Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
13/706069-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor gewoontewitwassen. Voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/706069-18

Datum uitspraak: 4 juli 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van de Vliet, en van wat verdachte en haar raadsman mr. B. Mous, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 januari 2016 tot en met 3 oktober 2016, te Amsterdam, althans in Nederland, voorwerpen, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 1625 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 1625 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

2.

zij op of omstreeks 2 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meerdere wapen(s), van categorie I, onder 3°, te weten 2 boksbeugels voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gedragen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bezit van de boksbeugels (feit 2). Het witwassen (feit 1) acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Met de officier van justitie is de raadsman van mening dat feit 2 niet kan worden bewezen, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van de boksbeugels in de kelderbox. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist dat haar man (medeverdachte [medeverdachte] ) geld dat werd verdiend met de verkoop van drugs op haar rekening liet overschrijven. Verdachte keek niet vaak op haar rekening en de bankpas werd ook door haar man gebruikt. De rekening werd gebruikt voor gemeenschappelijke betalingen, zoals de huur en het gas, water en licht. Er was voor verdachte geen aanleiding om de rekening te controleren en de overschrijvingen vallen tussen alle andere transacties op de rekening ook niet direct op.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 2 is ten laste gelegd niet kan worden bewezen, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de twee boksbeugels in de kelderbox. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte niet wist dat het geld op haar rekening uit een misdrijf afkomstig was en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat [persoon] diverse keren een bedrag van € 50,- heeft overgemaakt naar de rekening die op naam staat van verdachte. Medeverdachte [medeverdachte] heeft tijdens het politieverhoor op 3 december 2016 verklaard dat verdachte zag dat er geld op haar rekening werd gestort en zij heeft gezegd dat ze het niet wilde weten en dat [medeverdachte] er rottigheid mee zou krijgen.

De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar, nu deze zeer uitgebreid en gedetailleerd is, hij belastend over zichzelf heeft verklaard en zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Op grond van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen. Uit de woorden dat ze het niet wilde weten en dat haar man er rottigheid mee zou krijgen, blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren en dat ze zich aldus schuldig maakte aan witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat het in dit verband tenlastegelegde onderdeel gewoontewitwassen, gelet op de duur van de periode en de frequentie van de gepleegde handelingen, kan worden bewezen en zal haar veroordelen voor gewoontewitwassen.

De rechtbank beperkt de bewezenverklaring tot de bedragen die tussen 25 januari 2016 en 9 mei 2016 door [persoon] op haar bankrekening zijn overgeschreven (29 x € 50,- = € 1450,-). Er zijn geen aanwijzingen dat zij ook andere geldbedragen heeft witgewassen.

4.4.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

op tijdstippen in de periode van 25 januari 2016 tot en met 9 mei 2016, te Amsterdam, voorwerpen, te weten 1450 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 mei 2019 van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte slechts een passieve, marginale rol heeft gehad ten aanzien van het witwassen en dat het gaat om een relatief laag bedrag van € 1450,-.

Overschrijding van de redelijke termijn

Iedere verdachte heeft het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak door de rechtbank dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is op 4 december 2016 in verzekering gesteld. Dit vonnis is gewezen op 4 juli 2019, en dus is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen.

Een van de uitgangspunten die de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) hanteert bij overschrijding van de redelijke termijn is dat een overschrijding met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden niet tot een vermindering van de straf leidt (onder andere) als een taakstraf van minder dan 100 uren wordt opgelegd. Hoewel de redelijke termijn is overschreden, staat de hoogte van de hierna te vermelden op te leggen straf in de weg aan vermindering.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, alsmede op grond van de omstandigheid dat zij een kortere periode en een lager geldbedrag bewezen acht, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 30 uren passend.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 30 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

Mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2019.