Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:566

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
13/997030-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 4.000 kilo cocaïne en hij heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen.

Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 68 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997030-16 (Promis)

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 3, 4, 10 en 11 december 2018 en 15 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.R. Mantz naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Verdachte wordt er (na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 3 december 2018) – samengevat – van beschuldigd dat hij

1. in de periode van 21 tot en met 22 maart 2016, samen met anderen dan wel alleen, opzettelijk (ongeveer) 4.854 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of die hoeveelheid cocaïne opzettelijk heeft afgeleverd/verstrekt/vervoerd en/of verwerkt, dan wel dat hij die hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad;

2. in de periode van 1 november 2015 tot en met 30 maart 2016 samen met anderen dan wel alleen contante geldbedragen gemoeid met de inkoop van ananassen en/of partijen ananassen heeft witgewassen en dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

2.2

De tekst van de volledige tenlastelegging na wijziging ter terechtzitting van 3 december 2018 is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de stukken in het dossier van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Het strafrechtelijk onderzoek ‘26Willemsbos’ is op 21 maart 2016 gestart, naar aanleiding van door LIRC/DLIO1 verstrekte informatie. Volgens deze (start)informatie is door de Douane van Antwerpen op 21 maart 2016 een controle uitgevoerd op een voor een Nederlandse firma bestemde container [nummer 1] (hierna: de container), waarbij pakketten cocaïne zijn aangetroffen. De container was geladen met ananassen en vanuit Costa Rica, onder meer via Nederlandse wateren2, verscheept naar de haven van Antwerpen. Bij de douanecontrole zijn in de dozen met ananassen, in totaal, 4.042 blokken met wit poeder aangetroffen. Elk blok was voorzien van een stempel en in totaal werden op de blokken 40 verschillende stempels aangetroffen. Een ter plaatse uitgevoerde indicatieve, zogenoemde Scott Nark II 07-test was positief voor wat betreft de aanwezigheid van cocaïne. De positief geteste blokken zijn door de Belgische autoriteiten verzameld en overgebracht naar een veilige plaats voor inbeslagneming, onderzoek en uiteindelijk vernietiging. Na weging met een geijkte weegschaal bleken de 4.042 pakketten een gezamenlijk gewicht te hebben van ongeveer 4.854 kilo.

De container maakte deel uit van een zending van in totaal vier containers uit Costa Rica, die bestemd was voor de firma [naam firma] te [plaats] in Nederland (hierna: [naam firma] ). [naam firma] is het bedrijf van [verdachte] , dat zich bezig houdt met groothandel, ex- en import van groenten en fruit.

Na onderzoek aan de inhoud van de container zijn de lading ananassen en een klein deel (ongeveer 30 gram) van de inhoud van de aangetroffen en inbeslaggenomen blokken met (vermoedelijk) cocaïne in de container teruggeplaatst. De container is gesloten en op de kade teruggezet, om door de transporteur opgehaald te worden en op die manier bewijs te verzamelen tegen personen die betrokken zijn bij de invoer van deze hoeveelheid cocaïne. Het kleine teruggeplaatste deel is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) positief getest op cocaïne.

Betrokken bedrijven

[naam firma] besteedde het logistieke proces vanaf de haven van Antwerpen tot aan [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ) te [plaats] uit aan expediteur [naam B.V. 2] (hierna: [naam B.V. 2] ). Het transport van de containers van [naam firma] werd in opdracht van [naam B.V. 2] , bij monde van de daar als planner werkzame [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ), gedaan door [naam VOF] (hierna: [naam VOF] ). [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) is chauffeur en eigenaar van [naam VOF] . [naam B.V. 1] klaarde voor [naam firma] de containers in, verzorgde de opslag van de goederen uit de containers en de levering van die goederen aan de afnemers van [naam firma] .

Observaties en aanhoudingen

Nadat de container op 21 maart 2016 op de Antwerpse kade was teruggeplaatst, is deze met toestemming van de Belgische autoriteiten door Nederlandse opsporingsambtenaren onder observatie genomen. Op 22 maart 2016 is de container door [medeverdachte 2] , vanuit de haven in Antwerpen op zijn trekker (met kenteken [kenteken] ) geladen. Tijdens de observatie is gezien dat [medeverdachte 2] met die trekker naar zijn transportbedrijf, [naam VOF] in [plaats] is gereden. Ook is gezien dat [medeverdachte 2] later die dag met de trekker en container naar een loods aan de [adres 1] is gereden, alwaar het bedrijf van [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ) is gevestigd. Door het observatieteam is gezien dat de container werd losgekoppeld en door [medeverdachte 3] met zijn eigen trekker de loods in werd gereden. Nadat de loods werd afgesloten vond een inval in de loods plaats door het arrestatieteam. [medeverdachte 3] is hierbij aangehouden. Op het moment van de inval was de container nog verzegeld.

Tijdens de observatie is tevens waargenomen dat vanaf het bedrijf [naam VOF] in [plaats] tot aan Made een voertuig van het merk Opel Vivaro, met kenteken [kenteken] , (hierna: de Opel) met de trekker en container, soms vlakbij en soms op enige afstand, is meegereden. De chauffeur van de Opel Vivaro is later geïdentificeerd als [medeverdachte 4] . Bij de Sluizeweg in Made is [medeverdachte 4] omgekeerd en weggereden in de richting van Oosterhout. [medeverdachte 4] bleef zich in de omgeving van de loods in [plaats] ophouden. [medeverdachte 4] is vervolgens op 22 maart 2016 omstreeks 20.45 uur bij een filiaal van McDonalds in Breda aangehouden.

Op 24 maart 2016 heeft [medeverdachte 2] bij de politie te Bergen op Zoom valselijk aangifte gedaan van diefstal van zijn trekker [kenteken] met oplegger met daarop de container.

[medeverdachte 2] en [verdachte] zijn op 29 respectievelijk 30 maart 2016 aangehouden.

Communicatie middels PGP-telefoons (Pretty Good Privacy)

In het onderzoek 26Willemsbos zijn twee PGP-Blackberry telefoons aangetroffen. Deze telefoons bieden de mogelijkheid om veilig te communiceren door versleuteling van de uitgewisselde berichten.

Op aanwijzingen van [medeverdachte 2] is de door hem gebruikte PGP-telefoon (met gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] , (hierna [gebruikersnaam 1] ) op 31 maart 2016 aangetroffen in de kofferbak van zijn auto. Uit onderzoek door een deskundige van het NFI naar de inhoud van de PGP-telefoon van [medeverdachte 2] , is gebleken dat hij veelvuldig contact heeft onderhouden met een persoon met de naam ‘ [naam] ’ (met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] , hierna [gebruikersnaam 2] ) en dat in die gesprekken is gesproken over de onderhavige zaak. Zo is in een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [gebruikersnaam 2] van 23 maart 2016 naar voren gekomen dat zij met elkaar afstemmen dat [medeverdachte 2] aangifte zal gaan doen van diefstal van de container.

Voorts staat in de contactenlijst in de PGP-telefoon van [medeverdachte 2] , onder de naam ‘klant’ de gebruikersnaam [gebruikersnaam 3] (hierna [gebruikersnaam 3] ).

Tijdens de aanhouding van [medeverdachte 4] op 22 maart 2016 is een PGP-telefoon aangetroffen op de bijrijdersstoel van de Opel waarin hij zat. Uit digitaal onderzoek blijkt dat met deze PGP-telefoon op 22 maart 2016 versleutelde berichten zijn verstuurd en ontvangen die kennelijk betrekking hadden op het transport van de container. Op 22 maart 2016 rond 20.00 uur is onder meer aan de gebruiker van deze PGP telefoon bericht dat er 4 ton in zit, om precies te zijn 4170.

Onderzoek 26Sassenheim

Naast de informatie uit de in het onderhavige onderzoek aangetroffen PGP-telefoons zijn ook uit het onderzoek 26Sassenheim ontsleutelde data van PGP Safe ter beschikking gekomen. In dit onderzoek bleek berichtenverkeer aanwezig te zijn dat betrekking had op het onderhavige onderzoek (26Willemsbos).

In de verkregen dataset is onder meer berichtenverkeer van de gebruiker [gebruikersnaam 2] opgenomen. Ook komt naar voren dat de gebruiker [gebruikersnaam 2] contact had met de gebruikers [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] (hierna [gebruikersnaam 4] ). Deze laatste twee gebruikers zijn tot op heden niet geïdentificeerd. Uit de ter beschikking gekomen berichten blijkt dat de gebruiker [gebruikersnaam 2] in ieder geval vanaf november 2015 zakelijke contacten heeft onderhouden met de gebruiker [gebruikersnaam 3] , onder andere over een transport.

Ook is berichtenverkeer van de gebruiker [gebruikersnaam 5] (hierna [gebruikersnaam 5] ) beschikbaar gekomen. De gebruiker, welke is geïdentificeerd als [verdachte] , wordt in berichten ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ genoemd. [verdachte] heeft erkend berichten met een PGP-telefoon te hebben verstuurd. Evenals [medeverdachte 2] en de gebruiker [gebruikersnaam 2] had ook [verdachte] contact met [gebruikersnaam 3] . Uit de berichtenwisseling blijkt dat [verdachte] de gebruiker [gebruikersnaam 3] steeds in kennis stelde van zijn werkzaamheden uit naam van [naam firma] .

Naar aanleiding van het onderzoek naar onder meer het bovengenoemde berichtenverkeer is op 12 juni 2017, [medeverdachte 1] als verdachte gehoord, omdat het onderzoeksteam hem aanmerkte als de vermoedelijke gebruiker [gebruikersnaam 2] .

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1, namelijk het medeplegen van de invoer, waaronder de verlengde invoer, van 4.854 kilo cocaïne via Antwerpen in Nederland en het (verdere) vervoer daarvan. Verdachte heeft met de handel in ananassen door het bedrijf [naam firma] een dekmantel verschaft voor de invoer van cocaïne. Verdachte heeft willens en wetens twijfelachtige personen betrokken bij zijn bedrijf en meegewerkt aan de invoer van cocaïne.

Verder heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2. Verdachte heeft zich door de contante inkoop van de ananassen in Costa Rica met geld waarvan geen legale herkomst is komen vast te staan en de verkoop van die ananassen in Nederland schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wetenschap had van het transport van de cocaïne dan wel dat hij hierop het opzet had in voorwaardelijke zin. Hij is als katvanger gebruikt zonder zich bewust te zijn van die positie. Zijn bedrijf werd als het ware opgesplitst in een deel met legale en een deel met illegale activiteiten.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat, omdat geen grondmisdrijf vastgesteld kan worden en geen inzicht is verkregen in de financiering van de ananassen, verdachte ook van feit 2, witwassen, dient te worden vrijgesproken. [verdachte] heeft bovendien alles verklaard wat in zijn vermogen lag en zijn verklaring is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Feit 1 Invoer van cocaïne

5.3.1.1 Interpretatie en waardering van de inhoud van PGP-berichten

In de onderhavige zaak komt het, voor wat betreft de bewijsvoering, in belangrijke mate aan op de betekenis die kan worden toegekend aan de inhoud van de ter beschikking gekomen PGP-berichten. De rechtbank is zich ervan bewust dat, nu het gaat om uitleg en interpretatie van berichten, het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig is. Om de inhoud van die berichten te kunnen duiden, als betrekking hebbend op de invoer van cocaïne, is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. De rechtbank hanteert bij de interpretatie van die berichten het door het hof Amsterdam in de zaak [naam zaak]3 geschetste toetsingskader, wat neerkomt op het volgende.

De te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan de inhoud van PGP-berichten, gedragingen en gebeurtenissen de duiding, dat het gaat om cocaïne, slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Nagegaan moet worden of de voor het bewijs te bezigen PGP-berichten, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan dat wat van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne. Ook kunnen onder omstandigheden en in het licht van overig bewijs in het nadeel van verdachte conclusies worden getrokken uit de omstandigheid dat verdachte heeft gezwegen of een niet-verifieerbaar verklaring heeft afgelegd op vragen over de inhoud van de PGP-berichten.

5.3.1.2 Is sprake van cocaïne?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de in Antwerpen door de douane aangetroffen blokken met wit poeder cocaïne bevatten. De rechtbank sluit aan bij hetgeen daarover door AG Vegter is gesteld in zijn door de Hoge Raad gevolgde conclusie van 29 augustus 20174 en stelt voorop dat het niet noodzakelijk is een stof te laten onderzoeken in een laboratorium om bewezen te achten dat het een bij de Opiumwet verboden stof is. Een indicatieve test kan bijdragen aan het bewijs dat een stof een verboden stof is. Wel dient er voldoende ondersteunend en betekenisvol bewijs te zijn voordat die conclusie kan worden getrokken.

De rechtbank stelt vast dat de Antwerpse douane in één container 4042 gelijksoortige pakketten met wit poeder heeft aangetroffen, die bij een indicatieve test een positieve uitslag gaven op de aanwezigheid van cocaïne. Het totaalgewicht van de pakketten was ongeveer 4854 kilo. Ten aanzien van een klein deel hiervan, ongeveer 30 gram, is de aanwezigheid van cocaïne in een laboratoriumtest door het NFI definitief bevestigd. Omdat de blokken poeder verschillende stempels/logo’s hadden, kan er niet van worden uitgegaan dat alle blokken eenzelfde afkomst hebben en reeds daarom allemaal cocaïne hebben bevat. Er zijn echter meer aanwijzingen dat het hier ging om een zeer grote hoeveelheid cocaïne.
De container was afkomstig uit Zuid-Amerika en had een dekmantel lading. Er waren bijzondere voorzieningen getroffen voor het verdere vervoer en het lossen van de lading. Parallel aan de communicatie in het normale logistieke proces, heeft afgeschermde communicatie met PGP telefoons plaatsgevonden. Tussen betrokkenen bij de container zijn onder meer de volgende PGP-berichten gewisseld (aangetroffen in de PGP telefoon die in de auto van [medeverdachte 4] lag): “Ja wollah zit over de 4 ton in broer pfff. 100 mil euro geen grap”, “Ja wat dacht jij dan 4170 om precies te zijn”, “Ik zei toch 1 na laatste grootste vanst ooit in antw.. die 8 ton was de grootste en nu deze dan als gepakt is”. De container moest op een andere locatie dan gebruikelijk afgeleverd worden. De chauffeur, [medeverdachte 2] , zou hiervoor € 50.000 ontvangen. De container werd tijdens het vervoer nauwlettend in de gaten gehouden door verkenners en/of beveiligers die elkaar waarschuwden voor de aanwezigheid van verdachte auto’s. Dit alles duidt op de (veronderstelde) aanwezigheid van een omvangrijke en waardevolle lading. De rechtbank is van oordeel dat al het voorgaande voldoende steun biedt aan de in Antwerpen verrichtte indicatieve tests, zodat bewezen kan worden dat de hele lading met blokken wit poeder cocaïne bevatte.

Niet kan worden vastgesteld of het genoemde totaalgewicht van 4.854 kilo een netto gewicht betreft of dat dit het totaalgewicht is van de pakketten inclusief verpakking. Het gaat om ruim 4.000 gelijksoortige pakketten (4.042) met wit poeder die in de container zijn aangetroffen. Het komt de rechtbank niet vreemd voor dat de cocaïne in pakketten van elk een kilo is verpakt. De rechtbank gaat er van uit dat de lading ongeveer 4.000 kilo cocaïne bevatte. Deze aanname wordt nog ondersteund door de al eerder genoemde mededeling via de PGP telefoon door een van de betrokkenen bij het transport, dat het zou gaan om 4 ton.

5.3.1.3 De rol van verdachte bij de (verlengde) invoer van cocaïne

Met het bedrijf van verdachte, [naam firma] , werd vanaf september 2015 alleen nog gehandeld in ananassen. De handel begon kleinschalig, maar uiteindelijk werden vanuit het bedrijf [naam bedrijf 1] in Costa Rica (vanaf november 2015) wekelijks vier containers met ananassen ingevoerd. Op 21 maart 2016 zat in een van de vier containers cocaïne.

Verdachte heeft verklaard dat hij, bij gebrek aan ervaring met het inkopen van fruit, de inkoop van de ananassen had uitbesteed aan twee mannen genaamd “ [naam man 1] ” en “ [naam man 2] ” van het bedrijf [naam bedrijf 2] in [plaats] . Hiertoe had hij de inloggegevens van [naam firma] aan [naam man 1] ter beschikking gesteld. Hoewel het onderzoek naar [naam man 1] , [naam man 2] en [naam bedrijf 2] niets opgeleverd heeft, is uit de inhoud van verkregen PGP-berichten wel gebleken dat er personen waren die zich vanaf september 2015 achter de schermen bezig hebben gehouden met [naam firma] . In deze berichten wordt verdachte ‘ [bijnaam 2] ’ genoemd. Dit blijkt uit de berichten van 13 oktober 2015 tussen de gebruiker [gebruikersnaam 6] en [gebruikersnaam 3] : “Top wanneer zijn de bakken van [bijnaam 2] vertrokken??”, “7 okt was het ingeladen. 12 okt gaat het weg! 27 okt komt hij hier in antwerpen”, en de berichten van 12 november 2015: “Top! Hij heeft me al eerder gezegd! Dat wij bepalen wat daar op zijn zaak gebeurd!”. Ook het bericht van 10 november 2015 is hiervoor redengevend: “Stuur me eff de inlog gegevens van [bijnaam 2] ! Nu graag ben buiten wilt mail checken”. Ook kreeg verdachte via de PGP-telefoon instructies van een onbekend gebleven persoon en heeft verdachte de gebruiker [gebruikersnaam 7] om leefgeld gevraagd.

Verdachte heeft verklaard dat de personen, die hij kent als [naam man 1] en [naam man 2] , misbruik van hem hebben gemaakt en achter zijn rug om de partij cocaïne hebben ingevoerd en daarvoor de handel van [naam firma] , de invoer van ananassen, als dekmantel hebben gebruikt. Verdachte heeft ontkend dat hij ervan op de hoogte was dat tussen de lading ananassen een partij cocaïne werd vervoerd.

De verklaring van verdachte acht de rechtbank om meerdere redenen ongeloofwaardig. Dat verdachte bewust betrokken was bij de invoer van de partij cocaïne en dat zijn opzet daar ook op was gericht, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.

Verdachte heeft de personen, volgens hem [naam man 1] en [naam man 2] genaamd, toegelaten in zijn bedrijf en heeft die samenwerking verborgen gehouden voor de medewerkers van [naam firma] . De communicatie tussen verdachte en die [naam man 1] en [naam man 2] vond heimelijk plaats, namelijk via PGP-telefoons. De medewerkers, [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] (partner van verdachte) en [medewerker 4] (schoonzus van verdachte) zijn als getuigen gehoord en hebben allemaal verklaard dat zij in de veronderstelling waren dat verdachte zelf de inkopen deed, dat zij er niet van op de hoogte waren dat verdachte de inkoop had uitbesteed en dat zij nog nooit gehoord hadden van [naam man 1] of [naam man 2] . De betrokken logistieke partners, [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] en de afnemers van de ananassen ( [afnemer 1] en [afnemer 2] hebben verklaard dat verdachte hun contactpersoon was bij [naam firma] . Ook de leverancier van de ananassen uit Costa Rica, [naam bedrijf 1] (hierna [naam bedrijf 1] ) zag verdachte als contactpersoon van [naam firma] . Verdachte ontving berichten van [naam bedrijf 1] (foto’s van de containers met verzegeling) op zijn eigen telefoon met nummer eindigend op * [nummer 2] . Verdachte stuurde deze berichten weer door. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij contacten onderhield met [naam B.V. 1] , dat hij ervoor zorgde dat de papieren bij expediteur [naam B.V. 2] terecht kwamen en dat de containers en facturen naar de afnemers gingen. Uit bovenstaande volgt dat verdachte contactpersoon vanuit [naam firma] was voor alle betrokken partijen. Verdachte had toegang tot het e-mailaccount van inkoop en hij bekeek, hoewel het account feitelijk ook gebruikt werd door de onbekend gebleven derde(n), ook de binnenkomende e-mails, aldus verdachte. Als verdachte een e-mail met het account verstuurde ondertekende hij deze als ‘Manager van [naam firma] ’. Verdachte was eigenaar en feitelijk leidinggevende van het bedrijf [naam firma] , zo werd hij ook gezien en hij heeft ook feitelijk werkzaamheden verricht ten behoeve van de invoer van de containers uit Costa Rica.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte zich niet alleen volop bezig hield met de invoer van ananassen, maar ook moet hebben geweten dat er cocaïne zou worden ingevoerd. Een omstandigheid die daarbij een rol speelt is dat verdachte wist dat er wekelijks containers ananassen binnen kwamen maar niet helder kan verklaren waarvan en op welke wijze de ananassen (contant) in Costa Rica werden betaald. Dit terwijl de handel op papier verliesgevend was. Bij verdachte had de vraag moeten rijzen of op andere wijze voordeel van deze importlijn werd genoten. Hier komt bij dat de import expliciet moest verlopen via Antwerpen, terwijl invoer via Rotterdam meer in de rede lag omdat dit dichterbij de afnemers ligt en voordeliger was. Verdachte was hierop geattendeerd door een medewerker van [naam B.V. 1] . Dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat er cocaïne zou worden ingevoerd leidt de rechtbank ook af uit het navolgende.

Het gebruik van de PGP-telefoon

Verdachte heeft steeds ontkend gebruik te hebben gemaakt van een PGP-telefoon. Op de terechtzitting van 3 december 2018 is hij op deze verklaring teruggekomen en heeft hij verklaard dat hij ongeveer drie maanden over een PGP-telefoon heeft beschikt, dat de berichten in het dossier inderdaad op hem slaan en dat hij de telefoon had gekregen van [naam man 1] . Naar eigen zeggen loopt ‘heel crimineel Nederland’ met dergelijke telefoons. Verdachte heeft verklaard dat hij [naam man 1] onder de namen [naam 1] en [naam 2] in zijn telefoon had opgeslagen. In het sms-contact tussen verdachte en deze [naam man 1] wordt gesproken over “ik heb de pgp”, “vriend of je naar je bb kan kijken” en “vriend kijk je bb”. Opvallend is dat deze berichten door verdachte van de telefoon zijn verwijderd nadat het opsporingsteam is binnengevallen in de loods te [plaats] waar de container stond. Het verwijderen van berichten uit de telefoon, het (in eerste instantie) ontkennen van het gebruik van de PGP-telefoon en de afscherming van andere betrokkenen duidt erop dat verdachte heeft willen verbloemen dat hij met hen heeft samengewerkt bij illegale praktijken.

Uit een PGP-bericht van 13 april 2016 die de gebruiker [gebruikersnaam 4] stuurde aan de gebruiker [gebruikersnaam 8] is gebleken dat zij denken dat ‘de [bijnaam 1] ’ (de rechtbank gaat ervan uit dat hiermee verdachte wordt bedoeld) aan het praten is. Kennelijk is verdachte van illegale zaken op de hoogte en kan hij daarover verklaren.

‘Het grote geld’

Op 1 december 2015 stuurde verdachte het volgende bericht naar het contact ‘ [naam contact] ’: “…daarna gaat het grote geld komen yes”. Dit is een opvallend bericht, omdat door [naam firma] zoals gezegd tot dan toe enkel verlies werd geleden. Daar komt bij dat desondanks door verdachte vanaf een bepaald moment ook daadwerkelijk grote aankopen werden gedaan en in korte tijd veel geld werd uitgegeven. Zo heeft verdachte een keuken ter waarde van € 26.000,- gekocht die eind maart 2016 zou worden geleverd en betaald. De container met cocaïne is eind maart 2016 ingevoerd. Verder is het opvallend dat verdachte eind maart 2016 tienduizenden euro’s van de rekening van [naam firma] heeft gehaald en dat ook voor het eerst salarissen worden uitbetaald aan [medewerker 3] , [medewerker 2] , [medewerker 1] en aan verdachte zelf. Verdachte heeft vanuit [naam firma] een factuur betaald van € 10.000,- voor het plaatsen van kozijnen in zijn huurwoning. Ook heeft hij € 15.000,- overgeboekt naar zijn privé rekening, waarvan hij € 5.000,- contant heeft opgenomen en € 10.000,- naar de rekening van [medewerker 4] is overgemaakt. Op 5 april 2016 werd vanuit [naam firma] € 15.000,- naar [medewerker 4] overgemaakt. Op 8 april 2016 is € 10.000,- contant opgenomen van de bankrekening van [naam firma] .

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2018 verklaard dat er een grote investeerder zou zijn geregeld door [naam man 1] en dat daarom ‘het grote geld’ zou komen. Deze verklaring van verdachte is gelet op het voorgaande ongeloofwaardig en op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De grote uitgaven zijn, in het licht van het voorgaande, alleen te verklaren vanuit de wetenschap van verdachte dat eind maart 2016 een waardevolle lading zou worden ingevoerd en dat dan ‘het grote geld’ daadwerkelijk zou binnenkomen. Verdachte heeft op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om cocaïne ging gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden met betrekking tot de import van de containers fruit uit Zuid-Amerika. Bovendien ligt het voor de hand dat de organisatoren van een dergelijke transport personen betrekken die te vertrouwen zijn en die zullen naar verwachting goed worden geïnstrueerd en geïnformeerd.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de (verlengde) invoer van de container met cocaïne en het verdere vervoer daarvan.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank nam verdachte in de organisatie een sleutelpositie in en was hij daarmee als onmisbaar onderdeel van de organisatie betrokken bij de (verlengde) invoer van de ten laste gelegde partij cocaïne. Verdachte kan als medepleger worden aangemerkt omdat uit het dossier blijkt dat verdachte hierin nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. Verdachte was een spil in de organisatie en heeft actief contact onderhouden met betrokkenen over de handel in ananas en de te verrichten handelingen met de containers waarin de ananas werd vervoerd zowel heimelijk via de PGP-telefoon als via officiële kanalen. De door verdachte verrichtte gedragingen, ook vóór de inbeslagname van de partij cocaïne, kunnen op geen andere wijze worden uitgelegd dan als te zijn gericht op de samenwerking die uiteindelijk moest leiden tot de binnenkomst van de container met cocaïne via Antwerpen in de loods in [plaats] . Verdachte heeft met zijn handelingen dan ook een wezenlijke bijdrage geleverd aan de (verlengde) invoer van de grote hoeveelheid van ongeveer 4.000 kilo cocaïne.

5.3.1.4 Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van een grote hoeveelheid cocaïne en het verdere vervoer daarvan.

5.3.2

Feit 2, Witwassen

5.3.2.1 Toetsingskader

Witwassen is een breed (juridisch) begrip. Het komt erop neer dat vrijwel alle handelingen die worden verricht met de opbrengsten van strafbare feiten kunnen worden aangemerkt als witwassen. Het doel van witwassen is meestal het verbergen van die illegale herkomst. De criminele herkomst moet immers uit het zicht van de autoriteiten blijven.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld of het geld waarmee de ananassen zijn ingekocht afkomstig is uit een misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, opgenomen in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b Wetboek van Strafrecht (Sr), niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffend geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezenverklaring van witwassen volgen, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Daarnaast moet worden vastgesteld welke witwashandelingen verdachte met het geld heeft verricht.

5.3.2.2 Vermoeden van witwassen

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen af dat er vanaf eind oktober 2015 tot en met maart 2016 in totaal 97 containers ananassen zijn verzonden door [naam bedrijf 1] vanuit Costa Rica naar [naam firma] . In de administratie van [naam firma] zijn slechts twee inkoopfacturen van [naam bedrijf 1] aangetroffen. Uit de getuigenverklaring van [naam getuige] (werkzaam voor [naam bedrijf 1] ) is gebleken dat er, op de eerste zending na, contant is betaald voor de zendingen ananassen. In totaal zijn ananassen ingekocht voor een contant bedrag ter waarde van ruim 1,2 miljoen euro. Van de contante betalingen zijn geen stukken in de administratie van [naam firma] terug te vinden. Ook verdachte heeft geen verklaring gegeven waaruit de legale herkomst van een dergelijk geldbedrag blijkt. De handel in ananassen was juist verliesgevend. De ananassen werden onder de inkoopprijs verkocht aan afnemers in Nederland. Er werd van de rekening van [naam firma] in de periode oktober 2015 tot en met maart 2016 een bedrag van € 62.990,- contant opgenomen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2018 verklaard dat deze contante opnamen niet zijn gebruikt voor de inkoop van ananassen, maar dat deze zijn gebruikt voor de aankoop van auto’s door [naam autohandel] Het dossier biedt derhalve geen enkel aanknopingspunt dat de geldbedragen waarmee door [naam firma] ananassen werden ingekocht een legale herkomst hebben.

Gelet op deze bevindingen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen waarmee de ananassen die hij verhandelde werden ingekocht.

5.3.2.3 Verklaring herkomst geld

Verdachte heeft over de herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag verschillende verklaringen afgelegd, welke als volgt kunnen worden samengevat. Verdachte heeft de inkoop van ananassen uitbesteed aan [naam man 1] en [naam man 2] . Op 3 december 2018 heeft verdachte verklaard dat hij tweemaal
€ 10.000,- contant heeft betaald aan [naam man 1] voor de inkoop van de ananassen. Verder zouden investeringen zijn gedaan vanuit [naam autohandel] Geconfronteerd met het feit dat uit het dossier is gebleken dat 1,2 miljoen euro contant is betaald, heeft verdachte verklaard hier niets van af te weten. Verdachte heeft inconsistente verklaringen afgelegd over de financiering van de inkoop van ananassen. Zo zouden [naam 3] en [medewerker 2] geld hebben geleend ten behoeve van [naam firma] om te investeren in fruit. Beiden ontkennen dit stellig. Op een ander moment verklaart verdachte weer dat er geld kwam uit de handel van blikjes. Het blijft volstrekt onduidelijk om welk bedrag dit zou gaan en er is niets van in de administratie van [naam firma] terug te vinden. Verdachte verklaart op enig moment ook dat hij veel vaker, namelijk gedurende zeven maanden, een bedrag van € 30.000,- per maand aan [naam man 1] betaalde. Even later verklaart verdachte in totaal € 180.000,- te hebben betaald voor de ananassen. Een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld voor de ananassen die verdachte verhandelde is door hem niet gegeven.

Verdachte moet volgens de rechtbank hebben geweten dat de contante geldbedragen geen legale herkomst hadden. De contante betalingen die in Costa Rica zijn gedaan voor de inkoop van de ananassen zijn, in ieder geval niet op herleidbare wijze, met middelen van [naam firma] verricht. Wel is uit het dossier, en met name uit de PGP berichten, gebleken dat de gebruiker [gebruikersnaam 3] ervoor heeft gezorgd dat een betrokken persoon in Costa Rica de betalingen heeft verricht. Vastgesteld kan worden dat de communicatie over de financiering via een heimelijk kanaal verliep. Gebleken is dat de financiering van de ananassen fungeerde als dekmantel voor de invoer van de container met de partij cocaïne op 21 maart 2016. Gelet op deze feiten en omstandigheden en bij het ontbreken van een heldere verklaring van verdachte over de herkomst van het geld, kan gesteld worden dat de geldbedragen waarmee de partijen ananassen zijn ingekocht een criminele herkomst hebben.

5.3.2.4 Witwashandelingen

De rechtbank is van oordeel dat het voorhanden hebben van de partijen ananassen en de verkoop van die ananassen aan de afnemers in Nederland als witwashandelingen in de zin van artikel 420bis lid 1, onder b Sr (omzetten, overdragen en gebruik maken) moeten worden gezien. De contante geldbedragen zijn onmiddellijk (direct) uit enig misdrijf afkomstig. De met dit geld gefinancierde partijen ananassen zijn daardoor middellijk (indirect) uit enig misdrijf afkomstig.

5.3.2.5 Medeplegen

Verdachte heeft uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de ananashandel. Verdachte heeft onbekend gebleven derden achter de schermen van [naam firma] de ananassen laten inkopen en betalen. Verdachte heeft vervolgens zelf het vervoer via [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] geregeld en ervoor gezorgd dat de ananassen bij de afnemers terecht kwamen. Daarvan heeft verdachte ook de vruchten geplukt. Hij kreeg immers de opbrengst van de verkoop zonder dat hij voor de inkoop van het fruit hoefde te betalen. De gedragingen van verdachte kunnen op geen andere wijze worden uitgelegd dan als te zijn gericht op de nauwe en bewuste samenwerking die moest leiden tot het functioneren van [naam firma] als dekmantel voor het cocaïnetransport. Verdachte heeft met zijn handelingen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.

5.3.2.6 Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen van geldbedragen en ananassen. Gelet op de duur, omvang en intensiteit kan dit als gewoontewitwassen worden aangemerkt.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 1

omstreeks de periode van 21 maart 2016 tot en met 22 maart 2016 te Antwerpen en Bergen op Zoom en Made, tezamen en in vereniging met anderen,

een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

en

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, opzettelijk heeft vervoerd;

feit 2

in de periode van 1 november 2015 tot en met 30 maart 2016 in Nederland en Costa Rica, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededaders telkens:

  • -

    contante geldbedragen gemoeid met de inkoop van containers ananassen en

  • -

    partijen ananassen voorhanden gehad, overgedragen en omgezet

en

  • -

    van deze contante geldbedragen gemoeid met de inkoop van containers ananassen en

  • -

    van deze partijen ananassen gebruik gemaakt,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat deze contante geldbedragen en ananassen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest. Bij de strafeis is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie heeft voorts de opheffing van de schorsing gevorderd.

9.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft (subsidiair) verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder betrokken is geweest bij een transport, met de persoonlijke omstandigheden en de persoonlijkheid van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte bij einduitspraak opnieuw te schorsen, omdat verdachten in beginsel recht hebben om de berechting in vrijheid af te wachten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1

De strafoplegging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Strafwaardigheid

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van ongeveer 4.000 kilo cocaïne. Hij is er met anderen verantwoordelijk voor dat een grote lading cocaïne uit Zuid-Amerika richting Europa is vervoerd via Nederland naar Antwerpen en daarna (een klein teruggeplaatst deel) weer opnieuw naar Nederland. Het bedrijf van verdachte heeft met de handel in ananassen hiervoor als dekmantel gefungeerd. Verdachte heeft onbekend gebleven personen toegelaten in zijn bedrijf en zijn bedrijf heeft een cruciale rol gespeeld bij de (verlengde) invoer van de partij cocaïne. Verdachte heeft zowel heimelijk, via PGP-telefoon als via officiële kanalen contact onderhouden met betrokkenen.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid van ongeveer 4.000 kilo is dermate groot dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Ter bestrijding van harddrugsverslaving en ter voorkoming en bestrijding van illegale harddrugshandel dient de invoer van cocaïne streng te worden bestraft. Op de invoer van cocaïne is door de wetgever een gevangenisstraf gesteld van maximaal twaalf jaar. Op het plegen van het onderhavige feit dient daarom te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur.

Verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft geldbedragen en partijen ananassen, die respectievelijk onmiddellijk en middellijk van misdrijf afkomstig zijn, witgewassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Door het handelen van verdachte heeft hij de illegale herkomst van de geldbedragen verbloemd en aan het zicht van justitie onttrokken. De rechtbank acht dit een ernstig feit.

De straf

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten. Voor de invoer van hoeveelheden vanaf 20 kilogram cocaïne geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van vijf tot zes jaar. De rechtbank zal ook op die wijze het oriëntatiepunt benaderen. Bij gebrek aan aparte oriëntatiepunten voor witwassen zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het oriëntatiepunt voor ‘fraude met betrekking tot een bedrag van € 1.000.000,- en hoger’, waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 24 maanden geldt.

De rechtbank houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat verdachte is beperkt in zijn verstandelijke vermogens en dat onbekend gebleven derden achter de schermen de touwtjes in handen leken te hebben bij de ontplooide criminele activiteiten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van 23 oktober 2018, niet eerder is veroordeeld. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte first offender is en na zijn aanhouding in deze zaak ook niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank sluit zich, bij de beoordeling van het verweer ten aanzien van de redelijke termijn, aan bij jurisprudentie van de Hoge Raad5 op dat punt. Het uitgangspunt is dat een strafzaak binnen twee jaar, te rekenen vanaf het moment dat in redelijkheid de verwachting kan worden ontleend dat de strafvervolging zal worden ingezet, een uitspraak wordt gewezen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden die van invloed zijn geweest op de duur van de zaak. De genoemde verwachting kan worden ontleend aan de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding. Verdachte is in verzekering gesteld op 30 maart 2016. De redelijke termijn is dus op die dag aangevangen. Tot de uitspraak van vandaag zijn derhalve strikt genomen twee jaar en tien maanden verstreken. In beginsel wordt een overschrijding van de termijn met tien maanden gecompenseerd door vermindering van de straf met 10 % (tweede categorie).

De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die van invloed zijn geweest op de duur van de zaak. De complexiteit van het onderhavige opsporingsonderzoek, door met name het technisch gecompliceerde ontsluiten van (zeer relevant gebleken) PGP-berichten en de rechtshulpverzoeken aan België en Costa Rica, die een verdenking als de onderhavige met zich meebrengt, heeft bijgedragen aan de duur van de zaak. De rechtbank acht het daarom redelijk om aan te sluiten bij de eerste categorie en een strafvermindering van 5 % toe te passen.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de beschreven rol van verdachte in het geheel, het opleggen van een gevangenisstraf van zes jaar passend en geboden is. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn betekent dit dat van de gevangenisstraf van zes jaar, zijnde 72 maanden, (5 % van 72 is 3,6) afgerond vier maanden worden afgetrokken.

Aan verdachte wordt daarom een gevangenisstraf opgelegd van 68 maanden.

9.3.2

Voorlopige hechtenis

Het thans geldende bevel voorlopige hechtenis van verdachte ziet op feit 1 op de tenlastelegging. Dit bevel voorlopige hechtenis van verdachte is vanaf 9 december 2016 geschorst tot de uitspraak in de onderhavige zaak. De voorlopige hechtenis herleeft derhalve bij de uitspraak op 29 januari 2019.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte te laten voortduren. De rechtbank laat het belang van verdachte – mede gelet op de ouderdom van de feiten – bij het in vrijheid afwachten van een eventuele procedure in hoger beroep zwaarder wegen dan de belangen van de maatschappij bij voortduring van de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom opheffen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

eendaadse samenloop van

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 68 (achtenzestig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en R.C.J. Hamming, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2019.

1 LIRC, Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum, onderdeel van DLIO, Dienst Landelijke Informatie Organisatie DLIO

2 Het is een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde.

3 Hof Amsterdam van 14 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0299

4 ECLI:NL:PHR:2017:1139, ECLI:NL:HR:2017:2816

5 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578