Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5650

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

last onder bestuursdwang / shisha lounge / gemeten koolmonoxidewaarden te hoog / sprake van een overtreding / acuut gevaar voor de gezondheid van bezoekers en personeel / de gemeente kon tot handhaving over gaan / VoVo-verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/3731

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [naam bedrijf] , te [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.P. Alspeer),

en

de burgemeester van Amsterdam en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Met het besluit van 19 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast om per direct het gebruik van shisha’s (waterpijpen), te staken en gestaakt te houden en de waterpijpen, bijbehorende (verhittings)installatie en de shishakooltjes te verwijderen en verwijderd te houden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit tot zes weken nadat op zijn bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verzoeker verschenen [naam] en [naam] , beiden werkzaam bij [naam bedrijf] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] en [naam] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding van deze procedure

2.1.

Verzoeker exploiteert het horecabedrijf [naam bedrijf] op het adres [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het horecabedrijf). In het horecabedrijf wordt gebruik gemaakt van shisha’s.

2.2.

Op 7 december 2018 is een te hoge concentratie koolstofmonoxide geconstateerd in het horecabedrijf. Dit heeft destijds geleid tot de oplegging van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang, waarbij - samengevat - gelast is het gebruik van shisha’s in het horecabedrijf te staken en gestaakt te houden. Naar aanleiding hiervan zijn er door het horecabedrijf maatregelen getroffen ter voorkoming van te hoge koolmonoxidewaarden, zoals onder meer een instructielijst voor het personeel. Vanwege de genomen maatregelen zijn de opgelegde lasten op 7 januari 2019 ingetrokken, waarna het gebruik van shisha’s weer was toegestaan.

2.3.

Op 14 juni 2019 is het horecabedrijf bezocht door een milieu-inspecteur. Daarbij zijn koolmonoxidewaarden gemeten, die op twee plaatsen fors hoger dan toegestaan bleken te zijn, gelet op de daarvoor gehanteerde richtlijnen1 van het RIVM2. Vanwege deze waarden en het daarmee gepaard gaande gevaar is verweerder opnieuw tot handhaving overgegaan.

2.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast om per direct het gebruik van shisha’s te staken en gestaakt te houden en de waterpijpen, bijbehorende (verhittings)installatie en de shishakooltjes te verwijderen en verwijderd te houden. Verweerder heeft het bestreden besluit - samengevat - als volgt gemotiveerd. Op 14 juni 2019 was een goot aantal shisha’s aanwezig in het horecabedrijf. Dit leidde tot een hoge concentratie koolstofmonoxide in het horecabedrijf: in de rookruimte zijn 42 en 43 parts per milion (ppm) gemeten en in de bereidingsruimte van de kooltjes 76 en 100 ppm. Afgezet tegen de richtlijnen voor de concentratie van koolstofmonoxide van het RIVM (zie p. 2 van het bestreden besluit) vormen de geconstateerde waarden een direct gevaar voor de gezondheid van werknemers, van bezoekers en van verzoeker. De maximaal toegestane grenswaarde van 25 ppm is op twee plaatsen in het horecabedrijf immers ruimschoots overschreden. Dit is in strijd met artikel 2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onder l, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, met artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer en met artikel 3.16, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 ( Amsterdam ) en de in dit kader gehanteerde richtlijnen van het RIVM. Hoewel verzoeker meerdere keren is gewaarschuwd (namelijk eerder op 13 juli 2018 en 11 december 2018) zijn er kennelijk geen of niet voldoende maatregelen genomen om (de gevaren van) te hoge koolstofmonoxidewaarden te voorkomen of te beperken. Ook heeft verzoeker zich niet gehouden aan de instructies die naar aanleiding van de vorige constatering zijn opgesteld. Het algemeen belang dat gediend is met handhaving weegt zwaarder dan het individuele belang bij het laten voortbestaan van een illegale situatie. Handhaving is des te meer geboden nu er een acuut gevaar voor de gezondheid van bezoekers bestaat bij het laten voortbestaan van het gebruik van shisha’s in het horecabedrijf.

Oordeel voorzieningenrechter

3.1.

Vastgesteld wordt dat verzoeker de hoogte van de op 14 juni 2019 gemeten koolmonoxidewaarden in het horecabedrijf niet betwist. Gelet op die waarden heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de richtlijnen of advieswaarden van het RIVM, terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een overtreding.3 De stelling van verzoeker dat het horecabedrijf voldoet aan de technische vereisten voor een shisha lounge, dat de maatregelen die in december 2018 zijn genomen in stand zijn gelaten en dat dit wordt bevestigd in het rapport van [naam] van [naam bedrijf] laat de gemeten waarden en dus de overtreding onverlet.

3.2.

Vanwege deze overtreding was verweerder bevoegd om tot handhaving over te gaan. Volgens vaste rechtspraak dient verweerder in beginsel ook gebruik te maken van een aan hem toekomende handhavingsbevoegdheid. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van verweerder gevergd worden dit niet te doen. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhaven zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van handhaven dient te worden afgezien. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van het opleggen van de last onder bestuursdwang af had moeten zien, is niet gebleken.

3.3.

Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, zoals verzoeker betoogt, te oordelen dat verweerder had moeten volstaan met een bestuurlijke waarschuwing. Gelet op de hoogte van de op 14 juni 2019 gemeten koolmonoxidewaarden heeft verweerder direct kunnen ingrijpen met het opleggen van een last onder bestuursdwang zonder begunstigingstermijn. Deze gemeten waarden leverden gezien de door het RIVM gehanteerde richtlijnen of advieswaarden een acuut gevaar op voor de gezondheid van bezoekers en personeel. Daarbij komt dat verzoeker als gevolg van het eerdere handhavend optreden door verweerder in december 2018 al als een ‘gewaarschuwd mens’ kan worden beschouwd en het aan hem als ondernemer is om er voor te zorgen dat hij de geldende regelgeving, waaronder de RIVM richtlijnen of advieswaarden, in acht neemt. Of dit praktisch haalbaar is met zijn huidige (in december 2019 aangeschafte) ventilatiesysteem dient hij zelf te (laten) controleren of keuren. Verweerder is niet gehouden om op verzoek van verzoeker een dergelijke controle of keuring uit te voeren. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de wijze waarop verweerder met het bestreden besluit tot handhaving is overgegaan, niet onevenredig is. Dat verzoeker hierdoor inkomsten misloopt, begrijpt de voorzieningenrechter, maar komt gelet op het voorgaande voor zijn eigen rekening en risico.

Beslissing voorzieningenrechter

4. Het bezwaar van verzoeker heeft bij deze stand van zaken geen redelijke kans van slagen, waardoor er geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 augustus 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 GGD-richtlijn medische milieukunde: koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten.

2 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

3 Van artikel 2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onder l, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, met artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer en met artikel 3.16, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 ( Amsterdam ).