Complex] , waar zij allebei gedetineerd waren. Over de wijze waarop hij achter de naam van verdachte was gekomen, heeft [getuige 1] zeer wisselend verklaard en verschillende elementen in zijn verklaringen zijn aantoonbaar onjuist gebleken. Ook de omstandigheid dat verdachte tegen een (nagenoeg) onbekende op straat dingen zou zeggen zoals door [getuige 1] is verklaard is buitengewoon merkwaardig. De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 1] niet geloofwaardig en daarom zijn deze niet bruikbaar voor het bewijs.

Getuige [getuige 2] , ook een medegedetineerde van verdachte, heeft verklaard dat verdachte tegen hem na één van de politieverhoren heeft gezegd dat hij misschien ‘de derde’ moest gaan bekennen. Ook zou hij op een later moment met verdachte hebben gesproken over het dumpen van een lichaam, waarbij verdachte zou hebben gezegd: “Nee, ik zou het hebben gedaan bij de nieuwe A9 of bij het riviertje Gaasp/Vecht.”34 De rechtbank ziet geen reden om op voorhand te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 2] . Wat verdachte tegen [getuige 2] zou hebben gezegd is echter wel op verschillende manieren uit te leggen en levert niet direct belastend bewijs op. Het is denkbaar dat de woorden van verdachte, als hij deze inderdaad heeft gezegd op de wijze zoals [getuige 2] heeft verklaard, een reactie zijn geweest op de indringende verhoren van verdachte bij de politie. De woorden van verdachte kunnen daarom niet worden aangemerkt als het toegeven door verdachte dat hij betrokkenheid heeft bij de verdwijning van [slachtoffer 1] . Anders gezegd, de rechtbank kan deze woorden niet zonder twijfel als bekentenis opvatten.

Mede naar aanleiding van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is een aantal zoekacties uitgevoerd naar het lichaam van [slachtoffer 1] , echter zonder resultaat.

3.3.1.6 Hoe is [slachtoffer 1] om het leven gekomen?

Op basis van het dossier het verhandelde ter terechtzitting en al hetgeen de rechtbank in het voorgaande in ogenschouw heeft genomen kan de rechtbank niet vaststellen waar, wanneer en op welke wijze [slachtoffer 1] om het leven is gekomen. Haar lichaam, een bloedspoor noch enig ander (forensisch) bewijs is voorhanden dat uitleg kan geven over een mogelijke doodsoorzaak, natuurlijk dan wel onnatuurlijk. Het blijft dan ook onduidelijk hoe [slachtoffer 1] om het leven is gekomen. Ook al ligt het in de rede dat bij een natuurlijk overlijden of een ongeval een lichaam wordt aangetroffen, dat gegeven kan niet tot de (omgekeerde) conclusie leiden dat, als geen lichaam wordt aangetroffen, sprake moet zijn van een misdrijf als doodsoorzaak.

3.3.1.7 Is verdachte betrokken geweest bij het overlijden van [slachtoffer 1] ?

Vast staat dat [slachtoffer 1] op 8 maart 2017 rond de klok van 04:00 uur nog in leven was en dat zij op dat moment bij verdachte was. Weliswaar acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer 1] inmiddels niet meer in leven is, maar zoals hiervoor al is overwogen kan niet worden vastgesteld wanneer en op welke wijze zij om het leven is gekomen. Bovendien ontbreekt elk (forensisch) bewijsmateriaal op grond waarvan de rechtbank had kunnen vaststellen dat [slachtoffer 1] door een misdrijf om het leven is gekomen. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat [slachtoffer 1] door een misdrijf om het leven is gekomen, kan de rechtbank evenmin bewijzen dat verdachte verantwoordelijk is voor dit overlijden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet steeds en niet van meet af aan de waarheid heeft gesproken. Ook ter terechtzitting geeft verdachte geen (volledige) openheid van zaken over zijn doen en laten; hij houdt als het ware ‘zijn kaarten tegen de borst’. Verdachte laadt daarmee, mede gezien de in het voorgaande vastgestelde tijdlijn omtrent [slachtoffer 1] en zijn gedragingen, een zekere verdenking op zich.

De rechtbank moet echter onderkennen dat daarvoor andere redenen kunnen zijn dan het verhullen van schuld aan het tenlastegelegde. Er is bovendien geen sprake van een situatie waarin deze (ontkennende) houding en verklaringen van verdachte bij kunnen dragen aan het bewijs van het tegendeel.

De stukken die thans voorhanden zijn, bieden de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat verdachte verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1] . Verdachte zal van deze verdenking worden vrijgesproken.

3.3.1.8 Is verdachte betrokken geweest bij het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] ?

Uit het dossier is geen enkel spoor van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] naar voren gekomen, dan wel een aanwijzing over op welke wijze haar lichaam is weggemaakt. De rechtbank kan dan ook, mede nu zij verdachte niet verantwoordelijk houdt voor het overlijden van [slachtoffer 1] , niet vaststellen dat verdachte betrokken is geweest bij het wegmaken van haar stoffelijk overschot. Verdachte zal daarom ook van deze verdenking worden vrijgesproken.

De rechtbank begrijpt en is zich ervan bewust dat dit voor de familieleden van [slachtoffer 1] een bijzonder onbevredigende en pijnlijke uitkomst is van een langlopende strafzaak. Meer dan twee jaar na de verdwijning van [slachtoffer 1] is er nog steeds geen duidelijkheid over de wijze waarop zij om het leven is gekomen en – belangrijker nog – wie daarvoor verantwoordelijk is. De nabestaanden blijven dan ook achter in onzekerheid en in hun slachtofferverklaring hebben de moeder en zus van [slachtoffer 1] treffend verwoord welke impact het gemis van ‘hun [slachtoffer 1] ’ op hen heeft.

De rechtbank voelt met de nabestaanden mee. Het ontbreekt in deze zaak echter aan het wettig bewijs op grond waarvan de rechtbank tot de overtuiging kan komen dat verdachte het feit heeft gepleegd en in zo’n geval moet de rechtbank een verdachte vrijspreken.

3.3.1.9 Conclusie inzake [slachtoffer 1]

De rechtbank kan niet bewijzen dat [slachtoffer 1] door een misdrijf om het leven is gekomen en/of dat verdachte betrokken is geweest bij haar overlijden of bij het wegmaken van het stoffelijk overschot. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1. primair en subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde.

3.3.2

De zaak van [slachtoffer 3]

In de zaak met het slachtoffer [slachtoffer 3] concludeert de rechtbank eveneens dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij haar gewelddadige dood. De redenen daarvoor zijn als volgt.

3.3.2.1 Levensloop

[slachtoffer 3] werd geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . Haar familie heeft haar omschreven als een lieve, maar soms wat naïeve meid. Rond haar 19e levensjaar raakte zij verslaafd aan (hard)drugs. Ondanks dat zij meerdere keren heeft geprobeerd af te kicken, is dat helaas niet gelukt. Om in haar verslaving te voorzien, prostitueerde zij zichzelf in Amsterdam, voornamelijk rond het Centraal Station. Dit was ook het geval in de nacht van 26 op 27 april 2003, welke nacht zij niet heeft overleefd.

3.3.2.2 De laatste uren van [slachtoffer 3]

Over de laatste uren van [slachtoffer 3] hebben veel getuigen verschillende verklaringen afgelegd. Zij heeft de nacht met verschillende personen doorgebracht, maar met wie en wanneer precies kan op basis van de getuigenverklaringen niet met zekerheid worden bepaald. Een specifieke tijdlijn kan daarom niet worden vastgesteld. In elk geval blijkt uit de verklaringen niet dat zij deze laatste nacht bij of met verdachte is geweest.

Op 27 april 2003 werd rond 08:30 uur op de Uitdammerdijk in Uitdam het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer 3] .35 Zij blijkt om het leven te zijn gekomen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld.36

Op de schaamlippen van [slachtoffer 3] wordt een spermaspoor aangetroffen dat matcht met verdachte.37 De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte en [slachtoffer 3] op enig moment voor haar overlijden seksueel contact hebben gehad.

3.3.2.3 Het aantreffen van het DNA van [slachtoffer 3] in de auto van [slachtoffer 2]

Ruim anderhalf jaar later, op 22 november 2004, wordt de auto van [slachtoffer 2] aangetroffen op de Johan Coussetstraat in Amsterdam. Op de achterbank wordt bloed aangetroffen, maar met de forensische technieken uit die tijd kon geen DNA-profiel worden opgesteld. Dit was anders in 2017, toen bleek dat het bloed afkomstig was van [slachtoffer 3] .38

3.3.2.4 Het onderzoek naar de auto van [slachtoffer 2]

Onderzoek naar de geschiedenis van de auto leert dat deze op 8 november 2002 door [naam koper] werd gekocht. [naam koper] woonde destijds samen met haar man [naam man] in [plaats] . Op 25 januari 2003 was de auto betrokken bij een aanrijding, waarbij aanzienlijke schade ontstond. De auto werd op 12 februari 2003 opgekocht door schadebedrijf [naam schadebedrijf] , die de auto zou hebben schoongemaakt. Vervolgens werd de auto verkocht aan [naam kennis 1] , een kennis van [slachtoffer 2] , waarna de auto in juni 2003 naar Roemenië werd getransporteerd voor reparatie. Op 17 oktober 2003 werd de auto in Roemenië op naam van [slachtoffer 2] geregistreerd. Na een uitvoerige reparatie reed [slachtoffer 2] samen met haar broer [naam broer] op 5 november 2004 met de auto vanuit Roemenië naar Nederland. [slachtoffer 2] is op 6 november 2004 naar verdachte gereden, die, naar eigen zeggen, de auto op 7 november 2004 voor haar zou hebben uitgeparkeerd. Ten slotte is de auto op 22 november 2004 aangetroffen in de Johan Coussetstraat in Amsterdam.39

In het dossier is alleen verdachte bekend geworden als degene die in contact heeft gestaan met zowel [slachtoffer 3] , als de auto van [slachtoffer 2] .

3.3.2.5 Conclusies ten aanzien van de bevindingen

Tussen het overlijden van [slachtoffer 3] en het aantreffen van haar bloedspoor op de achterbank van de auto van [slachtoffer 2] , ligt een periode van ruim anderhalf jaar. De rechtbank kan echter niet vaststellen op welk moment in deze periode het aangetroffen bloedspoor in de auto is achtergelaten. Daarbij is van belang dat er niet kan worden vastgesteld dat de auto, toen deze werd getransporteerd naar Roemenië, volledig schoon was, omdat meerdere getuigen hebben verklaard dat er glas in de auto lag ten tijde van aankomst in Roemenië.40 Daardoor kan niet worden uitgesloten dat het bloedspoor reeds aanwezig was in de auto ten tijde van het transport naar Roemenië in juni 2003. De rechtbank kan om deze reden dan ook niet tot de conclusie komen dat het bloedspoor uit 2004 gerelateerd is aan het delict waardoor [slachtoffer 3] in april 2003 om het leven is gekomen. De aangetroffen botanische deeltjes maken dit niet anders, omdat deze deeltjes afkomstig zijn van een plantensoort die door heel Nederland voorkomt.

De rechtbank kan evenmin vaststellen op welke wijze (direct of via secundaire overdracht) het bloedspoor op de achterbank terecht is gekomen. Daardoor kan de rechtbank ook niet vaststellen door wie het bloedspoor op de achterbank is achtergelaten.

Zelfs als de rechtbank ervan uit zou gaan dat het verdachte is geweest die het bloedspoor van [slachtoffer 3] in november 2004 in de auto van [slachtoffer 2] heeft achtergelaten, dan nog dwingt dat niet tot de conclusie dat dit bloed afkomstig moet zijn geweest van het geweld waardoor [slachtoffer 3] in de nacht van 26 op 27 april 2003 om het leven is gekomen. Daarvoor zijn te veel onzekere factoren aanwezig.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 3] .

De rechtbank realiseert zich dat dit voor de nabestaanden van [slachtoffer 3] een onbevredigende uitkomst moet zijn, vooral omdat zij, zelfs na meer dan zestien jaar, nog steeds geen helderheid hebben over wat er met hun geliefde dochter, zus en vriendin is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk is. Zij hebben in hun gezamenlijke slachtofferverklaring helder verwoord wat het verlies van [slachtoffer 3] met hen heeft gedaan. De rechtbank wil dan ook in geen geval afbreuk doen aan het leed dat hen is toegebracht. De rechtbank heeft echter op grond van het dossier geen bewijs dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 3] om het leven heeft gebracht en dat betekent dat de rechtbank verdachte moet vrijspreken.

3.3.2.6 Conclusie inzake [slachtoffer 3]

Omdat de rechtbank niet kan bewijzen dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 3] , zal hij worden vrijgesproken van het in zaak B primair en subsidiair ten laste gelegde. De vordering tot gevangenneming zal daarom worden afgewezen.

3.3.3

De zaak van [slachtoffer 2]

3.3.3.1 Tijdlijn [slachtoffer 2]

De rechtbank zal aan de hand van een tijdlijn de laatste dagen van het leven van [slachtoffer 2] reconstrueren en mede aan de hand daarvan beoordelen of verdachte betrokken is geweest bij haar overlijden. De rechtbank gaat daarbij op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.41

5 november 2004 – [slachtoffer 2] komt aan in Nederland vanuit Roemenië

In de avond komt [slachtoffer 2] , samen met haar broer [naam broer] , rond 22:00 uur aan in Amsterdam. Zij zijn met haar auto, een Daewoo Kalos, vanuit Roemenië naar Nederland gereden.42 [slachtoffer 2] wordt afgezet in de Rijnstraat, waar zij met [naam 8] heeft afgesproken.43 [naam 8] heeft verklaard dat hij een paar keer met [slachtoffer 2] heeft gewerkt door haar naar enkele rijke klanten te brengen, met wie zij seks had tegen betaling.44

6 november 2004 – [slachtoffer 2] bezoekt verschillende personen, waaronder verdachte

Omstreeks 00:00 uur wordt [slachtoffer 2] door [naam 8] afgezet bij [naam 9] , bij wie zij verblijft en waar zij zich even opfrist.45 Vervolgens wordt zij door [naam 8] naar een escortklant genaamd [naam 10]46 gebracht, waar zij enkele uren blijft.47 Hier wordt zij ook weer opgehaald, waarna zij enige tijd rondrijdt met [naam 8] , die haar rond 05:00 uur afzet bij [naam 9] .48 [naam 9] heeft hierover verklaard dat hij op [slachtoffer 2] heeft gelegen en dat zij hebben geknuffeld, waarbij hij is klaargekomen.49

[naam 9] heeft weliswaar in zijn verhoor bij de rechter-commissaris in 2018 ontkend seks te hebben gehad met [slachtoffer 2] , maar de rechtbank hecht aan die verklaring geen geloof, gelet op het feit dat hij zowel in 200450, als in 201751 heeft verklaard over seksuele handelingen met haar en gelet op het feit dat er sperma van hem in haar onderbroek is aangetroffen.52

In de middag haalt [slachtoffer 2] haar auto op bij haar oom, [naam oom] .53 Ook maakt zij telefonisch een afspraak met haar vriendin [naam viendin] om elkaar zondagochtend te treffen voordat [naam viendin] naar de kerk zou gaan.54

Gedurende de dag heeft [slachtoffer 2] ook telefonisch contact gehad met verdachte. Zij hebben afgesproken elkaar die avond te ontmoeten.55

Rond 18:00 uur heeft [slachtoffer 2] een kennis ontmoet, [naam kennis 2] , bij wie zij heeft gegeten. Met [naam kennis 2] maakt zij ook een afspraak om bij haar op zondagochtend om 10:00 uur een calciumprik te krijgen.56 Vervolgens gaat [slachtoffer 2] naar [naam 9] , waar zij rond 20:00 uur arriveert.57

Om 21:00 uur vertrekt [slachtoffer 2] vanaf de woning van [naam 9] om naar ene ‘ [verdachte] ’ in Amsterdam-Noord te gaan.58 De rechtbank stelt vast dat dit verdachte is. Omstreeks 21:30 uur komt zij aan bij de woning van verdachte. Hier drinken zij wat en zij hebben seks met elkaar. Verdachte heeft die avond ook cocaïne gebruikt.59

7 november 2004 – [slachtoffer 2] verschijnt niet op haar afspraken

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] om 08:00 uur is opgestaan en dat zij zijn woning om 12:00 uur heeft verlaten, waarbij hij haar auto voor haar heeft uitgeparkeerd.

Omstreeks 10:00 uur belt [naam viendin] aan bij [naam 9] voor haar afspraak met [slachtoffer 2] , die zij de vorige dag hebben gemaakt. [slachtoffer 2] is echter niet thuis en [naam 9] weet niet beter dan dat zij nog steeds bij verdachte is. Vervolgens probeert [naam 9] [slachtoffer 2] te bellen, maar haar telefoon staat uit.60 Ook [naam 8] probeert haar te bellen, maar hij krijgt evenmin contact.61

[slachtoffer 2] is ook niet op de afspraak bij [naam kennis 2] gekomen voor haar calciumprik. [naam kennis 2] wacht tot 11:00 uur en belt [slachtoffer 2] dan meerdere keren en ook zij komt erachter dat haar telefoon uit staat.62

Ook proberen [naam broer] [slachtoffer 2] en [naam oom] nog contact met [slachtoffer 2] te krijgen, omdat zij in de veronderstelling waren dat zij een afspraak hadden met haar om naar de vlooienmarkt te gaan. Zij zouden daar op zondagochtend nog contact over hebben met elkaar. Ondanks dat zij die ochtend en de dagen erna veelvuldig hebben geprobeerd haar te bellen, krijgen zij geen contact.63

Geen van de gehoorde getuigen heeft [slachtoffer 2] meer levend gezien of gesproken.

8 november 2004 – De woning van verdachte is ‘een rotzooi’

Een ex van verdachte, [naam ex 2] , heeft verklaard dat zij waarschijnlijk op maandag 8 november 2004 in de woning van verdachte is geweest. Zij heeft hierover verklaard dat de woning een rotzooi was geworden. Het was er vies en het stonk er naar rottend vlees. Er lag opgerolde vloerbedekking, die eerder in de slaapkamer had gelegen, en op de muren van de slaapkamer zaten grote vlekken. De houten vloer lag er nog wel in. Ook stonden er grijze vuilniszakken op het balkon. Verdachte heeft tegen [naam ex 2] gezegd dat hij een paar dagen niet thuis was geweest en dat zijn woning binnenkort zou worden ontruimd, waardoor hij spullen weg moest gooien.64

De periode van 2-10 november 2004 – De lekkende vuilniszakken

Verschillende buurtgenoten hebben verklaard dat verdachte in de week van 2-10 november 2004 lekkende vuilniszakken door het trappenhuis van het appartementencomplex aan het [naam compex] naar buiten heeft gebracht. Het trappenhuis stonk enorm. Verdachte heeft tegen hen gezegd dat enkele vuilniszakken hadden gelekt. Ook heeft hij het trappenhuis gedweild, wat voor zijn doen ongewoon was.65

10 november 2004 – Het aantreffen van de vuilniszakken bij de Wamelstraat

Op 10 november 2004 doen [naam broer] en [naam oom] melding van de vermissing van [slachtoffer 2] . Zij was zaterdag 6 november 2004 naar ene ‘ [verdachte] ’ gegaan., Sinds zondag 7 november 2004 is zij, net als haar auto, verdwenen. Op 11 november heeft [naam oom] gemeld aan de politie dat hij de dag daarvoor is langs geweest bij verdachte. Verdachte had hem verteld dat [slachtoffer 2] zaterdag op zondagnacht bij hem heeft geslapen en dat zij zondagmiddag met haar auto is vertrokken.66

Op 10 november 2004 treft [naam 11] meerdere grijze vuilniszakken aan in de bosjes bij de Wamelstraat. Na dit te hebben gemeld bij de gemeente, krijgt hij te horen dat de milieupolitie de zakken zal opruimen.67

12 november 2004 – De vuilniszakken liggen nog steeds in de bosjes

[naam 11] is weer in de Wamelstraat en ziet dat de vuilniszakken nog niet zijn opgeruimd.68

15 november 2004 – Het aantreffen van het lichaam van [slachtoffer 2] in de vuilniszakken

Op 15 november zijn [naam 12] en [naam 13] van de Milieupolitie aanwezig op de Wamelstraat in verband met een klacht. Na afhandeling van deze klacht ziet [naam 12] per toeval enkele grijze vuilniszakken liggen. Als [naam 12] een van de zakken heeft geopend, treft hij het stoffelijk overschot aan van een vrouw.69 Deze vrouw wordt in het mortuarium door haar familieleden herkend als [slachtoffer 2] .70

Gelet op de verklaringen van [naam 11] gaat de rechtbank ervan uit dat de vuilniszakken met daarin het lichaam van [slachtoffer 2] sinds 10 november 2004 in de bosjes bij de Wamelstraat hebben gelegen.

17 november 2004 – De woning van verdachte wordt ontruimd en onderzocht

De woning van verdachte is op 17 november 2004 in de ochtend ontruimd in verband met een huurachterstand. Een politieagent, die samen met de deurwaarder daarbij aanwezig is, treft een rommelige en vieze woning aan. De badkamer is deels rood geschilderd. Nadat verdachte enkele spullen heeft opgehaald, is de woning volledig leeggeruimd. Een gedeelte van de inboedel was geschikt voor opslag, maar de overige goederen, waaronder de stoffering van de woning, zouden als grofvuil worden afgevoerd.71

Later die dag is de zojuist ontruimde woning van verdachte onderzocht door de politie. In de woonkamer, de hal en de keuken wordt een plankenvloer aangetroffen, de slaapkamers zijn slechts voorzien van de oorspronkelijke betonvloer.72

Getuige [naam ex 2] heeft verklaard dat tijdens haar bezoek, waarschijnlijk op 8 november 2004, het tapijt van de slaapkamer eruit was gehaald en ergens opgerold in de woning lag.73

22 november 2004 – De auto van [slachtoffer 2] wordt aangetroffen in Diemen

In de ochtend van 22 november 2004 wordt de auto van [slachtoffer 2] aangetroffen op de Johan Coussetstraat in Diemen.74

3.3.3.2 De forensische bevindingen

Hoe is [slachtoffer 2] om het leven gekomen?

Op 16 november 2004 is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 2] . Er zijn diverse letsels geconstateerd, zoals meerdere ruwrandige huidscheuren met weefselbruggetjes en bloeduitstortingen op het hoofd en in het gezicht, een gebroken onderkaak, een gebroken neus en een ingescheurde bovenlip. Al deze letsels zijn bij leven ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld. Bovendien waren er bloeduitstortingen in de hals en in de mondbodem. Ook deze letsels zijn bij leven ontstaan en waren het gevolg van de inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals, zoals bij bijvoorbeeld wurging, en kunnen het overlijden volledig verklaren door verstikking.75

De rechtbank stelt op grond van deze bevindingen vast dat de dader geweld heeft toegepast op het hoofd en in het gelaat van [slachtoffer 2] en haar hals heeft dichtgedrukt, waarna zij door verstikking is overleden.

Waar is [slachtoffer 2] om het leven gekomen?

Op 17 november 2004 is de woning van verdachte aan het [naam compex] met diverse bloeddetectietechnieken onderzocht, waarbij geen bloed werd aangetroffen.76

In 2017 is de woning, waaronder de gehele badkamer77, nogmaals middels een Lumiscene-onderzoek onderzocht.78 Op verschillende plekken in de woning werden bloedsporen aangetroffen, maar deze konden niet in verband worden gebracht met de dood van [slachtoffer 2] .79

Dat er geen bloedsporen van [slachtoffer 2] in de woning van verdachte zijn aangetroffen sluit niet uit dat zij in de woning is overleden. [slachtoffer 2] is immers door verstikking om het leven gebracht en deze vorm van overlijden gaat (in beginsel) niet gepaard met (verlies van) bloed. Alhoewel uit de schouw blijkt dat [slachtoffer 2] bij leven verwond is geraakt aan haar hoofd, is het niet uitgesloten dat eventuele bloedsporen van dit geweld in de woning zijn gewist en daarom bij het forensische onderzoek niet meer zijn gevonden.

De rechtbank kan op grond van de forensische bevindingen niet vaststellen dat het lichaam van [slachtoffer 2] in de woning van verdachte in stukken is gedeeld en/of in vuilniszakken is verpakt.

Wanneer is [slachtoffer 2] om het leven gekomen?

In 2005 is onderzoek gedaan naar de postmortale periode, ook wel postmortale tijd genoemd (PMT). Dit ziet op de periode tussen het overlijden en de sectie. Op grond van de concentratie kalium in glasvocht wordt de PMT geschat tussen 43 en 153 uur (gemiddeld 110 uur). Op grond van de concentratie hypoxanthine wordt de PMT geschat tussen 67 en 191 uur (gemiddeld 133 uur). Bij de interpretatie van deze getallen moet expliciet rekening worden gehouden met het gegeven dat de omgevingstemperatuur waarbij de lichaamsdelen na het overlijden zijn bewaard, de mate van toename van de concentraties kalium en

hypoxanthine de PMT kunnen beïnvloeden. Ook kan zuurstoftekort vlak voor overlijden de concentratie hypoxanthine in glasvocht beïnvloeden. Het is onbekend welke invloed het feit dat [slachtoffer 2] in delen is teruggevonden heeft op de concentraties hypoxanthine en kalium in relatie tot de PMT. Om deze redenen kan de feitelijke PMT volgens de deskundige dan ook afwijken van geschatte PMT.80 In 2017 is door een forensisch arts onderzoek gedaan naar de PMT aan de hand van de foto’s van het lichaam van [slachtoffer 2] die tijdens de gerechtelijke sectie zijn gemaakt. Uit dit onderzoek komt naar voren dat ten tijde van de sectie op 16 november 2004 nauwelijks postmortale veranderingen worden gezien, wat past bij een korte postmortale tijd. Niet kon worden vastgesteld of na het overlijden conserverende maatregelen zijn genomen (zoals het plaatsen in een koeling) om ontbinding te vertragen. Wel is gekeken naar de buitentemperatuur vanaf 10 tot en met 15 november 2004, waaruit een gemiddelde omgevingstemperatuur naar voren komt van 6,1°C. Concluderend wordt gesteld dat, indien het lichaam direct na overlijden in delen is gekliefd en de lichaamsdelen op de plaats zijn gedeponeerd waar zij zijn gevonden, gezien de omgevingstemperatuur, de postmortale termijn wordt geschat op maximaal circa enkele dagen.81

Door de verdediging is aangevoerd dat de berekende PMT verdachte uitsluit als dader. Uit het onderzoek uit 2005 komt namelijk een maximale PMT van 191 uur naar voren. Gelet op het moment van sectie op 16 november 2004, zou dit betekenen dat [slachtoffer 2] uiterlijk acht dagen daarvoor, op maandag 8 november 2004, om het leven zou moeten zijn gekomen. Bovendien werd de PMT in 2017 geschat op ‘maximaal circa enkele dagen’. Dit zou, in de visie van de verdediging, verdachte dan ook uitsluiten als dader, omdat zij om het leven moet zijn gekomen op een later tijdstip dan dat zij de woning van verdachte heeft verlaten.

De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het lichaam van [slachtoffer 2] bevond zich in elk geval vanaf 10 november 2004 in de buitenlucht bij een koele omgevingstemperatuur. Niet kan worden vastgesteld wat er met het lichaam is gebeurd voorafgaand aan 10 november 2004 en hoe het is bewaard. De onderzoeken naar de PMT worden dan ook gemankeerd door een gebrek aan informatie, wat zich uit in diverse aannames en voorbehouden die door de deskundigen ten aanzien van de conclusies worden gemaakt. Hierbij komt dat het onderzoek in 2017 slechts kon worden verricht op grond van de schriftelijke documentatie van onderzoeken uit 2004, in plaats van het originele onderzoeksmateriaal, in het bijzonder het lichaam van [slachtoffer 2] . Vastgesteld wordt dat de geschatte PMT in 2017 van ‘maximaal circa enkele dagen’ niet juist kan zijn omdat de sectie op 16 november 2004 plaatshad en (de vuilniszakken met daarin) het lichaam op 10 november 2004 voor het eerst zijn gesignaleerd. De rechtbank komt alles overwegend, gelet op de geschatte PMT in 2005 en 2017, alsmede de voorbehouden en aannames waaronder de PMT is berekend, tot de conclusie dat op basis van de PMT niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer 2] in de nacht van 6 op 7 november 2004 om het leven is gebracht.

Op welke wijze is het lichaam van [slachtoffer 2] in stukken gedeeld?

Uit forensisch onderzoek in 2017 is gebleken dat de botdelen van het lichaam van [slachtoffer 2] zijn gedeeld door middel van zagen. Volgens de onderzoekers zijn hun bevindingen waarschijnlijker bij het gebruik van een machinaal aangedreven zaag dan bij het gebruik van een handzaag. Gezien alle waarnemingen is het mogelijk dat de zaagvlakken zijn ontstaan door het gebruik van een lintzaag.82 Verder is het aannemelijk dat de verwijdering van de dunne en dikke darm, net als de linker nier en bijnier heeft plaatsgevonden door snijden met een scherprandig voorwerp.83

De verdediging heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is dat verdachte het lichaam in stukken heeft gedeeld. De lintzaag die daarbij zou zijn gebruikt, is namelijk een grote machine die verdachte niet tot zijn beschikking had en die hij niet zomaar thuis zou kunnen gebruiken, omdat dit dan wel zou zijn gemerkt door de buurtbewoners.

De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staan dat het lichaam van [slachtoffer 2] in de woning van verdachte in stukken is gedeeld. De klieving van het lichaam kan op een andere locatie hebben plaatsgevonden. Gelet op het ontbreken van aanmerkelijke bloedsporen in die woning is dat ook waarschijnlijker. Dat buurtbewoners geen melding hebben gemaakt van zaaggeluiden, is dan ook niet aan te merken als ontlastend voor verdachte. Daarnaast hebben de deskundigen ook niet gerapporteerd dat het lichaam is gedeeld met een lintzaag, maar dat dit “mogelijk” is. Een en ander sluit verdachte dan ook niet uit als dader.

Het DNA-mengprofiel op de knoop van een vuilniszak

In 2016 zijn de sporen die zijn veiliggesteld op onder andere de gereconstrueerde buitenkant van een knoop van een vuilniszak waarin [slachtoffer 2] is aangetroffen opnieuw onderzocht. Op één daarvan (AAHU5580NL#03) is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Uit het onderzoek komt naar voren dat de bevindingen van dit mengprofiel circa vijfduizend keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer [slachtoffer 2] , verdachte en één of twee willekeurige onbekende personen, dan dat sprake zou zijn van celmateriaal van [slachtoffer 2] en twee of drie willekeurige onbekende personen.84 Dit getal van 5.000 wordt ook wel de Likelihood Ratio genoemd (LR). In zijn verhoor bij de rechter-commissaris van 9 maart 2018 heeft de deskundige J.L.W. Dieltjes, die het onderzoek heeft verricht, aanvullend verklaard dat het NFI sinds 2016 de rekenmethoden heeft vernieuwd en verbeterd. De LR zou met deze nieuwe methoden in het meest conservatieve geval stijgen naar 45.000 tot 100.000.85 Bovendien ontbreekt in de bemonstering slechts één kenmerk van het DNA van verdachte. Dit is wetenschappelijk te verklaren vanwege de lengte van dit kenmerk en het feit dat afbraak sneller plaatsvindt, naarmate een kenmerk langer is.86

Het spoor op de knoop (AAHU5580NL#03) is in 2018 nogmaals onderzocht met behulp van een nieuwe, geavanceerde DNA-techniek, die Massive Parallel Sequencing (MPS) wordt genoemd. Ten aanzien van het met deze techniek vastgestelde DNA-mengprofiel is een waarschijnlijkheidsberekening uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat de bevindingen 39.000 keer waarschijnlijker zijn als de complexe MPS-DNA-mengprofielen worden verklaard door het DNA van verdachte, [slachtoffer 2] en een onbekende persoon, dan dat het gaat om DNA van [slachtoffer 2] en twee onbekende personen.87

De in de verschillende onderzoeken vastgestelde Likelihood Ratios zijn dusdanig hoog dat dit de rechtbank, mede in combinatie met het gegeven dat verdachte en [slachtoffer 2] op 6/7 november 2004 fysiek contact met elkaar hebben gehad, de rechtbank tot de conclusie leidt dat verdachte een van de donoren is van het DNA-materiaal op de buitenkant van deze knoop van de vuilniszak.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of dit DNA-materiaal als daderspoor is aan te merken of dat het door overdracht op de betreffende knoop terecht kan zijn gekomen.

Nader onderzoek naar DNA op bronniveau?

De verdediging heeft haar eerdere verzoek, kort gezegd om de onderzoeksresultaten van deskundigen Dieltjes en De Knijff door een derde deskundige te laten beoordelen, ter terechtzitting herhaald. De rechtbank wijst dit verzoek af, op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van de pro forma zittingen van 29 mei 2019 en 5 juni 2019.

De volgorde van de vuilniszakken

In 2017 is onderzoek verricht naar de verschillende vuilniszakken waarin het lichaam van [slachtoffer 2] werd aangetroffen. Op de plaats delict werden vijf vuilniszakken aangetroffen, die allemaal in meerdere vuilniszakken waren verpakt. In totaal was sprake van zestien vuilniszakken. Uit zogeheten ‘souche-onderzoek’ is naar voren gekomen dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de vuilniszakken oorspronkelijk één geheel (een souche) hebben gevormd, dan dat dat niet het geval is geweest. Daarbij is gekeken naar de productiekenmerken, namelijk de verlopende bedrukking, de om en om overeenkomende kartelranden, de om en om gelijke afstand tussen de aangegeven blokken van de bedrukking en hun posities ten opzichte van de scheidingen. Op basis van deze productiekenmerken is bepaald in welke volgorde de vuilniszakken een aaneensluitende reeks vormen.88 Uit de eerder genoemde DNA-onderzoeken van 2016 en 2017 kan worden afgeleid dat het DNA-materiaal, waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte een van de donoren is, is aangetroffen op een van de middelste vuilniszakken, namelijk de achtste in een reeks van zestien.

Het DNA-spoor op de broek van [slachtoffer 2]

Op (de onderste delen van) de spijkerbroek van [slachtoffer 2] is eveneens DNA-materiaal aangetroffen en vervolgens onderzocht. De bevindingen van het DNA-onderzoek zijn 29 miljoen keer waarschijnlijker onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer 2] , verdachte en één willekeurige onbekende persoon, dan dat sprake zou zijn van celmateriaal van [slachtoffer 2] en twee willekeurige onbekende personen.89 Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat met voldoende zekerheid vaststaat dat verdachte donor is geweest van het DNA-materiaal op (de onderste delen van) de spijkerbroek van [slachtoffer 2] .

De mogelijkheid van secundaire/tertiaire overdracht

De verdediging heeft als alternatief scenario naar voren gebracht dat het celmateriaal van verdachte dat is aangetroffen op de knoop van de vuilniszak, eerder op het lichaam/de kleding van [slachtoffer 2] aanwezig is geweest als gevolg van het eerdere (seksuele) contact tussen haar en verdachte. Op het moment dat de lichaamsdelen in de zak(ken) zijn geplaatst, zijn de sporen van het lichaam van [slachtoffer 2] via tussenkomt van de dader –niet zijnde verdachte – door secundaire/tertiaire overdracht op deze knoop terecht gekomen. Anders gezegd: het DNA van verdachte is niet aan te merken als een daderspoor.

De rechtbank overweegt dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van een DNA-onderzoek op activiteitenniveau, oftewel een onderzoek naar de vraag hoe het DNA-spoor op de knoop van de vuilniszak terecht is gekomen. Dit bleek niet mogelijk, omdat de te onderzoeken scenario’s door het Openbaar Ministerie en de verdediging niet voldoende konden worden ingevuld, wegens een gebrek aan concrete informatie. De rechtbank kan dan ook, bij gebrek aan een dergelijk onderzoek, slechts onderzoeken in hoeverre dit scenario aannemelijk is. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

De verdediging heeft in haar pleidooi een notitie van het NFI met de titel ‘Secundaire (indirecte) DNA overdracht’ aangehaald. Uit deze notitie blijkt onder meer de invloed van tussentijdse handelingen op de secundaire overdracht van DNA. Naarmate er meer tussenstappen zijn tussen de eerste overdracht van DNA van een persoon en het voorwerp wordt de kans (veel) kleiner dat er DNA van de persoon (in dit geval verdachte) wordt aangetroffen op het voorwerp (in dit geval de knoop van de vuilniszak). Bij elke tussenstap gaat namelijk DNA verloren.90

Het scenario van de verdediging komt – kort gezegd – op het volgende neer: [slachtoffer 2] heeft in de nacht van 6 op 7 november 2004 seks gehad met verdachte, waardoor zijn DNA op haar broek/lichaam terecht is gekomen. Op 7 november 2004 is zij om 08:00 uur opgestaan, waarna zij om 12:00 uur de woning van verdachte heeft verlaten. Verdachte heeft haar auto uitgeparkeerd en [slachtoffer 2] is weggereden. Ergens in de daaropvolgende periode is zij door iemand, niet zijnde verdachte, om het leven gebracht, haar lichaam gedeeld en verpakt in vuilniszakken, waarbij het DNA van verdachte door deze onbekende direct of indirect is achtergelaten op de knoop van de vuilniszak.

De rechtbank overweegt dat het in dit scenario niet anders kan zijn dan dat zich meerdere tussentijdse handelingen hebben voorgedaan nadat het DNA van verdachte op de broek en het lichaam van [slachtoffer 2] terecht is gekomen. Door deze handelingen moet dan ook DNA van verdachte verloren zijn gegaan. Zelfs als [slachtoffer 2] na haar vertrek bij verdachte rechtstreeks naar de dader is gereden, daar direct om het leven is gebracht en meteen in vuilniszakken is verpakt, dan nog kunnen meerdere tussentijdse handelingen worden vastgesteld waarbij DNA van verdachte verloren zou moeten zijn gegaan. In het scenario van de verdediging heeft [slachtoffer 2] ’s ochtends haar broek, met daarop DNA van verdachte, aangetrokken, is in haar auto gestapt en is gaan rijden, waarna zij ook weer uit is gestapt. Dan zijn er ten minste nog de daaropvolgende handelingen die tot haar dood én vervolgens het delen van haar lichaam hebben geleid. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het DNA van verdachte, dat zich na het seksuele contact nog op de broek/het lichaam van [slachtoffer 2] zou bevinden, nog in een zodanige grote mate aanwezig is geweest dat het vervolgens door (toedoen van) de dader kon worden achtergelaten op de vuilniszak.

Alles overwegend komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat het DNA-spoor op de knoop van de vuilniszak door verdachte is achtergelaten en dus kan worden aangemerkt als een daderspoor.

Andere mogelijke daders en hun DNA

De verdediging heeft diverse mogelijke andere daders aangewezen, zoals de getuigen [naam 9] , [naam 10] , [naam 14] of een onbekende derde. Ten aanzien van deze veronderstelde verdachten overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat vele betrokkenen in het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 2] vrijwillig DNA hebben afgestaan. Geen van deze 28 personen91 heeft echter een relevante match opgeleverd.

[naam 9] heeft al in een vroeg stadium van het onderzoek zijn DNA afgestaan. Zijn DNA is ook naar voren gekomen in het onderzoek, maar dan alleen met betrekking tot bepaalde sporen die expliciet duiden op seksueel contact. Dat sprake is geweest van seksueel contact tussen [slachtoffer 2] en [naam 9] staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf, maar dit levert nog niet een vermoeden van daderschap op. Ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat er een bloedspoor van [naam 9] op de onderbroek van [slachtoffer 2] is aangetroffen. Dit bloedspoor kan daar immers op zijn gekomen tijdens het seksuele contact tussen hen.

[naam 10] verblijft inmiddels in de Verenigde Staten en heeft toegegeven dat [slachtoffer 2] de avond van 6 november 2004 bij hem is geweest. Zij hebben seks gehad. Hij was echter niet bereid vrijwillig zijn DNA af te staan ten behoeve van het DNA-onderzoek en wilde, ondanks meerdere verzoeken daartoe, geen verklaring afleggen, tenzij hem immuniteit werd beloofd. De verdediging heeft aangevoerd dat dit gedrag te denken geeft. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat [slachtoffer 2] op enig moment, na haar vermeende vertrek bij verdachte op 7 november 2004 omstreeks 12:00 uur, nog bij [naam 10] is geweest. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat [naam 10] heeft verklaard dat hij enkel door tussenkomst van [naam 8] met [slachtoffer 2] in contact kwam92, iets wat door [naam 8] is bevestigd.93

Alhoewel diverse getuigen hebben verklaard dat [naam 14] ruzie zou hebben met [slachtoffer 2] , bevindt zich in het dossier geen enkel aanknopingspunt dat zij in deze periode contact met elkaar hebben gehad, laat staan dat zij betrokken zou zijn bij haar verdwijning en overlijden. [naam 14] kan dan ook redelijkerwijs niet worden aangemerkt als mogelijke dader.

Ten slotte heeft de rechtbank de mogelijkheid van een onbekende derde in ogenschouw genomen. Hiertoe heeft de verdediging onder andere gewezen op mogelijke daders uit het drugsmilieu, de prostitutie of zelfs organenhandel. Weliswaar was [slachtoffer 2] actief als prostituee, maar uitgebreid onderzoek naar haar klanten en het omringende milieu heeft niet geleid tot een concrete verdenking tegen een dergelijk persoon. Ook een mogelijke dader uit het drugsmilieu lijkt uit de lucht gegrepen, nu uit niets is gebleken dat [slachtoffer 2] zich in dat milieu heeft begeven. Het enkele feit dat zij zelf haar eigen tas wilde dragen (zoals [naam 8] heeft verklaard) werpt daarop geen ander licht. Ten slotte lijkt de stelling van de verdediging dat de organen van [slachtoffer 2] zouden zijn verkocht volledig uit de lucht gegrepen. Weliswaar ontbraken de dikke en de dunne darm, alsmede de linker nier en de bijnier, maar dit rechtvaardigt op zichzelf nimmer de conclusie dat zij om het leven moet zijn gebracht, zodat haar organen konden worden verkocht.

De rechtbank concludeert dan ook dat een andere mogelijke dader niet uit het dossier naar voren is gekomen.

3.3.3.3 De betrokkenheid van verdachte

De rechtbank stelt vast dat verdachte de laatste is geweest die [slachtoffer 2] bij leven heeft gezien. Zij zou volgens verdachte op 7 november 2004 om 08:00 uur zijn opgestaan, maar niet eerder dan 12:00 uur zijn vertrokken. Uit het dossier is gebleken dat zij rond 10:00 uur met meerdere personen had afgesproken. [slachtoffer 2] heeft niet één van al deze personen iets laten weten. Zij was deze ochtend ook niet bereikbaar, terwijl zij volgens mensen uit haar omgeving over het algemeen juist onafscheidelijk was van haar telefoon en ook punctueel in het nakomen van afspraken.94 Verdachte heeft verklaard dat hij tot ongeveer 12:00 uur heeft geslapen. Niet valt te begrijpen dat [slachtoffer 2] met het oog op haar afspraken geen pogingen zou hebben ondernomen hen te bellen, verdachte te wekken en/of eigener beweging weg te gaan. Als het al zo zou zijn dat de batterij van haar telefoon leeg was dan ligt het meer in lijn van de verwachtingen dat zij dan weg zou zijn gegaan in plaats van bij een slapende persoon te blijven zonder iets te doen om de situatie op te lossen. Ook had zij zonder hulp van verdachte weg kunnen rijden. Verdachte kon volgens eigen zeggen uitparkeren, niet valt in te zien dat [slachtoffer 2] dat niet zelf had gekund. Na de avond van 6 november 2004 is [slachtoffer 2] in elk geval door geen van de gehoorde getuigen meer in leven gezien. De verklaring van verdachte over de ochtend van 7 november 2004 acht de rechtbank om de eerdergenoemde redenen niet geloofwaardig.

Op 15 november 2004 werd het lichaam van [slachtoffer 2] , verpakt in verschillende vuilniszakken, aangetroffen in de bosjes van de Wamelstraat. Deze vuilniszakken stonden daar sinds 10 november 2004.

Wegens een gebrek aan forensische sporen in de woning van verdachte kan niet worden vastgesteld dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] in de woning van verdachte is gedeeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat verdachte met haar lichaamsdelen in vuilniszakken door het trappenhuis heeft gelopen. Dit betekent echter niet dat op grond daarvan moet worden uitgesloten dat zij in de nacht van 6 op 7 november 2004 in de woning van verdachte om het leven is gebracht.

Op de knoop van een van de vuilniszakken waarin het lichaam van [slachtoffer 2] was verpakt is een DNA-mengprofiel aangetroffen, bestaande uit het DNA van [slachtoffer 2] , verdachte en een onbekende derde. Deze vuilniszak was de achtste in een reeks van zestien aaneengesloten vuilniszakken. De rechtbank heeft de mogelijkheid van secundaire overdracht uitvoerig bestudeerd, maar dat het DNA van verdachte daar op die manier terecht is gekomen is niet aannemelijk gebleken. Het spoor is door de rechtbank dan ook aangemerkt als een daderspoor.

Weliswaar betrof het een mengprofiel waar ook DNA van een onbekende derde in is aangetroffen, maar de rechtbank heeft meerdere scenario’s onderzocht en vastgesteld dat niemand anders redelijkerwijs kan worden aangemerkt als (mogelijke) dader. Hierbij moet worden opgemerkt dat het Openbaar Ministerie hier uitgebreid en veelvuldig onderzoek naar heeft gedaan, onder meer door DNA-afname van vele betrokkenen in het onderzoek, maar dat dit niet tot enige concrete andere verdachte(n) heeft geleid.

De rechtbank acht dan ook, alles overwegende, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte verantwoordelijk is geweest voor de dood van [slachtoffer 2] . In de nacht van 6 op 7 november 2004 heeft hij geweld tegen haar gebruikt en heeft hij haar keel dichtgedrukt met als gevolg dat zij door verstikking om het leven is gekomen. Vervolgens heeft hij haar lichaam in stukken gedeeld, in vuilniszakken gestopt en in de bosjes bij de Wamelstraat geplaatst.

3.3.3.4 Ten aanzien van de voorbedachte raad en het (voorwaardelijk) opzet

Uit niets blijkt dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. De voorbedachte raad, en daarmee de moord op [slachtoffer 2] , is dan ook niet bewezen.

Vervolgens is het de vraag of verdachte voornoemd geweld heeft toegepast met het opzet om [slachtoffer 2] om het leven te brengen. De rechtbank kan bij het vaststellen van de intenties van verdachte niet afgaan op zijn verklaring, omdat hij alles ontkent. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank ‘vol’ opzet kan bewijzen.

Ten aanzien van het opzet in voorwaardelijke zin overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer 2] – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, het toegepaste geweld op haar hoofd en in het bijzonder het dichtdrukken van de keel, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 2] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van enige aanwijzing voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken en verdachte heeft hier ook niets over verklaard.

3.3.3.5 Conclusie ten aanzien van [slachtoffer 2]

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte doodslag heeft gepleegd op [slachtoffer 2] , waarna hij haar lichaam in stukken heeft gedeeld en dit vervolgens heeft verpakt en weggezet. Het in zaak A onder 3. primair en 4. ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.3.4

Schakelbewijs?

De rechtbank heeft ten slotte overwogen of de bewezenverklaring van de feiten met betrekking tot [slachtoffer 2] van betekenis is voor de feiten met betrekking tot [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de rechtbank geconcludeerd dat het aannemelijk is dat zij niet meer in leven is. Er is echter, anders dan bij [slachtoffer 2] , geen lichaam aangetroffen en de oorzaak van het overlijden kan dan ook niet worden vastgesteld. Andere concrete sporen die zouden kunnen wijzen in de richting van een misdrijf, zoals een bloedspoor of een verdacht DNA-spoor, zijn evenmin aangetroffen. Weliswaar is sprake van bijzonder gedrag en opmerkelijke verklaringen van verdachte, maar daaruit kan geen betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] worden vastgesteld, temeer omdat niet is gebleken dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen.

Ten aanzien van [slachtoffer 3] herhaalt de rechtbank dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen, maar dat, anders dan bij [slachtoffer 2] , niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij dit misdrijf betrokken is geweest, of dat hij zelfs maar in de nacht van haar overlijden contact met haar heeft gehad.

Bovenstaande zaken verschillen dan ook wezenlijk van de zaak van [slachtoffer 2] , waarin

  1. is komen vast te staan dat verdachte de laatste is geweest die haar bij leven heeft gezien;

  2. een lichaam is aangetroffen;

  3. een misdrijf als doodsoorzaak kon worden vastgesteld;

  4. een DNA-spoor van verdachte is aangetroffen, wat hem ‘linkt’ aan het misdrijf.

Omdat de zaken zo verschillen van elkaar, kan de bewezenverklaring inzake [slachtoffer 2] dan ook geen rol spelen in de zaken van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] .

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.3 (de zaak van [slachtoffer 2] ) vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het in zaak A onder 3. primair ten laste gelegde:

omstreeks 7 november 2004 te Amsterdam [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] te wurgen/verstikken;

Ten aanzien van het in zaak A onder 4. ten laste gelegde:

op een tijdstip gelegen in de periode van 7 november 2004 tot en met 10 november 2004 te Amsterdam, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] , heeft weggevoerd en verborgen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft hij, verdachte, het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer 2] in stukken gesneden en gezaagd en vervolgens de lichaamsdelen in vuilniszakken verpakt en voornoemde vuilniszakken bij bosjes nabij/tegenover Wamelstraat [nummer] neergezet en achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar. Ook kan verdachte worden verweten dat hij deze feiten heeft gepleegd.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. en in zaak B primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd waarbij verdachte van overheidswege zal moeten worden verpleegd. Ten slotte kunnen de inbeslaggenomen goederen retour naar de rechthebbende(n) en de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de op te leggen straf de rechtbank verzocht rekening te houden met de excessieve media-aandacht, wat uiteindelijk er mede toe heeft geleid dat verdachte heeft geprobeerd zich van het leven te beroven. De omstandigheden van detentie waren bovendien heel zwaar, omdat verdachte na zijn suïcidepoging enige tijd is geobserveerd en hij zijn detentie heeft moeten ondergaan in een Huis van Bewaring, wat zwaarder is dan een gevangenis. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat de straffen die ten aanzien van een levensdelict werden opgelegd in de tijd dat [slachtoffer 2] om het leven is gekomen aanzienlijk lager waren dan in het huidige tijdsgewricht. Ten slotte heeft de verdediging zich verzet tegen oplegging van de TBS-maatregel.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum van 28 mei 2019. Dit rapport bestaat uit:

  • -

    een psychologisch onderzoek, opgemaakt door I.W.J. ten Post (onder supervisie van B.H. Boer);

  • -

    een psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door P.K.J. Ronhaar;

  • -

    een milieuonderzoek, opgemaakt door P. van der Meer;

  • -

    een verslag van de groepsobservatie, opgemaakt door A. Brouwer.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat in de persoonlijkheid van verdachte antisociale tendensen zichtbaar zijn. Deze antisociale tendens komt niet alleen naar voren in het testpsychologisch onderzoek, maar vanuit het milieuonderzoek valt eveneens een voorgeschiedenis van antisociaal gedrag op. Zowel op jonge, als op volwassen leeftijd lukt het verdachte niet om zich te conformeren aan sociale normen over wat volgens de wet is toegestaan. Diagnostisch gezien kan er gesproken worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte kan ook een voorkomend, sociaal persoon zijn, waarbij sprake is van wederkerigheid in het contact, hij makkelijk aansluiting vindt bij de groep en uit is op een goede verstandhouding. Er lijkt dan in ieder geval in enige mate sprake van aanwezige empathische vermogens en een functionerend geweten. Classificerend kan op basis van betrokkenes informatie, gecombineerd met de dossierinformatie, worden vastgesteld dat er sprake is van een stoornis in alcoholgebruik, in ernstige mate, en cocaïnegebruik, ten minste in lichte mate, welke beiden op dit moment in gedwongen remissie zijn. Het middelengebruik is in de laatste twintig jaar zo verweven geraakt met de persoonlijkheid van verdachte, dat het moeilijk te differentiëren is of er sprake is van een causaliteit waarbij het middelengebruik het gevolg is van de aanwezigheid van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, of dat het middelengebruik het antisociale gedrag van verdachte de afgelopen twintig jaar heeft versterkt. Wel kan geconcludeerd worden dat het één niet los gezien kan worden van het ander. Psychopathische trekken uiten zich met name in de impulsieve en onverantwoordelijke levensstijl van verdachte en in het antisociaal gedrag, dat overlapt met de antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De bevindingen tijdens het psychiatrisch onderzoek wijzen vooral in de richting van een persoonlijkheidsstoornis. Dit komt door de combinatie van de inhoudelijke beschrijving van zijn chaotische levensloop (samengevat: eigen baas, cafébezoek, veel drank, cocaïne en veel vrouwen en weinig stabiliteit) en door de manier waarop hij erover vertelt. Er schuilt daarin een zekere nonchalance, alsof hij weinig gehecht is en zich niet gemakkelijk verbindt met anderen. In zijn levensloop komt nadrukkelijk naar voren dat betrokkene opportunistisch is en uiteindelijk egocentrisch in het leven staat. Op enige afstand beschouwd maakt betrokkene de indruk van iemand die overleeft en tegelijkertijd moeilijk alleen kan zijn, die daarvoor anderen nodig heeft en soms gebruikt, maar hen ook inwisselt als dat beter uitkomt. Op geen enkel levensgebied (relaties, werk financiën, huisvesting, maatschappelijke inbedding) is sprake van stabiliteit. Verdachte heeft daarin niet bereikt datgeen wat bij zijn leeftijd en intelligentieniveau als passend kan worden beschouwd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er bij betrokkene sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook zijn er trekken van psychopathie, waarbij hij met name scoort op de facetten ‘impulsieve en onverantwoordelijke stijl’ en ‘antisociaal gedrag’. Tevens is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en een lichte stoornis in het gebruik van cocaïne.

Hoewel de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek nu separaat worden genoemd, moet worden benadrukt dat zij bij verdachte, mede gelet op de lange duur daarvan, met elkaar verweven zijn geraakt: het een kan niet zonder het ander gezien worden en vice versa. Gezien het chronische aspect van zowel de beschreven antisociale persoonlijkheidsstoornis als de stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne, moet worden geconcludeerd dat deze ook aanwezig waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

De eventuele doorwerking van deze stoornissen in de ten laste gelegde feiten is echter niet duidelijk geworden, vanwege verdachtes ontkenning en omdat het voor rapporteurs niet duidelijk is geworden wat de precieze toedracht bij deze feiten is geweest. Er kan dan ook geen uitspraak worden gedaan in hoeverre de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend. In de antisociale persoonlijkheidsstoornis ligt volgens de deskundigen zeker niet besloten dat verdachte in alle gevallen verminderd in staat is om keuzes en afwegingen te maken, of steeds verminderd in staat is zich onder controle te houden en/of te herpakken. Evenmin kunnen stellige en op verdachte toegespitste uitspraken worden gedaan op het recidivegevaar van soortgelijke strafbare feiten als ten laste zijn gelegd. Gelet op het voorgaande onthouden rapporteurs zich van een advies over een eventuele behandeling in een gedwongen kader.

Uit het milieuonderzoek komt naar voren dat verdachte een moeizame jeugd heeft gehad. Zijn biologische vader raakte al snel uit beeld, waarna hij als baby werd erkend door de tweede man van zijn moeder en hij ook zijn achternaam ging dragen. Ook deze relatie hield echter geen stand en deze scheiding verliep problematisch ten aanzien van de bezoekregeling en financiën, waardoor ook sprake was van veel ruzie. Toen verdachte twaalf jaar oud was, zou hij zijn misbruikt en op zijn 14e begon hij seksuele handelingen te verrichten bij zijn half zus [naam haflzus] (op dat moment 12 jaar). Op zijn 15e kwam hij voor het eerst in aanraking met justitie, waarna verschillende vermogens- of geweldsdelicten volgden. Toen hij 20 was, kreeg hij een relatie met [naam ex 2] , met wie hij op zijn 22e trouwde. In/kort na die periode begon hij (veel) drank en drugs te gebruiken en in 2001 scheidde hij, waarna in 2002 zijn dakdekkersbedrijf failliet ging. Na de scheiding had hij meerdere relaties en onenightstands en bezocht hij prostituees en seksclubs. Hij kon zijn woning niet meer betalen en verbleef bij vrienden en op een camping. Met een vriend kon hij wat schilderwerk doen, waarna het verdiende geld op ging aan alcohol, cocaïne en vrouwen. In 2006 kreeg verdachte een relatie met [naam ex 1] en in 2007 werd een zoon geboren. Verdachte ging gedurende de relatie steeds meer drinken, wat resulteerde in huiselijk geweld. Hierna kwam hij meerdere keren met justitie in aanraking en hij werd voor behandeling (gericht op agressiehantering en alcoholgebruik) aangemeld bij Inforsa. Daar is echter nooit een behandeling van de grond gekomen. Verdachte zat inmiddels diep in de schulden en de problemen stapelden zich op. Vanaf 2014 had hij weer een eigen woning, waar hij vrouwen en vrienden ontving uit het drugs en/of prostitutiecircuit, met wie hij veel alcohol en cocaïne gebruikte.

Uit de groepsobservatie blijkt dat het contact op de afdeling moeiteloos verloopt. Zowel met groepsgenoten als met groepsleiding maakt verdachte contact door losjes aan te haken op gesprekken en het plaatsen van gevatte opmerkingen. Hij speelt veel bordspellen, waarbij wordt opgemerkt dat hij strategisch en vooruitkijkend speelt. Hij maakt een gelijkmatig gestemde indruk en is beleefd. Verdachte herkent zichzelf in het rapport: “Het weerspiegelt wie ik ben.”

Het rapport van het PBC is ter terechtzitting toegelicht door klinisch psycholoog B.H. Boer en psychiater P.K.J. Ronhaar. Beiden hebben nogmaals uiteengezet dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne en dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen. Zij hebben daarbij bevestigd dat zij hebben kunnen vaststellen dat de stoornissen ook aanwezig waren in 2004, ten tijde van het overlijden van [slachtoffer 2] . Verder hebben zij nader toegelicht dat geen uitspraak kan worden gedaan over de doorwerking in de delicten, en de daarmee gepaard gaande toerekening van deze delicten aan verdachte, ook niet onder de hypothese dat verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het dossier bevat geen informatie over de gedragingen en gedachtes van verdachte vlak voor en/of tijdens de delicten. Verdachte kon deze informatie zelf ook niet geven, omdat hij de feiten ontkent. Daarom kan niet worden gesteld of verdachte de feiten berekenend en gecalculeerd, of juist in een roes of opwelling heeft gepleegd. Ook hebben de deskundigen toegelicht dat zij vanuit hun discipline niet tot een bepaald delictscenario kunnen komen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf tevens acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 3 oktober 2017, opgesteld door forensisch psycholoog P.E. Geurkink en op het Pro Justitia rapport van 30 september 2017, opgesteld door psychiater M.M. Sprock.

Uit alle voornoemde rapportages komt naar het oordeel van de rechtbank een beeld naar voren van een verdachte die opportunistisch en egocentrisch in het leven staat. Reeds op jonge leeftijd vertoonde hij trekken van antisociaal gedrag en er is op dit moment sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met trekken van psychopathie. Bovendien zijn er stoornissen aanwezig op het gebied van alcohol en cocaïne. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Verdachte is strategisch en houdt de kaarten tegen de borst. Onderzoekers beschrijven ook wel dat hij niet altijd het achterste van zijn tong heeft laten zien. Verdachte is in het dossier bovendien meerdere keren omschreven als een ‘man met twee gezichten’, wat de rechtbank vindt passen bij de bewezenverklaarde feiten en zijn persoonlijkheidsstoornis enerzijds, en zijn sociale opstelling in het PBC anderzijds.

Nu de rechtbank aan de hand van de uitgevoerde persoonlijkheidsonderzoeken of anderszins niet kan vaststellen dat de bewezen geachte feiten, te weten de doodslag van [slachtoffer 2] en het wegmaken van haar lichaam, geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn geweest van de bij verdachte vastgestelde stoornissen, kunnen die feiten volledig aan verdachte worden toegerekend.

6.3.2.

Straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 31 mei 2019. Hieruit blijkt dat hij eerder, maar langer geleden dan de wettelijke recidivetermijn van vijf jaar, is veroordeeld voor diverse geweldsdelicten, alsmede voor rijden onder invloed. Deze feiten verbleken echter bij de feiten die de rechtbank in deze zaak bewezen heeft verklaard. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is formeel van toepassing gelet op de veroordelingen na 2004, maar heeft wegens de geringere ernst van voornoemde feiten geen invloed op de hoogte van de in deze zaak op te leggen straf.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

In de avond van 6 november 2004 kwam [slachtoffer 2] langs bij verdachte. De rechtbank weet weinig van wat er deze avond/nacht is voorgevallen, maar het staat vast dat zij deze avond aan haar einde is gekomen. Zij werd niet lang na deze avond immers aangetroffen met meerdere verwondingen op haar hoofd en gezicht en blijkt door verwurging om het leven te zijn gekomen, waar de rechtbank verdachte verantwoordelijk voor houdt. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een van de ergste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent: doodslag.

Verdachte heeft vervolgens niet de politie gebeld, zijn daad opgebiecht of op andere wijze enige verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. In plaats daarvan heeft hij het lichaam van [slachtoffer 2] op afschuwelijke wijze verminkt en weggemaakt, met als doel dat het door hem gepleegde misdrijf niet zou worden ontdekt. Hij heeft het lichaam van [slachtoffer 2] in stukken ontleed en in vuilniszakken als oud vuil in de bosjes bij de Wamelstraat neergezet.

Verdachte heeft met zijn handelwijze een jonge vrouw haar leven ontnomen en onbeschrijflijk leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 2] . Haar zoon, moeder, broer en andere familieleden missen haar nog iedere dag en zij leven al bijna vijftien jaar in onzekerheid over wie dit hun geliefde [slachtoffer 2] aan heeft kunnen doen.

Nadat de vuilniszakken in de bosjes waren neergezet, duurde het gelukkig niet lang voordat deze werden aangetroffen en aan de vermissing van [slachtoffer 2] een eind kwam. Dit is echter niet te danken aan verdachte, maar berust op louter toeval, omdat de bosjes bij de Wamelstraat kort na het weekend van 6/7 november 2004 werden gesnoeid. Getuige [naam 12] van de Milieupolitie zag de zakken hierna toevalligerwijs staan.

Verdachte heeft in de afgelopen vijftien jaar, waarvan de laatste twee jaar in detentie, geen enkel inzicht gegeven in de achtergrond van zijn handelen. De wijze waarop de feiten zijn gepleegd, tonen echter een berekenend, strategisch en koelbloedig karakter. Verdachte heeft immers gruwelijke feiten gepleegd, waarbij hij bij het wegmaken van het stoffelijk overschot planmatig te werk is gegaan, kennelijk zonder zich ook maar één moment rekenschap te geven van de gevolgen daarvan. Verdachte heeft gedurende het onderzoek zijn kaarten tegen de borst gehouden en niet het achterste van zijn tong laten zien. Dit is niet alleen gebleken uit zijn verklaringen bij de politie uit 2004 en 2017/2018, maar dit komt ook naar voren uit de rapportages (zowel die uit 2017, als die uit 2019) én uit zijn verklaringen ter terechtzitting in 2019. Weliswaar heeft een verdachte het recht om te zwijgen, maar de rechtbank merkt op dat juist dit zwijgen ook heeft bijgedragen aan het leed dat bij de nabestaanden is veroorzaakt, nu zij nog steeds niet weten wat zich die bewuste avond heeft voorgedaan. De daden van verdachte kunnen slechts worden omschreven als misselijkmakend en mensonterend.

De weerzinwekkende wijze waarop verdachte met het lichaam van [slachtoffer 2] is omgegaan nadat hij haar had gedood weegt de rechtbank strafverzwarend mee. Aan de andere kant ziet de rechtbank geen enkele omstandigheid die strafverminderend zou moeten meewegen. Zo ligt enige media-aandacht voor een zaak van dit kaliber voor de hand. Ook het detentieregime dat nodig is geacht gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte werkt niet strafverlagend. Ten aanzien van het verweer dat in 2004-2005 lagere straffen werden opgelegd voor soortgelijke delicten, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft er alles aan gedaan om de door hem gepleegde doodslag op [slachtoffer 2] te verhullen. Dat zijn strafzaak pas jaren later wordt behandeld kan er alleen daarom al niet toe leiden dat hem de rond 2004 gangbare (en inderdaad enigszins lagere) straf voor een dergelijk feit wordt opgelegd. De strafmaat in het huidige tijdsbestel is onder deze omstandigheden passend.

Gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht mag de rechtbank, als sprake is van meerdere feiten, als maximumstraf opleggen het totaal van de hoogste straffen die op de feiten zijn gesteld, voor zover de totale straf niet hoger is dan een derde boven het hoogste strafmaximum. Op doodslag staat een maximale gevangenisstraf van vijftien jaar en op het wegmaken van een lijk staat een maximale gevangenisstraf van twee jaar. De rechtbank kan dan ook als maximale straf een gevangenisstraf van zeventien jaar opleggen.

De bijzondere ernst van de feiten rechtvaardigen een hoge, onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De afschuwelijke omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de impact die deze feiten op de betrokkenen en de maatschappij hebben gehad, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan en werken strafverhogend. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer 2] dichtgedrukt nadat hij haar eerst ernstig had mishandeld. Haar laatste levensmomenten moeten zo angstig zijn geweest dat het voor deze vorm van doodslag niet past om hier minder dan dertien jaar gevangenisstraf voor op te leggen. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat zij naast de gevangenisstraf nog een maatregel zal opleggen. Voor de mensonterende wijze waarop het lichaam van [slachtoffer 2] is weggemaakt past alleen het maximum van twee jaar gevangenisstraf. Al met al acht de rechtbank dan ook een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar passend en geboden.

De rechtbank moet bij de bepaling van de uiteindelijke straf nog rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte had moeten zijn berecht. Dat wordt hieronder nader toegelicht.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van verdachte moet als zo’n handeling worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaten op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd, zijn niet te geven.95

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 27 juni 2017 in verzekering gesteld op verdenking van betrokkenheid bij de vermissing van [slachtoffer 1] . Op 11 september 2017 is op grond van een vordering ex artikel 67b van het Wetboek van Strafvordering tevens de gevangenhouding bevolen ten aanzien van de feiten inzake [slachtoffer 2] . Gelet op de bewezenverklaring wordt laatstgenoemde datum (11 september 2017) redelijkerwijs aangemerkt als aanvangsdatum van de redelijke termijn.

Op 5 augustus 2019 is het vonnis gewezen. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna zeven maanden. Er is geen bijzondere omstandigheid die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt. Het onderzoek was weliswaar omvangrijk en complex, maar ook al enige tijd (grotendeels) afgerond. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten zeven maanden (naar boven afgerond ten voordele van verdachte), in mindering moet worden gebracht op de op te leggen straf.

Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank – nu alles tegen elkaar is afgewogen – aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van veertien jaar en vijf maanden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, in het bijzonder het feit dat de rechtbank verdachte van verschillende feiten heeft vrijgesproken, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

6.3.3.

Terbeschikkingstelling

Naast de op te leggen gevangenisstraf is tevens gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de TBS-maatregel enerzijds ziet op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de terbeschikkinggestelde door middel van behandeling en/of verpleging.

Toetsingskader TBS

Voor het opleggen van de TBS-maatregel (zowel met voorwaarden als met verpleging van overheidswege), moet aan een aantal vereisten zijn voldaan:

  1. Er dient sprake te zijn van een misdrijf waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat.

  2. Er is een recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt.

  3. Er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Wet en jurisprudentie vereisen geen causaliteit tussen stoornis en delict, enkel gelijktijdigheid.

  4. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel. Dit vereiste staat ook wel bekend als het gevaarscriterium.

Toepassing van het toetsingskader op verdachte

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag ex artikel 287 Sr. Hierop staat een maximum gevangenisstraf van vijftien jaar. Het PBC heeft op 28 mei 2019 een multidisciplinaire gedragsrapportage uitgebracht en hieruit blijkt dat bij verdachte ten tijde van de delicten sprake was van een persoonlijkheidsstoornis en van stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Aan de voorwaarden onder a), b) en c) is dan ook voldaan. Ten aanzien van het gevaarscriterium overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier komt het beeld naar voren van een man met twee gezichten. Enerzijds wordt verdachte omschreven als een sociaal, zorgzaam en geduldig persoon.96 Dit is ook zichtbaar tijdens de groepsobservatie van zijn verblijf in het PBC, waar hij zich voorbeeldig heeft gedragen. Anderzijds wordt verdachte door personen die dicht bij hem hebben gestaan, omschreven als onvoorspelbaar, agressief, manipulatief en gewelddadig, vooral als hij onder invloed is van drank en/of drugs. Zo heeft getuige [naam 14] verklaard dat verdachte tijdens een ruzie, en onder invloed van drank en drugs, haar keel dichtkneep.97 De getuigen [naam ex 2]98, met wie hij een langdurige relatie heeft gehad, en [getuige 4]99 hebben verklaard dat verdachte heftig tekeer kon gaan tijdens de seks. Zo raakte hij opgewonden als hij [naam ex 2] bij haar keel pakte en heeft hij [getuige 4] in haar borsten geknepen totdat zij blauwe plekken had. Verdachte was op dat moment dronken.

Het strafblad van verdachte bevestigt dit beeld van agressie en middelengebruik. Zo is hij veroordeeld voor huiselijk geweld jegens zijn ex [naam ex 1] , waarbij haar oogkas is gebroken en mishandeling van zijn zwager, die hij een gebroken arm heeft geslagen. Daarnaast is hij ook meerdere keren veroordeeld voor rijden onder invloed.

De rechtbank merkt op dat verdachte heeft verklaard dat hij in de avond/nacht van 6 op 7 november 2004 had gedronken en cocaïne had gebruikt. Hij was dan ook onder invloed van alcohol en drugs ten tijde van de doodslag op [slachtoffer 2] .

Verdachte heeft een verleden van gewelddadig en normoverschrijdend gedrag, terwijl sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Deze stoornissen zijn sinds lange tijd bij verdachte aanwezig en in deze periode heeft hij zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten. Ondanks het feit dat verdachte in 2013 werd aangemeld bij Inforsa voor ambulante behandeling op het gebied van agressiehantering en alcoholgebruik, is deze behandeling nooit van de grond gekomen. De stoornissen van verdachte zijn dan ook nooit behandeld.

Gelet op het strafblad van verdachte, de hierboven beschreven agressieve gedragingen in combinatie met alcohol en/of drugsgebruik, de bewezenverklaarde feiten en het langdurige bestaan van de stoornissen van verdachte die nooit zijn behandeld en ook op dit moment nog aanwezig zijn, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar hoog recidiverisico als verdachte zonder behandeling (na detentie) zou terugkeren in de maatschappij. Dit maakt dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel vereist. Er wordt dan ook voldaan aan het gevaarscriterium.

Conclusie

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het in zaak A onder 3. primair bewezen geachte een feit is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen (of goederen) het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag. Dit betreft het in zaak A onder 3. primair bewezen geachte feit. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar.

6.3.4.

Beslag

In het onderzoek zijn vele voorwerpen in beslag genomen onder verschillende personen. De beslaglijst waarop deze voorwerpen staan vermeld, is opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Alle goederen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden.

6.3.5.

De vorderingen van de benadeelde partijen

6.3.5.1 De benadeelde partijen in de zaak van [slachtoffer 1]

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 8.111,80 aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen zullen in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte voor de feiten ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd zal worden vrijgesproken.

6.3.5.2 De benadeelde partijen in de zaak van [slachtoffer 3]

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 4.889,51 aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, beiden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede € 968,42 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen zullen in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte voor de feiten ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd zal worden vrijgesproken.

6.3.5.3 De benadeelde partij in de zaak van [slachtoffer 2]

De vordering

De benadeelde partij [naam broer] vordert € 5.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade (shockschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De vordering is betwist. Zo zou de materiële schade onvoldoende zijn onderbouwd, omdat geen facturen van de kosten van lijkbezorging zijn overgelegd. De immateriële schade kan ook niet worden toegewezen, omdat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, noodzakelijk voor het toekennen van shockschade, ontbreekt. De vordering moet dan ook worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij [naam broer] door het in zaak A onder 3. en 4. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De gevorderde materiële schade betreft kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verdediging heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat deze kosten ten laste van de benadeelde partij [naam broer] zijn gekomen, zodat deze voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank overweegt dat de vordering tot vergoeding van materiële schade niet met facturen of andere schriftelijke stukken is onderbouwd. De rechtbank is echter van oordeel dat dit in alle redelijkheid ook niet van de benadeelde partij kan worden gevergd, omdat sprake is van een tijdsverloop van bijna vijftien jaar. De rechtbank zal het schadebedrag naar redelijkheid en billijkheid schatten op de voet van artikel 6:97 BW. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade schattenderwijs tot een bedrag van in totaal € 5.000,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade (in de vorm van zogenoemde shockschade) overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van shockschade kan onder meer worden toegewezen bij geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat ontstaat door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat er een hechte relatie dient te bestaan tussen het slachtoffer en de persoon die shockschade vordert.

De rechtbank is van oordeel dat het identificeren van het lichaam van [slachtoffer 2] kan worden gekwalificeerd als een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het door verdachte veroorzaakte overlijden van [slachtoffer 2] . Immers was haar lichaam in stukken gedeeld en zij is geïdentificeerd toen haar lichaamsdelen met tape aan elkaar waren gezet. De benadeelde partij moet zich dan ook levendig hebben kunnen voorstellen welk afschuwelijk scenario zich had afgespeeld met hun dierbare. De foto’s die zich in het dossier bevinden spreken wat dat betreft boekdelen. Aan het vereiste van de directe confrontatie is in zoverre voldaan. De benadeelde partij is de broer van [slachtoffer 2] , zodat ook aan het vereiste van de hechte relatie is voldaan. Vervolgens is het de vraag of de rechtbank kan vaststellen dat de benadeelde partij hierdoor ook een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft opgelopen. Hiertoe ontbreekt echter een onderbouwing. Het is goed invoelbaar dat het aanschouwen van zo’n schrikbeeld een schok teweeg kan brengen die dermate ernstig is dat deze leidt tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar de rechtbank kan simpelweg niet vaststellen dat dit ook bij deze benadeelde partij het geval is geweest. De enkele stelling van de kant van de benadeelde partij is daarvoor onvoldoende. Een verklaring van een behandelaar, waarin wordt gesteld dat de benadeelde partij lijdt/leed aan enige stoornis, of een uitdraai van de zorgverzekeraar waaruit zou blijken dat de benadeelde partij onder behandeling was, had mogelijk al volstaan. Echter, nu elke onderbouwing ontbreekt, kan de rechtbank niet anders dan de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de nabestaande [naam broer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de materiële schade die door de in zaak A onder 3. en 4. bewezen geachte feiten is toegebracht.

De rechtbank waardeert deze ten aanzien van [naam broer] op een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 57, 63, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

Verklaart de in zaak A onder 1. primair ten laste gelegde moord/doodslag en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling met de dood tot gevolg op [slachtoffer 1] niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 2. ten laste gelegde wegmaken van het lichaam van [slachtoffer 1] niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de in zaak B primair ten laste gelegde moord/doodslag en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling met de dood tot gevolg op [slachtoffer 3] niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de in zaak A onder 3. primair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 2] en het onder 4. ten laste gelegde wegmaken van het lichaam van [slachtoffer 2] heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 3. primair ten laste gelegde

Doodslag;

Ten aanzien van het in zaak A onder 4. ten laste gelegde

Een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) jaren en 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1.00 STK Computer Kl: Zwart

TOSHIBA c650

5390705

1.00 STK Tas Kl: paars

dames

5390706

1.00 STK Agenda

2016

5359691 van [slachtoffer 1]

1.00 STK Sleutel

AXA

5359680 van [slachtoffer 1]

1.00 STK Haarborstel

5357139 van [slachtoffer 1]

1.00 STK Fiets Atb

5373110 heeft blauwe voorhand en rode achterband

1.00 STK Onderdeel van

Handvat

5373111 rechter handvat fiets

1.00 STK Onderdeel van

Handvat

5373114 linker handvat fiets

1.00 STK Jas

5380867 van [slachtoffer 1]

1.00 STK Vest

5381418

1.00 STK Badjas

5381422

1.00 STK Tas Kl: Wit

5381424

1.00 STK Haarband

5381425

1.00 STK Agenda

NIBUD 2015

5380931

2.00 STK Schoenen Kl: Wit

NIKE Air

5381267 Rood Nike logo en blauwe accenten

1.00 STK Schoenen Kl: Zwart

NIKE

5412465

1.00 STK Jas Kl: Zwart

3/4 lang

5408946

1.00 STK Shirt Kl: Grijs

Dames

5408951

1.00 STK Trui Kl: Wit

5408953

1.00 STK Bustehouder Kl: Zwart

5408954

1.00 STK Laken

5408958

1.00 STK Oorbel

5409368

1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LYCA

5409412

1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LYCA

5409413

1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA

5409467

1.00 STK USB-stick (memorykaart)

SD micro

5409406

1.00 STK Zaktelefoon

KHOCELL

5409194

1.00 STK Zaktelefoon Kl: Zwart

IPHONE

5409298 met blauwe hoes

1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG GT-19300

5409301

1.00 STK Zaktelefoon Kl: Wit

IPHONE

5408778

1.00 STK Zaktelefoon

AEG

5409243

33.00 STK Kussen

5408997

1.00 STK Niet te definiëren goederen

5408998 inhoud stof zuigerzak Kärcher bouwstofzuiger

1.00 STK Niet te definiëren goederen

5409001 Inhoud stofzuigerzak Bestron stofzuiger

1.00 STK Niet te definiëren goederen

SITECOM 549 Turbo

5409004 Router

1.00 STK Schoenen Kl: Beige

5409006 lijkend op Uggs

1.00 STK Haarband Kl: Zwart

5409007

1.00 STK Haarband Kl: Paars

5409008

1.00 STK Lint Kl: Zalm

5409009 uit stofzuigerzak Bestron

1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG GT-E1200

5408952

1.00 STK Zaktelefoon

KAZAM

5359654 incl. simkaart AH

1.00 STK Zaktelefoon

SONY ERICSSON

5359661

1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LYCAMOBILE 5893

5359676

1.00 STK Schrift

5544233 meet telefoonnummers

1.00 STK Papier

Blocnote

5409385

1.00 STK Papier

BLOCNOTE

5409395

1.00 STK Bankpas

RABO

5408957 [naam bankpas]

3.00 STK Kaart

OV-chip

6420187

1.00 STK Visitekaartje

CANTAGROEP

5420189

1.00 STK Niet te definiëren goederen

TIBETSYSTEEM Phr08k

5383206

1.00 STK Niet te definiëren goederen

TIBETSYSTEEM Phr16k

5383231

1.00 STK Niet te definiëren goederen

5379617 Beelden AH Kikkensteinhof

1.00 STK Niet te definiëren goederen

5359688 Beelden Madi Karspeldreef

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

Verklaart niet-ontvankelijk [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in hun vorderingen.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

Verklaart niet-ontvankelijk [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] in hun vorderingen.

Ten aanzien van de vordering van [naam broer]

Wijst toe de vordering van [naam broer], geboren op 15 september 1978, wonende te [woonplaats] , tot € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam broer] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam broer] , € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 60 (zestig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [naam broer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van verdachte ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten – Jochemsen en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2019.

1 In onderstaande voetnoten wordt verwezen naar de inhoud van het dossier, dan wel naar openbare bronnen. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit betreffen uitdrukkelijk géén bewijsmiddelen. Voor zover specifiek wordt verwezen naar een bepaalde alinea moet worden opgemerkt dat als alinea moet worden gekenmerkt een stuk tekst, gescheiden door een witregel.

2 Darien, ZD 05 0213-00215, Contacten [verdachte] 7 en 8 maart 2017.

3 Darien, ZD 03 0245, Verhoor getuige [getuige 5] (5e en 7e alinea).

4 Darien, ZD 03 0249, Verhoor getuige [getuige 6] (1e, 2e en 3e alinea).

5 Darien, ZD 03 0015, Verhoor getuige [naam 2] (4e en 5e alinea).

6 Darien, ZD 05 0039, Bevindingen.

7 Darien, ZD 05 0026, Bevindingen verplaatsing toestellen [verdachte] .

8 Darien, ZD 05 0003-0006, Onderzoek en beschrijving camerabeelden [adres 1] te Amsterdam.

9 Darien, ZD 05 0026, Bevindingen verplaatsing toestellen [verdachte] .

10 Darien, ZD 05 0021-0022, Bevindingen tijdlijn [slachtoffer 1] en ZD 03 0695-0696, Verhoor getuige [naam 4]

11 Darien, ZD 03 0027, Verhoor getuige [naam 3] (4e alinea en verder).

12 Darien, ZD 05 0155, Bevindingen

13 Darien, ZD 05 0022, Bevindingen tijdlijn [slachtoffer 1] .

14 Darien, ZD 03 0616, Verhoor getuige [naam 5] (9e alinea).

15 Darien, ZD 05 0022, Bevindingen en Darien, ZD 03 0030, Verhoor getuige [naam 6] (6e en 7e alinea).

16 Darien, ZD 03 0090-0091, Bevindingen contact [naam 15] / [naam 16] i.v.m. telefoongesprek op 08 maart 2017.

17 Darien, ZD 05 0015-0020, Bevindingen.

18 Darien ZD 05 0021-0023, Bevindingen.

19 Darien, ZD 03 0836, Verhoor getuige [naam 1] , (5e alinea).

20 Darien, ZD 05 0022, Bevindingen en ZD 03 0696, Darien, ZD 05 0155, Bevindingen en ZD 03 0616, Verhoor getuige [naam 5] (9e alinea).

21 Darien, ZD 05 0030, Bevindingen.

22 Darien, ZD 05 0199-0200, Bevindingen camerabeelden Karspeldreef te Amsterdam.

23 Darien, ZD 03 0012, Verhoor getuige [getuige 3] (5e en 6e alinea).

24 Darien, ZD 05 0329-0330, Bevindingen omtrent [adres 3] .

25 Darien, ZD 05 0337, Bevindingen omtrent [adres 3] (11e alinea).

26 Darien, ZD 05 0333-0337, Bevindingen omtrent [adres 3] .

27 Darien, ZD 05 0354, tapgesprek van 7 april 2017 om 21:38:24.

28 Darien, ZD 05 0354, tapgesprek van 6 april 2017 om 16:30:10.

29 Darien, ZD 05 0353, tapgesprek van 7 april 2017 om 19:37:30.

30 Verhoor van getuige [naam 7] bij de rechter-commissaris van 2 november 2018, p. 3.

31 Darien, ZD 05 0047-0048, bevindingen inbeslaggenomen iPhone 5C.

32 Verhoor van getuige [naam 7] bij de rechter-commissaris van 2 november 2018, p. 3.

33 Verhoor van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris van 28 mei 2018, p. 5.

34 Verhoor van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 19 maart 2019.

35 Edessa, ZD 03 0002, Verhoor getuige [getuige 7] .

36 Edessa, ZD 08 0017, Een geschrift, te weten een sectieverslag van het NFI van 7 mei 2003, opgemaakt door H.A. Tromp.

37 Edessa, ZD 08 0088, Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 oktober 2016 met zaaknummer 2003.04.29.027 (aanvraag 009), opgemaakt door dr. Y. van de Wal.

38 Edessa, ZD 08 0141 en 0146, Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 30 januari 2018 met zaaknummer 2004.11.16.006 (aanvraag 021 en 027), opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes en ing. M.J. van der Scheer.

39 Voort, ZD 05 0059-0097, Tijdlijn Daewoo Kalos [kenteken]

40 Voort, ZD 03 0648, een geschrift, te weten een “proces-verbaal” van verhoor getuige [naam 17] van 21 februari 2018, opgesteld door [naam subcommissaris] , subcommissaris van politie, opgesteld in de Roemeense taal en vertaald naar de Nederlandse taal; Voort, ZD 03 0615, een geschrift, te weten een “proces-verbaal” van verhoor getuige [naam 18] van 21 februari 2018, opgesteld door [naam subcommissaris] , subcommissaris van politie, opgesteld in de Roemeense taal en vertaald naar de Nederlandse taal.

41 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover specifiek wordt verwezen naar een bepaalde alinea moet worden opgemerkt dat als alinea moet worden gekenmerkt een stuk tekst, gescheiden door een witregel.

42 Voort, ZD 03 0023, Verhoor getuige [naam broer] .

43 Voort, ZD 03 0035, Verhoor getuige [naam 8] (3e en 4e alinea).

44 Voort, ZD 03 0087, Verhoor getuige [naam 8] .

45 Voort, ZD 03 0050 en 0051, Verhoor getuige [naam 9] .

46 Voort, ZD 03 0088, Verhoor getuige [naam 8] (4e alinea) en ZD 03 0089A, Bevindingen.

47 Voort, ZD 03 0171, Verhoor getuige [naam 10] .

48 Voort, ZD 03 0035, Verhoor getuige [naam 8] (4e alinea) en ZD 03 0051, Verhoor getuige [naam 9] (3e alinea).

49 Voort, ZD 03 0327, Verhoor getuige [naam 9] (4e alinea).

50 Voort, ZD 03 0050-0051, Verhoor getuige [naam 9] .

51 Voort, ZD 03 0326-0328, Verhoor getuige [naam 9] .

52 Voort, ZD 08 0180, Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 november 2016 met zaaknummer 2004.11.16.006 (aanvraag 009).

53 Voort, ZD 03 0053-0054, Verhoor getuige [naam oom] .

54 Voort, ZD 03 0075, Verhoor getuige [naam viendin] (1e alinea).

55 Voort, ZD 03 0238, Verhoor getuige [verdachte] (4e alinea).

56 Voort, ZD 03 0231-0232, Verhoor getuige [naam kennis 2] .

57 Voort, ZD 03 0051, Verhoor getuige [naam 9] (5e alinea).

58 Voort, ZD 03 0051, Verhoor getuige [naam 9] (5e alinea).

59 Voort, ZD 03 0240, Verhoor getuige [verdachte] (1e alinea).

60 Voort, ZD 03 0075, Verhoor getuige [naam viendin] (1e alinea) en ZD 03 0051, Verhoor getuige [naam 9] (7e alinea).

61 Voort ZD 03 0035-0036, Verhoor getuige [naam 8] .

62 Voort, ZD 03 0233, Verhoor getuige [naam kennis 2] (4e alinea).

63 Voort, ZD 03 0024, Verhoor getuige [naam broer] (9e en 10e alinea) en ZD 03 0018, Verhoor getuige [naam oom] (2e alinea).

64 Voort, ZD 03 0270 en 0330, Verhoren getuige [naam ex 2] .

65 Voort, ZD 03 0370, Verhoor getuige [naam 19] (9e alinea) en ZD 03 0381, Verhoor getuige [naam 20] (7e alinea) en verhoren van getuigen [naam 19] en [naam 20] bij de rechter-commissaris van 16 maart 2018.

66 Voort, ZD 12 0001-0002, Een geschrift, te weten een rapport mutatie van 10 november 2004 met registratienummer 2004276144-1.

67 Voort, ZD 03 0010-0011, Verhoor getuige [naam 11] .

68 Voort, ZD 03 0011, Verhoor getuige [naam 11] .

69 Voort, ZD 03 0003-0004, Verhoor getuige [naam 12] .

70 Voort, ZD 08 0011-0012, Bevindingen.

71 Voort, ZD 05 0003, Bevindingen en ZD 05 0005, Bevindingen.

72 Voort, ZD 08 0017, Bevindingen bij technisch onderzoek (Onderzoek woning [naam compex] ).

73 Voort, ZD 03 0330, Verhoor getuige [naam ex 2] .

74 Voort, ZD 05 0041, Aantreffen gesignaleerd motorvoertuig.

75 Voort, ZD 08 0053-0054, een geschrift, te weten een sectieverslag Pro Justitia van 15 maart 2005 van het NFI, opgemaakt door H.A. Tromp, met referentie PV 04-279845 en Voort, ZD 08 0200, Een geschrift, te weten de beantwoording van aanvullende vragen van 20 juli 2017, opgemaakt door D. Botter, met kenmerk 2004.11.16.006 Mos110774.

76 Voort, ZD 08 0017, Bevindingen bij technisch onderzoek (Onderzoek woning [naam compex] ).

77 Voort, ZD 08 0286, Sporenonderzoek.

78 Voort, ZD 08 0331-0333, Sporenonderzoek.

79 Voort, ZD 08 0357-0359, een geschrift, te weten een herzien rapport van het NFI van 11 december 2017 met zaaknummer 2004.11.16.006 (aanvraag 026 herzien).

80 Voort, ZD 08 0146-0147, Een geschrift, te weten een aanvullend toxicologisch onderzoek van het NFI van 24 augustus 2005, opgemaakt door B.E. Smink, met zaaknummer 2004.11.16.006.

81 Voort, ZD 08 0201-0202, Een geschrift, te weten de beantwoording van aanvullende vragen van 20 juli 2017, opgemaakt door D. Botter, met kenmerk 2004.11.16.006 [slachtoffer 2] (onder 7.).

82 Voort ZD 08 0458, Een geschrift, te weten een herzien rapport (MIT-onderzoek) van het NFI van 21 november 2017, opgemaakt door drs. R.R.R. Gerretsen, dr. P.D. Zoon en ing. I. Keereweer, met nummer 2004.11.16.006 (aanvraag 013).

83 Voort, ZD 08 0200, Een geschrift, te weten de beantwoording van aanvullende vragen van 20 juli 2017, opgemaakt door D. Botter, met kenmerk 2004.11.16.006 [slachtoffer 2]

84 Voort, ZD 08 0176-0181, Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 18 november 2016, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes, met zaaknummer 2004.11.16.006 (aanvraag 009).

85 Verhoor van deskundige J.L.W. Dieltjes bij de rechter-commissaris van 9 maart 2018, p. 4.

86 Verhoor van deskundige J.L.W. Dieltjes bij de rechter-commissaris van 9 maart 2018, p. 5-6.

87 Voort ZD 08 0442, Een geschrift, te weten een rapport forensisch DNA-onderzoek van het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) van 10 september 2018, opgemaakt door drs. T. Kraaijenbrink en prof. dr. P. de Knijff, met FLDO-dossiernummer N17-114.

88 Voort ZD 08, 0212-0217, Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 19 september 2017, opgemaakt door ing. I. Keereweer, met zaaknummer 2004.11.16.006 (aanvraag 020).

89 Voort, ZD 08 0319-0322, Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 17 oktober 2017, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes en ing. L. Meijrink, met zaaknummer 2004.11. 16.006 (aanvraag 015 deel 2 van 2).

90 https://www.forensischinstituut.nl/publicaties/publicaties/2017/10/18/secundaire-overdracht-dna.

91 [naam 21] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 22] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 23] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 24] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 11] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 25] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 26] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 27] (geboren op [geboortedatum] , [naam 28] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 29] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 30] (geboren op [geboortedatum] ), [naam oom] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 8] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 31] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 32] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 33] (geboren op [geboortedatum] ), [naam broer] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 34] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 35] (geboren op [geboortedatum] ), [naam kennis 2] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 36] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 12] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 13] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 37] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 38] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 39] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 40] (geboren op [geboortedatum] ), [naam 41] (geboren op [geboortedatum] ).

92 Voort, ZD 03 0170-0171, Verhoor getuige [naam 10] .

93 Voort, ZD 03 0115, Verhoor getuige [naam 8] (10e alinea).

94 Voort, ZD 03 0018, Verhoor getuige [naam oom] (2e alinea ), ZD 03 0037, Verhoor getuige [naam 8] (2e alinea), ZD 03 0043, Verhoor getuige [getuige 8] (5e alinea) en ZD 03 0245, Verhoor getuige [getuige 9] (3e alinea)

95 ECLI:NL:HR:2008:BD2578

96 Darien, ZD 03 0064 en 0071, Verklaringen getuigen [naam ex 1] en [naam 7] .

97 Darien, ZD 03 0311, Verklaring getuige [naam 14] .

98 Darien, ZD 03 0359, Verklaring getuige [naam ex 2] .

99 Darien, ZD 03 0273, Verklaringen getuige [getuige 4] .