Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5636

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
13/702114-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man krijgt 7 jaar gevangenisstraf onder meer omdat hij in juli 2018 een moeder en zoon in Amsterdam-Zuid sloeg en in het gezicht schopte. Ook moet hij ruim 4000 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702114-17 (Promis)

Datum uitspraak: 31 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex [naam Justitieel Complex] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Steller naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1:

primair: zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 4 juli 2017 in Amsterdam;

subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 4 juli 2017 in Amsterdam;

Feit 2:

bedreiging van [slachtoffer 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht op 4 juli 2017 in Amsterdam;

Feit 3:

belediging van politieambtenaar [slachtoffer 2] op 23 juli 2017 in Amsterdam;

Feit 4:

primair: diefstal van twee fietsen in de periode van 1 mei 2017 tot en met 23 juni 2017 in Amsterdam;

subsidiair: heling van twee fietsen op 23 juli 2017 in Amsterdam;

Feit 5:

primair: poging tot doodslag van [slachtoffer 3] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer 3] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

Feit 6:

primair: poging tot doodslag van [slachtoffer 4] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer 4] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

Feit 7:

mishandeling van [slachtoffer 5] op 3 juli 2018 in Amsterdam;

Feit 8:

vernieling van ruiten van [slachtoffer 6] in de periode van 3 juli 2018 tot en met 16 juli 2018 in Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Oordeel van de rechtbank

4.1.1.

Ten aanzien van het primair onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde, de zware mishandeling van [slachtoffer 1] , bewezen is. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn broer, aangever, op 4 juli 2017 ruzie met elkaar hebben gehad. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat sprake was van een conflict waarbij over en weer werd geduwd en getrokken. Hij is tussenbeide gekomen en heeft geprobeerd verdachte en aangever uit elkaar te halen. Hierna leek de situatie onder controle te zijn, maar vervolgens is verdachte met een mes achter aangever aangerend – welk feit onder 4.1.2 van dit vonnis zal worden besproken – waarbij zij beiden in het trappenhuis zijn beland. Over dit moment heeft aangever in zijn aangifte verklaard dat hij, toen hij de trap afliep, op enig moment een beetje weggleed (de rechtbank begrijpt: van de trap), zich vast hield aan de leuning en zich omdraaide en toen in een flits een voet op zich af zag komen en een heftige pijn op zijn linker kaak voelde en ook wat bloed uitspuugde. Volgens aangever is hij dus op dat moment in zijn gezicht getrapt door verdachte. Op aanraden van een ambulancebroeder heeft aangever zich in het ziekenhuis laten onderzoeken, waar is gebleken dat zijn kaak gebroken is.

Alternatief scenario

Verdachte heeft zich tijdens zijn eerste verhoor bij de politie op 5 juli 2017 op zijn zwijgrecht beroepen. Wel heeft hij (buiten het verhoor) gezegd dat aangever aan verdachte diens geld niet wilde teruggeven, dat het dan maar met harde hand moest en dat hij aangever heeft geslagen. Bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat aangever inderdaad van verdachte wegrende omdat verdachte hem met een hakmes bedreigde, maar dat aangever tijdens het wegrennen van de trap is gevallen. Aangever zou zich in de val hebben omgedraaid en daardoor verkeerd terechtgekomen zijn, wat zou hebben geleid tot de gebroken kaak. Verdachte ontkent dat hij aangever heeft getrapt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Aangever heeft zowel in zijn aangifte op 5 juli 2017 als tegenover de verbalisanten die op 4 juli 2017 ter plaatse waren verklaard dat verdachte hem tegen zijn kaak heeft getrapt. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze verklaring, terwijl ook ter zitting geen enkele reden is aangevoerd waarom aangever (notabene de broer van verdachte) op dit punt een onware, voor verdachte belastende, verklaring zou hebben afgelegd. Voorts wordt de verklaring van aangever onderschreven door de verklaring van getuige [naam getuige 1] die – hoewel hij niet bij het voorval in het trappenhuis aanwezig is geweest en de schop dus niet zelf heeft kunnen waarnemen – op 5 juli 2017 heeft verklaard dat aangever hem na het incident heeft verteld dat verdachte hem in het gezicht heeft geschopt. Voorts past het letsel van aangever, een gebroken kaak, naar het oordeel van de rechtbank meer bij een gerichte trap op een kaak, dan bij een val van de trap.

Mogelijke, door de raadsman geconstateerde, tegenstrijdigheden in de verklaringen van de aangever over waar hij zich precies op de trap heeft bevond, en in welke precieze houding, doen aan de kern van zijn verklaring niet af en kunnen goed verklaard worden door vergissingen. De rechtbank acht dus bewezen dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft getrapt en dat aangever daardoor een gebroken kaak heeft opgelopen.

Zwaar lichamelijk letsel

Met betrekking tot het letsel overweegt de rechtbank dat dit onder meer als zwaar kan worden beschouwd indien het letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel (ECLI:NL:HR:2018:1051).

De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij aangever is veroorzaakt, te weten een gebroken kaak, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, zwaar lichamelijk letsel oplevert. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat aangever een ingreep bij de kaakchirurg moeten heeft ondergaan, waarbij meerdere schroeven in de boven- en onderkaak zijn geboord die middels elastieken met elkaar zijn bevestigd. Aangever kon gedurende zes weken niet goed praten en alleen vloeibaar voedsel eten. Naar gewoon spraakgebruik is sprake van zwaar letsel. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen verklaard.

4.1.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de bedreiging van [slachtoffer 1] kan worden bewezen.

4.1.3.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsman – de belediging van de politieambtenaar bewezen.

4.1.4.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde – de diefstal van twee fietsen – overweegt de rechtbank als volgt.

Verbalisanten hebben verdachte aangetroffen op een zwarte damesfiets, terwijl hij met zijn rechterhand een andere zwarte damesfiets vasthield. Toen zij hem vroegen hoe hij aan de fietsen kwam, verklaarde verdachte dat de fiets waar hij op zat zijn eigendom was en dat hij de andere fiets – zonder slot – had gevonden en deze had meegenomen.

Voor een bewezenverklaring van diefstal is vereist dat is komen vast te staan dat het weggenomen goed ten tijde van het wegnemen aan een ander of aan anderen dan verdachte toebehoorde (HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952).

Het dossier omvat op dat punt niet meer informatie dan hiervoor is opgenomen en bevat dus bijvoorbeeld geen aangifte van diefstal of een ander proces-verbaal waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de fiets(en) zou(den) zijn gestolen. Evenmin bevat het dossier foto’s van of informatie over de (uiterlijke kenmerken van) de fietsen, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat het niet anders kan dan dat de fietsen zijn gestolen. Er moet daarom rekening mee gehouden worden dat de fiets(en) bijvoorbeeld door de eigenaar zijn achtergelaten en dat deze daarmee afstand heeft gedaan.

Omdat niet bewezen is dat de fietsen aan een ander toebehoorden, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde – de heling van de fiets(en) – moet worden vrijgesproken.

Zoals hiervoor uiteengezet, kan niet worden vastgesteld dat de fiets(en) aan iemand anders dan verdachte toebehoorde(n). Aldus bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de fiets(en) door misdrijf verkregen is/zijn, en evenmin dat verdachte hiervan wist of dit redelijkerwijs had moeten vermoeden.

4.1.5.

Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – van oordeel dat het onder 5 primair ten laste gelegde feit – de poging tot doodslag van [slachtoffer 3] – wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De verdenking en link met verdachte

Allereerst verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte bij het onder 5 (en onder 6) ten laste gelegde betrokken is geweest.

Aangever [slachtoffer 4] – de zoon van aangeefster [slachtoffer 3] – heeft verklaard dat zijn moeder en hij in de nacht van 3 juli 2017 wakker zijn geworden van iemand die tegen de deur trapte en op de ramen bonsde. Ook schreeuwde deze persoon dat zijn portemonnee nog bij [naam bovenbuurman] – de bovenbuurman van aangevers – lag en dat hij wilde binnenkomen. Op basis van deze informatie is voornoemde [naam bovenbuurman] gehoord. [naam bovenbuurman] heeft verklaard dat hij die betreffende nacht wakker is geworden van de bel, naar beneden keek en een persoon zag die hem “bang maakt”. Ook heeft hij verklaard dat die man zijn vader en moeder heeft verloren en “[verdachte]” heet. Op de vraag waar deze [verdachte] kan worden gevonden, heeft [naam bovenbuurman] naar “[naam 1] op de [straatnaam 1]” verwezen. Op de [straatnaam 1] woont een [naam 2] , een persoon waarvan verbalisanten weten dat hij “[naam 1]” wordt genoemd. Deze [naam 2] heeft verklaard dat hij wel iets heeft gehoord over “die lijpe [verdachte]”. Ook heeft [naam 2] vermeld dat de moeder van [verdachte] op 24 september 2017 is overleden. Tot slot heeft hij verklaard dat hij de oude bankpas van deze [verdachte] heeft, waarbij hij een bankpasje met daarop de naam “[verdachte]” aan verbalisanten heeft overhandigd. De rechtbank acht in dit kader relevant dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij [naam bovenbuurman] en [naam 2] kent en dat zij wel eens “een biertje of drugs” doen. Ook heeft verdachte verklaard dat zijn beide ouders in 2017 zijn overleden, wat past bij de informatie van zowel [naam bovenbuurman] als [naam 2] .

Voorts hebben getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] (de buurjongen en buurvrouw van aangevers) signalementen van de dader gegeven die passen bij de beschrijving van het uiterlijk van [verdachte] door [naam 2] , die voorts weer overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van verdachte.

Tot slot heeft getuige [naam getuige 2] bij een enkelvoudige opsporingsfotoconfrontatie verdachte voor 90 procent herkend als de dader. Hierbij heeft de getuige opgemerkt dat hij de persoon op de foto wel herkent als de dader, maar dat de dader zijn ogen wijd open had alsof hij drugs had gebruikt, wat op de foto niet het geval is.

De rechtbank acht de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij de gehele nacht op de [adres] te Amsterdam is geweest, en dus niet de dader kan zijn geweest van de feiten als ten laste gelegd onder 5 en 6, niet aannemelijk en schuift deze verklaring daarom als ongeloofwaardig terzijde. Verdachte heeft – zoals onder 4.1.8 van dit vonnis zal worden besproken – bekend het onder 8 ten laste gelegde feit te hebben begaan, welk feit zich in dezelfde nacht heeft afgespeeld op de [adres] . Het is een feit van algemene bekendheid dat de [straatnaam 2] en de [adres] op 1,2 kilometer en dus op ongeveer 15 minuten loopafstand van elkaar liggen. Vervolgens is van belang dat – gelet op de aangiftes – de feiten 5 en 6 en feit 8 zich ongeveer twee uur na elkaar hebben afgespeeld, wat maakt dat deze feiten elkaar niet uitsluiten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden aangemerkt als de persoon die ervan wordt verdacht de onder 5 (en onder 6) ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangeefster – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte zeer hevig geweld heeft gepleegd tegen aangeefster. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] – de zoon van aangeefster – en de getuigenverklaringen van [naam getuige 2] en [naam getuige 3] volgt dat verdachte aangeefster onder meer een harde vuistslag in het gezicht heeft gegeven, waardoor zij tegen de muur viel en op de grond zakte. Terwijl aangeefster op de grond was gevallen, heeft verdachte aangeefster bij haar haar gepakt, haar hoofd omhoog getrokken en deze met kracht tegen de grond geslagen. Tevens heeft verdachte aangeefster meermalen en met kracht tegen het hoofd (en lichaam) getrapt toen zij bewusteloos op de grond lag. Zowel aangever [slachtoffer 4] als getuige [naam getuige 2] hebben verklaard dat aangeefster op dat moment alleen nog gorgelende geluiden maakte “alsof zij stikte” en niet meer bewoog. Zij dachten dat aangeefster dood was. Voorts blijkt uit de letselverklaring dat aangeefster onder meer hersenletsel – een contusio cerebri met subduraal hematoom tentorium – heeft opgelopen.

De rechtbank overweegt in dit kader dat het hoofd bij uitstek een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam betreft. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen met geschoeide voet schoppen tegen en stampen op het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat het schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Of in een concreet geval sprake is van een aanmerkelijke kans op het ontstaan daarvan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij spelen de kracht waarmee, de wijze waarop en de plek op het hoofd waar is geschopt een rol.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte als hiervoor omschreven, in het bijzonder het meermalen met kracht tegen het hoofd van aangeefster schoppen terwijl zij weerloos op de grond ligt, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van aangeefster gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het onder 5 primair ten laste gelegde is in zoverre bewezen.

4.1.6.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

De rechtbank merkt op dat hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de verdenking en het verband met verdachte als opgenomen onder 4.1.5 van dit vonnis, als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 6 primair ten laste gelegde – de poging tot doodslag van [slachtoffer 4] – overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het hierboven geschetste juridisch kader volgt dat voor voorwaardelijk opzet op – in dit geval – de dood van aangever [slachtoffer 4] is vereist dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte ook veel geweld heeft gepleegd tegen aangever. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen van [naam getuige 2] volgt dat verdachte onder meer met zijn voet tegen de kin van aangever heeft getrapt. Ook heeft verdachte aangever meerdere malen in het gezicht gestompt, waardoor verdachte op de grond is gevallen. Toen aangever weer stond, werd hij geslagen op en getrapt tegen de benen, borstkas, armen en ribben en “overal waar hij mij raken kon”. Bovendien heeft verdachte, terwijl aangever op de grond viel, met zijn volle gewicht op de rug van aangever gestampt en aangever nogmaals in het gezicht gestompt, waardoor aangever enige tijd het bewustzijn is verloren. Blijkens de letselverklaring heeft aangever een hersenschudding, meerdere kneuzingen en een scheurwond onder de kin – die met acht hechtingen moest worden gehecht – opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte als hiervoor omschreven, hoe hevig dit geweld ook is geweest, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van aangever gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Niet is komen vast te staan dat de geweldshandelingen tegen aangever van zodanige aard was dat een aanmerkelijke kans op de dood aanwezig was. Ook was het letsel niet van zodanige aard en omvang dat daaruit de aanmerkelijke kans op de dood kan worden afgeleid.

Daarom is de rechtbank – anders dan de officier van justitie en met de raadsman – van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 6 subsidiair ten laste gelegde – de zware mishandeling van [slachtoffer 4] – overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals aangegeven in het onder 4.1.1 van dit vonnis geschetste juridisch kader, kan sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel als het letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid, waarbij van belang is of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

[slachtoffer 4] heeft blijkens de medische informatie een hersenschudding, een scheurwond op zijn kin en diverse kneuzingen opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel gelet op de aard en de gevolgen daarvan niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr kan worden aangemerkt, ook niet voor wat betreft de scheurwond op de kin. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat aangever een litteken aan de trap van verdachte heeft overgehouden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook indien aangever een litteken heeft overgehouden, dat dat in de onderhavige zaak niet voldoende is om tot de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel te komen, gelet op de locatie van de scheurwond – de onderkant van de kin – en de daarmee samenhangende mate waarin het litteken het lichaam zou ontsieren.

Daarom is de rechtbank – met de raadsman – van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 6 meer subsidiair ten laste gelegde feit – de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] – wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de op de hiervoor omschreven geweldshandelingen heeft verdachte veel geweld gepleegd tegen aangever waarbij aangever letsel heeft opgelopen. Weliswaar kan dit letsel – zoals hierboven uiteengezet – niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr, maar dat aangever geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins te danken aan verdachte. De gedragingen van verdachte, zoals in het gezicht van aangever trappen en met het volle gewicht op de rug van aangever stampen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de zware mishandeling van aangever gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het onder 6 meer subsidiair ten laste gelegde is daarom bewezen.

4.1.7.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de mishandeling van [slachtoffer 5] niet kan worden bewezen, omdat het dossier slechts de aangifte van [slachtoffer 5] bevat en dit gelet op het bewijsminimum onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

4.1.8.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vernieling van de ruiten van [slachtoffer 6] kan worden bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 4 juli 2017 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een gebroken kaak, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet te trappen tegen het hoofd;

2.

op 4 juli 2017 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een hakmes op voornoemde [slachtoffer 1] af te lopen en aan die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood”;

3.

op 23 juli 2017 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: 'teef' en 'kankerhoer';

5.

op 3 juli 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet:

- met kracht tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gestompt en

- aan het haar van voornoemde [slachtoffer 3] heeft getrokken en haar hoofd met kracht tegen de grond heeft geslagen en

- met kracht en terwijl voornoemde [slachtoffer 3] weerloos op de grond lag tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] heeft getrapt;

6.

op 3 juli 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- tegen de kin van voornoemde [slachtoffer 4] heeft getrapt en

- tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4] heeft gestompt en

- tegen de benen en de borstkas en de armen van voornoemde [slachtoffer 4] heeft getrapt en

- met zijn volle gewicht op de rug van voornoemde [slachtoffer 4] heeft gestampt;

8.

in de periode van 3 juli 2018 tot en met 16 juli 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk ruiten, toebehorende aan [slachtoffer 6] , heeft vernield door bakstenen en kettingsloten tegen voornoemde ruiten te gooien.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 4 primair, onder 5 primair, onder 6 primair en onder 8 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging.

8.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat op grond van de over verdachte opgemaakte persoonlijkheidsrapportages niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, laat staan dat vastgesteld kan worden dat sprake is van een causaal verband tussen deze stoornis of gebrekkige ontwikkeling en het ten laste gelegde. De raadsman heeft verzocht de eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot een duur van maximaal 4 jaar, waarvan één dag voorwaardelijk, en verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur van 280 uur op te leggen, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte moet meewerken aan diagnostisch onderzoek in het kader van plaatsing in een verslavingskliniek of een instelling voor begeleid wonen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

8.3.1.

Ten aanzien van de gevorderde TBS

De maatregel van TBS kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien het hiervoor bedoelde gevaar voor recidive van ernstige aard is, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr). Voor oplegging van de maatregel is verder vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37 lid 2 Sr). Indien een verdachte, zoals in dit geval, zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van de maatregel van TBS de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek. Het blijft echter vereist dat door de rechter vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling kan de rechtbank geen TBS-maatregel opleggen.

Het is aan de rechtbank om een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van een verdachte ten tijde van het plegen van het feit vast te stellen. Die vaststelling kan worden gegrond op bevindingen, conclusies en adviezen van gedragsdeskundigen die zijn vervat in door hen opgestelde rapporten. Dit kunnen ook rapporten uit het verleden betreffen.

In onderhavige zaak is – gezien de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, het feit dat bij hem eerder een angststoornis zou zijn geconstateerd en gezien zijn verklaring dat sprake is van langdurig en ernstig middelengebruik, in combinatie met de informatie in het huidige strafdossier – besloten verdachte te laten observeren en onderzoeken door deskundigen in het Pieter Baan Centrum (PBC). Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan dit onderzoek, maar de deskundigen hebben gedurende zijn opname – die zes weken heeft geduurd – wel enige informatie kunnen halen uit onder meer het milieuonderzoek en de groepsobservatie. Dit heeft geleid tot het rapport van het PBC van psychiaters B.G.J. Gunnewijk en T.A. Wouters en psycholoog T.W. van de Kant van 27 mei 2019. De rechtbank maakt uit dit rapport het volgende op.

Verdachte heeft meermalen aangegeven verslaafd te zijn (geweest) aan alcohol en cocaïne, wat ook naar voren komt in het reclasseringsadvies van 5 maart 2018. Het is de vraag in hoeverre en op welke wijze zijn middelengebruik een ontregelend effect heeft op zijn psychisch functioneren, meer in het bijzonder of hij juist dan tot impulsief agressief gedrag komt en daarbuiten wel meer controle heeft over zijn agressieve impulsen. De herhaalde contacten met justitie naar aanleiding van agressieve feiten in de afgelopen jaren is een zorgelijk gegeven. Nu verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek is niet duidelijk geworden of en hoe zijn agressie samenhangt met zijn middelengebruik.

Voorts heeft verdachte meermalen aangegeven dat hij zou leiden aan een angststoornis, te weten pleinvrees. Verdachte gebruikt hier medicatie (Seroquel, een antipsychoticum en Venlafaxine, een angstremmer) voor. Echter, zowel op de Extra Zorgvoorziening in penitentiaire inrichting Zwaag als in het PBC worden geen of onvoldoende aanwijzingen voor een angststoornis gevonden. Gelet daarop kan deze diagnose niet worden gesteld (maar evenmin worden uitgesloten).

Tevens concluderen de deskundigen dat het onderzoek – doordat verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen – te beperkt is geweest om te kunnen onderbouwen of een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten grondslag ligt aan zijn gedragingen ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten. Hierbij is onder meer van belang dat verdachte tijdens de observatieperiode op de afdeling geen bijzonder opvallend of objectiveerbaar disfunctionerend gedrag heeft laten zien. Wel kan worden geconcludeerd dat geen duidelijke aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor het bestaan van ADHD en/of autismespectrumproblematiek of een ander forensisch relevant gestoord cognitief niveau van functioneren.

Tot slot hebben de deskundigen aangegeven dat geen onderbouwde adviezen kunnen worden gegeven over de noodzaak van eventuele behandeling in een juridisch kader ter beperking van de kans op recidive van gewelddadig gedrag, omdat geen duidelijke psychopathologie is vastgesteld.

Verder bevat het strafdossier van verdachte geen eerder over verdachte opgemaakte gedragsdeskundige rapporten. Wel bevat het dossier verschillende reclasseringsrapportages. Met uitzondering van het hiervoor aangehaalde reclasseringsadvies van 5 maart 2018 zijn deze rapportages kort en bevatten deze weinig (relevante) informatie.

De rechtbank is van oordeel dat zij – gelet op de hiervoor opgenomen bevindingen van de deskundigen – niet kan vaststellen dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Daarom legt de rechtbank verdachte niet de maatregel van TBS op.

8.3.2.

Ten aanzien van de gevangenisstraf

De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren opleggen, met aftrek van het voorarrest. De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, een zware mishandeling, een poging tot zware mishandeling, een bedreiging, een belediging en een vernieling. Alhoewel de laatste drie feiten op zichzelf vervelende strafbare feiten betreffen, ligt met betrekking tot de straftoemeting het zwaartepunt in deze zaak bij de drie geweldsdelicten. Dit zijn drie zeer ernstige feiten.

Verdachte valt in de nachtelijke uren bij een moeder – [slachtoffer 3] – en haar zoon – [slachtoffer 4] – binnen als de man naar wie hij feitelijk op zoek is – hun bovenbuurman – weigert de deur te openen. Een explosie van geweld volgt, waarbij verdachte het hoofd van [slachtoffer 3] tegen de grond slaat en op haar hoofd intrapt en -slaat, terwijl zij weerloos op de grond ligt. Getuigen, waaronder [slachtoffer 4] , gaan er op dat moment van uit dat [slachtoffer 3] is overleden, onder meer door de hoeveelheid bloed onder en om haar lichaam. Als verbalisanten arriveren blijkt dat [slachtoffer 3] het incident heeft overleefd, maar ook blijkt dat ze ten gevolge van dit geweld onder meer hersenletsel en een breuk in het spaakbeen heeft opgelopen. Volgens de behandeld arts had [slachtoffer 3] kunnen overlijden als zij nog een paar trappen op of stompen tegen het hoofd had gekregen.

Ook [slachtoffer 4] krijgt hevig geweld te verduren. Verdachte stompt hem meermalen in het gezicht en trapt hem tegen het gehele lichaam, waardoor hij onder meer een hersenschudding en een scheurwond op de kin oploopt. Dat [slachtoffer 4] ernstiger letsel bespaard is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

Uit de op zitting voorgelezen verklaring en uit de schriftelijke onderbouwing bij de door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als benadeelde partijen ingediende vorderingen volgt dat zij tot op heden last hebben van de gevolgen van datgene wat verdachte hen heeft aangedaan. Beiden geven aan dat hun leven voorgoed is veranderd. [slachtoffer 3] is angstig en blijft het liefste binnen, is lichtgeraakt en altijd moe. Bovendien heeft zij veel problemen met haar kortetermijngeheugen. [slachtoffer 4] heeft regelmatig nachtmerries, is veel boos, kan zich slecht concentreren en vergeet veel. Hij is naar zijn zeggen veranderd in een somber iemand die nergens meer zin in heeft.

Ook de zware mishandeling van de broer van verdachte – [slachtoffer 1] – is een ernstig feit. Verdachte geeft hem – na hem met een mes achterna te zijn gekomen en te hebben geschreeuwd dat verdachte hem dood zou maken – een trap in het gezicht, waardoor hij een gebroken kaak oploopt. [slachtoffer 1] heeft hiervoor een ingreep bij de kaakchirurg moeten ondergaan en heeft gedurende zes weken alleen vloeibaar voedsel kunnen eten.

Dergelijke feiten behoren tot een categorie strafbare feiten die een zeer ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving veroorzaken. Door aldus te handelen heeft verdachte op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers. De rechtbank overweegt hierbij dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] volstrekt willekeurige slachtoffers waren die in hun eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen, geconfronteerd zijn met het hevige en nietsontziende geweld van verdachte. Verdachte heeft voor deze geweldsdelicten geen enkele verantwoordelijkheid genomen.

De rechtbank heeft het strafblad van verdachte van 25 juni 2019 bekeken. Hieruit blijkt dat hij onder meer eerder is veroordeeld wegens een diefstal met geweld en wegens een belediging. De rechtbank weegt dit als strafverzwarend mee.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 9 juli 2019, waarin is gerapporteerd dat de reclassering verdachte door zijn weigerachtige houding en de mede daardoor ontbrekende noodzakelijke diagnostische informatie voor een eventuele indicatiestelling niet kan aanmelden voor een forensische indicatiestelling voor een klinische behandeling. Hierbij merkt de reclassering op dat dit in een later stadium, bij medewerking van verdachte, alsnog mogelijk is via de detentiefasering.

8.3.3.

Conclusie rechtbank over de straf

Zoals opgemerkt onder 8.3.1, kan de rechtbank niet vaststellen dat bij verdachte sprake is van – kort gezegd – een stoornis. Wel staat vast dat verdachte in staat is om over te gaan tot zeer heftig geweld tegen personen. Gelet op de bewezenverklaarde geweldsfeiten, de omstandigheid dat hij iedere verantwoordelijkheid voor die feiten afwijst, de toename in grensoverschrijdend gedrag en agressie en het tot nu toe uitblijven van enige behandeling die nieuwe agressie kan voorkomen, maakt de rechtbank zich ernstige zorgen over de kans dat verdachte in de toekomst nieuwe, ernstige geweldsfeiten zal plegen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat alleen een lange gevangenisstraf in aanmerking komt, enerzijds omdat verdachte daardoor langere tijd ‘van de straat is’ en anderzijds omdat gedurende een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling gepoogd kan worden het herhalingsgevaar te verminderen, bijvoorbeeld door diagnosestelling en behandeling.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 100,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen, met dien verstande dat het bedrag – gelet op jurisprudentie in overeenkomstige zaken – moet worden gematigd.

De raadsman heeft betoogd dat – blijkens de onderbouwing – de benadeelde partij zich met name beledigd heeft gevoeld door de discriminerende manier van omgang van verdachte. Echter, nu de tenlastelegging niet ziet op deze discriminatie kan de vordering in zoverre niet worden toegewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft in de kern niet meer gesteld dan dat zij zich beledigd voelt door het gedrag van verdachte, maar dat is onvoldoende om toekenning van schadevergoeding op te baseren.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij af.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 23.603,-, bestaande uit € 103,- aan materiële schadevergoeding en € 23.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman heeft ten aanzien van de immateriële schade aangevoerd dat zowel het fysieke letsel als het psychisch letsel (grotendeels) niet of onvoldoende is onderbouwd. Het fysieke letsel dat wel is onderbouwd, rechtvaardigt niet de hoogte van de vordering zoals deze nu voorligt. Daarom moet de vordering worden gematigd.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezen geachte feit rechtstreeks materiële schade, te weten de vervangingswaarde voor de bebloede kleding en de kosten voor opname in het ziekenhuis, heeft geleden. Bovendien zijn deze kosten door de verdediging niet gemotiveerd betwist. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade in zijn geheel toewijsbaar.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde en uit het dossier gebleken omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,-.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze betrekking heeft op overige immateriële schade, omdat de vordering op dit punt niet genoegzaam is onderbouwd. De vordering bevat bijvoorbeeld geen nadere onderbouwing over hoe het nu met de benadeelde partij gaat en de verdere gevolgen van het feit. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Daarom levert de behandeling van de vordering voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank wijst toe een bedrag van € 2.603,- (tweeduizendzeshonderdendrie euro), bestaande uit € 103,- aan materiële schadevergoeding en € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor onder 5 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.603,00 (tweeduizendzeshonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een bedrag van € 23.603,-, bestaande uit

€ 103,- aan materiële schadevergoeding en € 23.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman heeft ten aanzien van de immateriële schade aangevoerd dat het psychisch letsel – de shockschade – niet of onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het fysieke letsel heeft de raadsman aangevoerd dat het letsel beperkt is gebleven en de vordering daarom moet worden gematigd.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 6 bewezen geachte feit rechtstreeks materiële schade, te weten de vervangingswaarde voor de bebloede kleding en de kosten voor opname in het ziekenhuis, heeft geleden. Bovendien zijn deze kosten door de verdediging niet gemotiveerd betwist. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade in zijn geheel toewijsbaar.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 6 bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, met name voor wat betreft het fysieke letsel. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde en uit het dossier gebleken omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,-.

Voor zover de vordering ziet op zogenoemde shockschade overweegt de rechtbank het volgende. Shockschade kan ontstaan bij degene bij wie door het directe waarnemen van een incident of ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand is gedood of gewond tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat (ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor de vaststelling daarvan is nader feitelijk onderzoek noodzakelijk, bijvoorbeeld door een psychiater of psycholoog.

De vordering bevat onvoldoende onderbouwing voor de gevorderde shockschade. Concrete gegevens waaruit deze schade kan blijken, zijn door of namens de benadeelde partij niet overgelegd. De rechtbank wenst op te merken dat zij zich kan indenken dat een incident als het onderhavige een grote impact moet hebben (gehad) op de benadeelde partij, maar dat is gegeven het hiervoor geschetste juridisch kader op zichzelf niet voldoende om vast te stellen dat sprake is van psychisch letsel dat is veroorzaakt door een directe confrontatie met hetgeen zijn moeder werd aangedaan en de gevolgen daarvan. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank wijst toe een bedrag van € 1.603,- (duizendzeshonderdendrie euro), bestaande uit € 103,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 4] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het hiervoor onder 6 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.603,- (duizendzeshonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslag

Onder verdachte is inbeslaggenomen:

- 2.00 STK Schoenen Kl: zwart (Nike), goednummer 5608349.

Teruggave aan verdachte

De inbeslaggenomen schoenen dienen aan verdachte te worden teruggegeven nu deze aan verdachte toebehoren en ze op generlei wijze in verband kunnen worden gebracht met het bewezenverklaarde.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 266, 267, 285, 287, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op het grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 primair en subsidiair, het onder 6 primair en subsidiair en het onder 7 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, onder 2, onder 3, onder 5 primair, onder 6 meer subsidiair en onder 8 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijke belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van feit 5:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 6:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 8:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.603,- (tweeduizendzeshonderdendrie euro), bestaande uit € 103,- aan materiële schadevergoeding en € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen de som van € 2.603,- (tweeduizendzeshonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 36 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.603,- (duizendzeshonderdendrie euro), bestaande uit € 103,- aan materiële schadevergoeding en € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 4] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], te betalen de som van € 1.603,- (duizendzeshonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 juli 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de twee schoenen genoemd op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2019.