Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
13/997028-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is medeplichtig aan de (verlengde) invoer van cocaïne.

Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van vijftien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997028-16 (Promis)

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 3, 4, 10 en 11 december 2018 en 15 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Verdachte wordt er (na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 3 december 2018) – samengevat – primair van beschuldigd dat hij in de periode van 21 tot en met 22 maart 2016, samen met anderen dan wel alleen, opzettelijk (ongeveer) 4854 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of die hoeveelheid cocaïne opzettelijk heeft afgeleverd/verstrekt/vervoerd en/of verwerkt, dan wel dat hij die hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. Subsidiair wordt verdachte medeplichtigheid bij en/of tot het plegen van voornoemd feit verweten.

2.2

De tekst van de volledige tenlastelegging na wijziging ter terechtzitting van 3 december 2018 is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de stukken in het dossier van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Het strafrechtelijk onderzoek ‘26Willemsbos’ is op 21 maart 2016 gestart, naar aanleiding van door LIRC/DLIO1 verstrekte informatie. Volgens deze (start)informatie is door de Douane van Antwerpen op 21 maart 2016 een controle uitgevoerd op een voor een Nederlandse firma bestemde container [nummer container] (hierna: de container), waarbij pakketten cocaïne zijn aangetroffen. De container was geladen met ananassen en vanuit Costa Rica, onder meer via Nederlandse wateren2, verscheept naar de haven van Antwerpen. Bij de douanecontrole zijn in de dozen met ananassen, in totaal, 4.042 blokken met wit poeder aangetroffen. Elk blok was voorzien van een stempel en in totaal werden op de blokken 40 verschillende stempels aangetroffen. Een ter plaatse uitgevoerde indicatieve, zogenoemde Scott Nark II 07-test was positief voor wat betreft de aanwezigheid van cocaïne. De positief geteste blokken zijn door de Belgische autoriteiten verzameld en overgebracht naar een veilige plaats voor inbeslagneming, onderzoek en uiteindelijk vernietiging. Na weging met een geijkte weegschaal bleken de 4.042 pakketten een gezamenlijk gewicht te hebben van ongeveer 4.854 kilo.

De container maakte deel uit van een zending van in totaal vier containers uit Costa Rica, die bestemd was voor de firma [naam firma] te [plaats] in Nederland (hierna: [plaats] ). [plaats] is het bedrijf van [medeverdachte 1] , dat zich bezig houdt met groothandel, ex- en import van groenten en fruit.

Na onderzoek aan de inhoud van de container zijn de lading ananassen en een klein deel (ongeveer 30 gram) van de inhoud van de aangetroffen en inbeslaggenomen blokken met (vermoedelijk) cocaïne in de container teruggeplaatst. De container is gesloten en op de kade teruggezet, om door de transporteur opgehaald te worden en op die manier bewijs te verzamelen tegen personen die betrokken zijn bij de invoer van deze hoeveelheid cocaïne. Het kleine teruggeplaatste deel is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) positief getest op cocaïne.

Betrokken bedrijven

[plaats] besteedde het logistieke proces vanaf de haven van Antwerpen tot aan [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ) te [plaats] uit aan expediteur [naam B.V. 2] (hierna: [naam B.V. 2] ). Het transport van de containers van [plaats] werd in opdracht van [naam B.V. 2] , bij monde van de daar als planner werkzame [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ), gedaan door [naam VOF] (hierna: [naam VOF] ). [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ) is chauffeur en eigenaar van [naam VOF] . [naam B.V. 1] klaarde voor [plaats] de containers in, verzorgde de opslag van de goederen uit de containers en de levering van die goederen aan de afnemers van [plaats] .

Observaties en aanhoudingen

Nadat de container op 21 maart 2016 op de Antwerpse kade was teruggeplaatst, is deze met toestemming van de Belgische autoriteiten door Nederlandse opsporingsambtenaren onder observatie genomen. Op 22 maart 2016 is de container door [medeverdachte 3] , vanuit de haven in Antwerpen op zijn trekker (met kenteken [kenteken] ) geladen. Tijdens de observatie is gezien dat [medeverdachte 3] met die trekker naar zijn transportbedrijf, [naam VOF] in [plaats] is gereden. Ook is gezien dat [medeverdachte 3] later die dag met de trekker en container naar een loods aan de [adres 1] is gereden, alwaar het bedrijf van [medeverdachte 4] (verder: [medeverdachte 4] ) is gevestigd. Door het observatieteam is gezien dat de container werd losgekoppeld en door [medeverdachte 4] met zijn eigen trekker de loods in werd gereden. Nadat de loods werd afgesloten vond een inval in de loods plaats door het arrestatieteam. [medeverdachte 4] is hierbij aangehouden. Op het moment van de inval was de container nog verzegeld.

Tijdens de observatie is tevens waargenomen dat vanaf het bedrijf [naam VOF] in [plaats] tot aan Made een voertuig van het merk Opel Vivaro, met kenteken [kenteken] , (hierna: de Opel) met de trekker en container, soms vlakbij en soms op enige afstand, is meegereden. De chauffeur van de Opel Vivaro is later geïdentificeerd als [verdachte] . Bij de Sluizeweg in Made is [verdachte] omgekeerd en weggereden in de richting van Oosterhout. [verdachte] bleef zich in de omgeving van de loods in [plaats] ophouden. [verdachte] is vervolgens op 22 maart 2016 omstreeks 20.45 uur bij een filiaal van McDonalds in Breda aangehouden.

Op 24 maart 2016 heeft [medeverdachte 3] bij de politie te Bergen op Zoom valselijk aangifte gedaan van diefstal van zijn trekker [kenteken] met oplegger met daarop de container.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn op 29 respectievelijk 30 maart 2016 aangehouden.

Communicatie middels PGP-telefoons (Pretty Good Privacy)

In het onderzoek 26Willemsbos zijn twee PGP-Blackberry telefoons aangetroffen. Deze telefoons bieden de mogelijkheid om veilig te communiceren door versleuteling van de uitgewisselde berichten.

Op aanwijzingen van [medeverdachte 3] is de door hem gebruikte PGP-telefoon (met gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] , (hierna [gebruikersnaam 1] ) op 31 maart 2016 aangetroffen in de kofferbak van zijn auto. Uit onderzoek door een deskundige van het NFI naar de inhoud van de PGP-telefoon van [medeverdachte 3] , is gebleken dat hij veelvuldig contact heeft onderhouden met een persoon met de naam ‘ [naam] ’ (met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] , hierna [gebruikersnaam 2] ) en dat in die gesprekken is gesproken over de onderhavige zaak. Zo is in een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [gebruikersnaam 2] van 23 maart 2016 naar voren gekomen dat zij met elkaar afstemmen dat [medeverdachte 3] aangifte zal gaan doen van diefstal van de container.

Voorts staat in de contactenlijst in de PGP telefoon van [medeverdachte 3] , onder de naam ‘klant’ de gebruikersnaam [gebruikersnaam 3] (hierna [gebruikersnaam 3] ).

Tijdens de aanhouding van [verdachte] op 22 maart 2016 is een PGP-telefoon aangetroffen op de bijrijdersstoel van de Opel waarin hij zat. Uit digitaal onderzoek blijkt dat met deze PGP-telefoon op 22 maart 2016 versleutelde berichten zijn verstuurd en ontvangen die kennelijk betrekking hadden op het transport van de container. Op 22 maart 2016 rond 20.00 uur is onder meer aan de gebruiker van deze PGP telefoon bericht dat er 4 ton in zit, om precies te zijn 4170.

Onderzoek 26Sassenheim

Naast de informatie uit de in het onderhavige onderzoek aangetroffen PGP-telefoons zijn ook uit het onderzoek 26Sassenheim ontsleutelde data van PGP Safe ter beschikking gekomen. In dit onderzoek bleek berichtenverkeer aanwezig te zijn dat betrekking had op het onderhavige onderzoek (26Willemsbos).

In de verkregen dataset is onder meer berichtenverkeer van de gebruiker [gebruikersnaam 2] opgenomen. Ook komt naar voren dat de gebruiker [gebruikersnaam 2] contact had met de gebruikers [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] (hierna [gebruikersnaam 4] ). Deze laatste twee gebruikers zijn tot op heden niet geïdentificeerd. Uit de ter beschikking gekomen berichten blijkt dat de gebruiker [gebruikersnaam 2] in ieder geval vanaf november 2015 zakelijke contacten heeft onderhouden met de gebruiker [gebruikersnaam 3] , onder andere over een transport.

Ook is berichtenverkeer van de gebruiker [gebruikersnaam 5] (hierna [gebruikersnaam 5] ) beschikbaar gekomen. De gebruiker, welke is geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , wordt in berichten ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ genoemd. [medeverdachte 1] heeft erkend berichten met een PGP-telefoon te hebben verstuurd. Evenals [medeverdachte 3] en de gebruiker [gebruikersnaam 2] had ook [medeverdachte 1] contact met [gebruikersnaam 3] . Uit de berichtenwisseling blijkt dat [medeverdachte 1] de gebruiker [gebruikersnaam 3] steeds in kennis stelde van zijn werkzaamheden uit naam van [plaats] .

Naar aanleiding van het onderzoek naar onder meer het bovengenoemde berichtenverkeer is op 12 juni 2017, [medeverdachte 2] als verdachte gehoord, omdat het onderzoeksteam hem aanmerkte als de vermoedelijke gebruiker [gebruikersnaam 2] .

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid (subsidiair tenlastegelegd) bij de verlengde invoer van de cocaïne. De rol van verdachte is die van beveiliger en observant van de container met cocaïne. Hij begeleidt het transport van de container van Bergen op Zoom naar de loods in [plaats] en houdt na aankomst van de container in de loods de omgeving in de gaten. Hij houdt daarbij contact met andere verkenners over de vraag of zij opvallende zaken of politie zien. De bijdrage van verdachte is belangrijk maar onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Uit het onderzoek komt niet naar voren dat verdachte handelingen, gericht op het behulpzaam zijn bij de invoer van de cocaïne heeft verricht vóór de inbeslagname van de cocaïne door de Belgische douane. Dat betekent dat de bewezenverklaring beperkt moet worden tot een hoeveelheid cocaïne, omdat uiteindelijk slechts het deel dat is teruggeplaatst is ingevoerd en getransporteerd.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de beschuldiging en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In Antwerpen heeft een niet representatieve monsterafname plaatsgevonden op de in beslag genomen partij uit de container, zodat niet vastgesteld kan worden dat de hele partij cocaïne betrof. Om die reden kan slechts worden uitgegaan van ‘een hoeveelheid’ van 30 gram cocaïne. Daarnaast kan niet uit het dossier worden afgeleid dat verdachte wetenschap had ten aanzien van de herkomst van de container en de inhoud daarvan. Vastgesteld kan worden dat de Opel Vivaro, waarin verdachte reed, nimmer op Belgisch grondgebied was. Voorts heeft verdachte betwist dat hij heeft deelgenomen aan het PGP-berichtenverkeer. De in de Opel aangetroffen PGP-telefoon is van een andere persoon die met verdachte in de auto is meegereden en op enig moment is uitgestapt.

De raadsman heeft verder bepleit dat indien de rechtbank wel tot het oordeel zou komen dat verdachte wetenschap had, zijn vermeende betrokkenheid pas start op 22 maart 2016 en dat zijn rol dan enkel het begeleiden van de combinatie heeft ingehouden. Zijn rol was dus zeer beperkt.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Interpretatie en waardering van de inhoud van PGP-berichten

In de onderhavige zaak komt het, voor wat betreft de bewijsvoering, in belangrijke mate aan op de betekenis die kan worden toegekend aan de inhoud van de ter beschikking gekomen PGP-berichten. De rechtbank is zich ervan bewust dat, nu het gaat om uitleg en interpretatie van berichten, het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig is. Om de inhoud van die berichten te kunnen duiden, als betrekking hebbend op de invoer van cocaïne, is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. De rechtbank hanteert bij de interpretatie van die berichten het door het hof Amsterdam in de zaak [naam zaak]3 geschetste toetsingskader, wat neerkomt op het volgende.

De te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan de inhoud van PGP-berichten, gedragingen en gebeurtenissen de duiding, dat het gaat om cocaïne, slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Nagegaan moet worden of de voor het bewijs te bezigen PGP-berichten, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan dat wat van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne. Ook kunnen onder omstandigheden en in het licht van overig bewijs in het nadeel van verdachte conclusies worden getrokken uit de omstandigheid dat verdachte heeft gezwegen of een niet-verifieerbaar verklaring heeft afgelegd op vragen over de inhoud van de PGP-berichten.

5.3.2

Is sprake van cocaïne?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de in Antwerpen door de douane aangetroffen blokken met wit poeder cocaïne bevatten. De rechtbank sluit aan bij hetgeen daarover door AG Vegter is gesteld in zijn door de Hoge Raad gevolgde conclusie van 29 augustus 20174 en stelt voorop dat het niet noodzakelijk is een stof te laten onderzoeken in een laboratorium om bewezen te achten dat het een bij de Opiumwet verboden stof is. Een indicatieve test kan bijdragen aan het bewijs dat een stof een verboden stof is. Wel dient er voldoende ondersteunend en betekenisvol bewijs te zijn voordat die conclusie kan worden getrokken.

De rechtbank stelt vast dat de Antwerpse douane in één container 4.042 gelijksoortige pakketten met wit poeder heeft aangetroffen, die bij een indicatieve test een positieve uitslag gaven op de aanwezigheid van cocaïne. Het totaalgewicht van de pakketten was ongeveer 4.854 kilo. Ten aanzien van een klein deel hiervan, ongeveer 30 gram, is de aanwezigheid van cocaïne in een laboratoriumtest door het NFI definitief bevestigd. Omdat de blokken poeder verschillende stempels/logo’s hadden, kan er niet van worden uitgegaan dat alle blokken eenzelfde afkomst hebben en reeds daarom allemaal cocaïne hebben bevat. Er zijn echter meer aanwijzingen dat het hier ging om een zeer grote hoeveelheid cocaïne.
De container was afkomstig uit Zuid-Amerika en had een dekmantel lading. Er waren bijzondere voorzieningen getroffen voor het verdere vervoer en het lossen van de lading. Parallel aan de communicatie in het normale logistieke proces, heeft afgeschermde communicatie met PGP-telefoons plaatsgevonden. Tussen betrokkenen bij de container zijn onder meer de volgende PGP-berichten gewisseld (aangetroffen in de PGP telefoon die in de auto van [verdachte] lag): “Ja wollah zit over de 4 ton in broer pfff. 100 mil euro geen grap”, “Ja wat dacht jij dan 4170 om precies te zijn”, “Ik zei toch 1 na laatste grootste vanst ooit in antw.. die 8 ton was de grootste en nu deze dan als gepakt is”. De container moest op een andere locatie dan gebruikelijk afgeleverd worden. De chauffeur, [medeverdachte 3] , zou hiervoor € 50.000 ontvangen. De container werd tijdens het vervoer nauwlettend in de gaten gehouden door verkenners en/of beveiligers die elkaar waarschuwden voor de aanwezigheid van verdachte auto’s. Dit alles duidt op de (veronderstelde) aanwezigheid van een omvangrijke en waardevolle lading. De rechtbank is van oordeel dat al het voorgaande voldoende steun biedt aan de in Antwerpen verrichtte indicatieve tests, zodat bewezen kan worden dat de hele lading met blokken wit poeder cocaïne bevatte.

Niet kan worden vastgesteld of het genoemde totaalgewicht van 4.854 kilo een netto gewicht betreft of dat dit het totaalgewicht is van de pakketten inclusief verpakking. Het gaat om ruim 4.000 gelijksoortige pakketten (4.042) met wit poeder die in de container zijn aangetroffen. Het komt de rechtbank niet vreemd voor dat de cocaïne in pakketten van elk een kilo is verpakt. De rechtbank gaat er van uit dat de lading ongeveer 4.000 kilo cocaïne bevatte. Deze aanname wordt nog ondersteund door de al eerder genoemde mededeling via de PGP-telefoon door een van de betrokkenen bij het transport, dat het zou gaan om 4 ton.

5.3.3

Is verdachte de gebruiker van de in de Opel Vivaro aangetroffen PGP-telefoon

Op 22 maart 2016 stond de trekker met kenteken [kenteken] , met daarop de container, vanaf Antwerpen onder observatie van de politie. Door het observatieteam werd gezien dat een Opel Vivaro met kenteken [kenteken] , welke op naam stond van het bedrijf van verdachte, vanaf Bergen op Zoom achter de [kenteken] aanreed en schaduwend gedrag vertoonde. Hierop werd ook de Opel onder observatie genomen. Uiteindelijk is de bestuurder en (in ieder geval op dat moment) enig inzittende van de Opel, te weten verdachte, op 22 maart 2016 omstreeks 20.45 uur aangehouden. In de auto werd een PGP-telefoon (hierna de PGP-telefoon) aangetroffen. De PGP-telefoon was met een stroomkabeltje aangesloten op de sigarettenaansluiting en lag naast een Samsung telefoon (de privételefoon van verdachte) op de passagiersstoel. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat met deze PGP-telefoon op 21 en 22 maart 2016 versleutelde berichtenzijn verstuurd en ontvangen die kennelijk betrekking hadden op het transport van de partij cocaïne. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte de gebruiker was van de PGP-telefoon.

De rechtbank betrekt de volgende feiten en omstandigheden bij haar oordeel.

Uit de observatie van de Opel is het volgende gebleken. Tussen 17.45 uur en 18.00 uur is gezien dat de Opel achter de [kenteken] aan reed. Verder is gezien dat de Opel op de snelweg A17 tussen Bergen op Zoom en Moerdijk, verschillende keren de afrit nam en vervolgens de oprit van de A17 weer opreed om vervolgens in de omgeving kort achter de [kenteken] te blijven rijden. Gezien is dat verdachte als bestuurder in de Opel zat. Tussen 18.00 uur en 18.18 uur is waargenomen dat de Opel tot aan Sluizeweg te Made achter de [kenteken] reed. De Opel reed kennelijk bewust langzaam op grote afstand van de [kenteken] zodat achterliggers moesten passeren. Vervolgens ging de Opel weer kort achter de [kenteken] rijden. Om 18.19 uur is gezien dat de Opel bij de Sluizeweg in Made omkeerde en terug reed in de richting van Oosterhout. Om 18.55 uur is waargenomen dat de Opel, zonder inzittenden, geparkeerd stond op het parkeerterrein van de Mac Donalds te Oosterhout. Voorts is gezien dat verdachte bij de Mac Donalds naar buiten kwam en dat hij als enig inzittende in de Opel stapte en weg reed. Daarna is gezien dat de Opel om 19.09 uur stopte op een parkeerplaats gelegen aan de Heijligerweg te Oosterhout. Verdachte bleef in de auto zitten. Om 19.33 uur reed de Opel weg en om 19.35 uur is gezien dat de Opel wederom het parkeerterrein van de Mac Donalds in Oosterhout op reed. Van 19.55 uur tot en met 19.57 uur zijn de volgende berichten tussen de gebruiker van de PGP-telefoon en de gebruiker [gebruikersnaam 6] genaamd ‘ [naam 1] ’ verstuurd. Inkomend: “Ik zie je auto bij de mac staan Klopt Dat”. Uitgaand: “Ja ik zit achterin. Je ziet met niet he haha”. Inkomend: “Die snor kent de weg na jumbo dan gewoon achter hem blijven volgend”. Uitgaand: “Ja dat ga ik ook doen. Ik rijd met mijn eigen auto tot aan de Jumbo.”

Om 20.06 uur verstuurde de gebruiker van de PGP-telefoon, in antwoord op de vraag of hij in een wit busje zit met twee man erin, het volgende bericht aan de gebruiker [gebruikersnaam 7] genaamd ‘ [naam 2] ’: “Nee dat ben ik niet. Ik ben alleen in een zilvere busje.” Om 20.15 uur is gezien dat de Opel wegreed. Om 20.29 uur stuurde de gebruiker van de PGP-telefoon het volgende bericht: “Ben snelweg opgereden richting Breda. Ben daar even aan het tanken bij een tankstation.” Gezien is dat de Opel om 20.30 uur stopte bij tankstation Esso in Breda en dat verdachte de shop van de Esso binnenging, dat hij om 20.43 uur als bestuurder en enig inzittende in de Opel stapte en weer weg reed. Om 20.45 uur parkeerde de Opel op het parkeerterrein van de Mac Donalds in Breda. Enkele minuten later is verdachte daar, als enig inzittende van de Opel, aangehouden.

Uit het voorgaande blijkt dat de Opel bijna twee uur (van 18.55 uur tot 20.50 uur) constant onder observatie is geweest. Daar waar de observanten in de Opel hebben kunnen kijken, is waargenomen dat alleen verdachte in de Opel zat. Gedurende de tijdspanne waarin de PGP-gesprekken hebben plaatsgevonden (van 19.13 uur tot 20.39 uur) gaat de rechtbank er van uit dat verdachte de bestuurder en enig inzittende in de Opel is geweest. Niet alleen heeft het observatieteam op geen enkel moment gerelateerd dat naast verdachte een tweede persoon in de Opel heeft gezeten of ook maar in de buurt van de Opel is geweest, ook de inhoud van de PGP-berichten spreken tegen dat er een tweede persoon aanwezig was. Sterker nog, die gesprekken duiden erop dat de gebruiker juist alleen in de auto zat. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte steeds alleen in de Opel heeft gezeten en dat hij de gebruiker was van de PGP-telefoon.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 december 2018 verklaard dat hij samen met een andere persoon in de auto heeft gezeten en dat die persoon gebruik heeft gemaakt van de PGP-telefoon. Deze persoon zou in Bergen op Zoom zijn ingestapt en ‘ergens’ bij Made weer zijn uitgestapt. Over het moment van uitstappen en de exacte uitstaplocatie heeft verdachte wisselend verklaard. Namelijk, verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat de andere persoon in de buurt van Oosterhout is uitgestapt, kort voordat verdachte om 19.00 uur bij de Mac Donalds in Oosterhout aankwam. Daarna is de persoon niet meer ingestapt. Geconfronteerd met het gegeven dat om 20.30 uur nog een PGP-bericht werd gestuurd door de gebruiker van de PGP-telefoon dat hij aan het tanken was, verklaarde verdachte dat de man toen toch nog niet was uitgestapt. Verdachte verklaarde vervolgens dat de persoon bij ‘een brug’ uitgestapt was. Wie de andere persoon dan zou zijn geweest heeft verdachte niet willen vertellen. Hoe het komt dat die ander, die volgens verdachte bovendien voornamelijk verdekt achterin het busje zou hebben gezeten, dan voorin op de bijrijdersstoel zijn PGP-telefoon aan een snoer in de auto zou hebben achtergelaten, heeft verdachte ook geen verklaring.

De rechtbank vindt deze alternatieve verklaring, die zwabbert en weinig concreet is, in het licht van al het voorgaande, zeer ongeloofwaardig, temeer nu verdachte hier pas ruim twee jaar na zijn aanhouding mee komt.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte de gebruiker was van de in de Opel aangetroffen PGP-telefoon en houdt hem verantwoordelijk voor de daarmee verstuurde berichten.

5.3.4

De rol van verdachte bij de (verlengde) invoer van cocaïne

Verdachte heeft verklaard dat hij op 22 maart 2016, zoals ook door het observatieteam werd waargenomen, vanaf Bergen op Zoom (als verkenner) achter de trekker met container heeft gereden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij een dag daarvoor werd benaderd door een persoon met de vraag of hij wilde helpen met het ‘koud zetten’ van een container gevuld met elektronica. Verdachte zou voor deze klus € 500,- krijgen. Verdachte was in de veronderstelling dat de persoon de elektronica wilde stelen. Verdachte ontkent dat hij ervan op de hoogte was dat in de container cocaïne zat.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en de gedragingen van verdachte kan worden opgemaakt dat verdachte dat wel wist. De rol die verdachte werd toegedicht is hiervoor redengevend. Verdachte volgde de trekker met container, verkende de omgeving en signaleerde verdachte situaties. Verdachte was in het bezit van een PGP-telefoon en onderhield daarmee in zijn rol als verkenner heimelijk contact met de andere verkenners en/of beveiligers. De volgende berichtenwisseling tussen deze gebruikers werd geverbaliseerd: “Is die eklasse al weg daaro. Want die mensen in loods zagen hem langsrijden paar keer”, “Check ff goed voor die E classe. Houd die in de gaten en geef ff aan al je m ziet, “Ok bro. Ik meld me zodra ik iets verdachts zie bro”. De omvang van deze operatie, waar verdachte deel van uitmaakte, duidt op een zeer waardevolle lading. Daar komt bij dat verdachte wist dat hij een zeecontainer volgde vanaf een plaats dicht bij de Belgische grens en de Antwerpse haven, zodat verdachte moest begrijpen dat het naar alle waarschijnlijkheid om invoer van goederen ging. Hij heeft de kans dat dit het geval zou zijn minstgenomen welbewust aanvaard.

Uit de inhoud van de PGP-berichten blijkt dat verdachte in ieder geval op 22 maart 2016 vanaf 19.44 uur wist wat er in de container zat. Dit leidt de rechtbank af uit het volgende gesprek tussen verdachte en de PGP-gebruiker genaamd [naam 3] : “er zit n E klasse daar hele tijd heen en weer aan rijden… we denken arrestatieteam…dus blijf weg broer”, “Ow oke spannend joh pffff”, “ja wollah zit over de 4 ton in broer pfff 100 mil euro geen grap”, “What the FUCK!!!!!!!!!” en “Ja wat dacht jij dan 4170 om precies te zijn”. En “Ik zei toch 1 na laatste grootste vanst ooit in antw.. die 8 ton was de grootste en nu deze dan als gepakt is”. Naar het oordeel van de rechtbank lijdt het geen twijfel dat in deze berichten over de cocaïne in de container wordt gesproken en over invoer via Antwerpen.

Verdachte was toen in ieder geval op de hoogte van de lading en de (veronderstelde) hoeveelheid, en ook toen is verdachte niet weggegaan. Sterker nog verdachte is in de buurt gebleven en werd op de hoogte gehouden door andere verkenners en bleef ook op zijn beurt doorgeven wat hem opviel.

Om 19.49 uur, toen door de verkenners werd doorgegeven dat alles rustig leek te zijn, werd door [naam 3] aan verdachte bericht: “ze gaan nu pas beginnen”. Verdachte gaf dit vervolgens om 19.52 uur door aan de gebruiker genaamd [naam 1] : “Ze gaan nu beginnen met uitladen”. Verdachte wist dus dat er moest worden uitgeladen. Waarop door [naam 1] werd geantwoord: “Oke man top jij mooet niet gaan pas als ze die koekjes gevonden hebben”. De rechtbank maakt uit deze berichten op dat verdachte ook wist wat er werd bedoeld met ‘koekjes’. In de berichten werd kennelijk in versluierde taal over het uitladen van de cocaïne gesproken.

5.3.5

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte van de primaire beschuldiging moet worden vrijgesproken, omdat het aandeel van verdachte bij de invoer van de cocaïne niet zodanig is dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Verdachte wordt daarom van dat deel van de beschuldiging vrijgesproken.

5.3.6

Bewezenverklaring medeplichtigheid

Toetsingskader medeplichtigheid

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr), maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

Gelet op hetgeen onder 5.3.4 ten aanzien van de rol en wetenschap van verdachte is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door de raadsman aan verdachte toegedichte rol, een onwetende begeleider van de combinatie, geen sprake is. De rechtbank leidt uit de gesprekken af dat verdachte, van meet af aan, wist dat hij behulpzaam was bij en tot de (verlengde) invoer van cocaïne en dat hem op enig moment ook duidelijk was dat het om een enorme hoeveelheid zou gaan.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte zowel was gericht op het behulpzaam zijn bij en tot de (verlengde) invoer van de cocaïne, als op het gronddelict zelf. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

“Een hoeveelheid”

Nu uit het onderzoek niet is gebleken dat verdachte ook handelingen, gericht op het medeplegen van de invoer van cocaïne, heeft verricht vóór de inbeslagname van de cocaïne door de Douane van Antwerpen, toen nog de gehele lading aanwezig was in de container, dient de bewezenverklaring beperkt te worden tot het deel dat is terug geplaatst, te weten een hoeveelheid cocaïne.5

5.3.7

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij en tot de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne en het verdere vervoer van die cocaïne.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat

subsidiair

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en onbekend gebleven personen omstreeks de periode van 21 maart 2016 tot en met 22 maart 2016 te Antwerpen en Bergen op Zoom en Made en/of Zundert en/of Achtmaal,

tezamen en in vereniging,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

en

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, opzettelijk hebben vervoerd,

bij en tot het plegen van welke misdrijven verdachte op 22 maart 2016 te Bergen op Zoom, Made, Oosterhout en Breda, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door:

  • -

    het transport van de container met daarin die cocaïne te begeleiden en te observeren, door met een auto in de nabijheid van de vrachtwagen met de container met daarin die cocaïne te rijden en tegelijkertijd andere auto’s in de omgeving van die vrachtwagen met de container met daarin die cocaïne te observeren en

  • -

    na aankomst van de container met die cocaïne bij een loods op de [adres 1] :

o de omgeving van die loods te observeren en te verkennen en

o contact te onderhouden met verkenners/personen over bewegingen in de omgeving van die loods en over verdachte/vreemde auto’s in de omgeving van die loods.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest. Bij de strafeis is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, in het geval de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de beperkte rol van verdachte bij het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis. Als de rechtbank van oordeel is dat dit geen recht doet aan de feiten is door de raadsman verzocht daarbij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Strafwaardigheid

Verdachte is medeplichtig aan de (verlengde) invoer van cocaïne. Verdachte heeft als verkenner het cocaïne-transport begeleid en bewaakt en via de PGP-telefoon actief contact onderhouden met betrokkenen over de betreffende container en anderen op de hoogte gehouden van verdachte situaties. Hij heeft nadat de zaak aan het licht gekomen is, geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Dat door verdachten uiteindelijk, door ingrijpen van de autoriteiten, enkel 30 gram cocaïne is vervoerd en afgeleverd in Made, doet niet af aan de strafwaardigheid van het handelen van verdachte ten behoeve van het voorgenomen transport. De door verdachte en zijn medeverdachten verrichtte handelingen waren namelijk gericht op de invoer en het afleveren van de hele partij cocaïne. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat daarom meewegen dat de intentie bestond tot invoer en het transporteren van een hoeveelheid van ongeveer 4.000 kilo cocaïne.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De partij zal bestemd zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Ter bestrijding van harddrugsverslaving en ter voorkoming en bestrijding van illegale harddrugshandel dienen, als invoer van cocaïne, streng te worden bestraft. Op de invoer van cocaïne is door de wetgever een gevangenisstraf gesteld van maximaal twaalf jaar. Op het plegen van het onderhavige feit dient daarom te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf.

De straf

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten. Voor de invoer van hoeveelheden vanaf 20 kilogram cocaïne geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van vijf tot zes jaar. De wet schrijft voor dat in geval van medeplichtigheid het maximum van de hoofdstraf die op het misdrijf gesteld staat, met een derde wordt verminderd. De rechtbank zal ook op die wijze het oriëntatiepunt benaderen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van 23 oktober 2018, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank houdt daar rekening mee.

De rechtbank sluit zich, bij de beoordeling van het verweer ten aanzien van de redelijke termijn, aan bij jurisprudentie van de Hoge Raad6 op dat punt. Het uitgangspunt is dat een strafzaak binnen twee jaar, te rekenen vanaf het moment dat in redelijkheid de verwachting kan worden ontleend dat de strafvervolging zal worden ingezet, een uitspraak wordt gewezen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden die van invloed zijn geweest op de duur van de zaak. De genoemde verwachting kan worden ontleend aan de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding. Verdachte is in verzekering gesteld op 23 maart 2016. De redelijke termijn is dus op die dag aangevangen. Tot de uitspraak van vandaag zijn derhalve ruim twee jaar en tien maanden verstreken. In beginsel wordt een overschrijding van de termijn met tien maanden gecompenseerd door vermindering van de straf met 10 % (tweede categorie).

De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die van invloed zijn geweest op de duur van de zaak. De complexiteit van het onderhavige opsporingsonderzoek, door met name het technisch gecompliceerde ontsluiten van (zeer relevant gebleken) PGP-berichten en de rechtshulpverzoeken aan België en Costa Rica, die een verdenking als de onderhavige met zich meebrengt, heeft bijgedragen aan de duur van de zaak. De rechtbank acht het daarom redelijk om aan te sluiten bij de eerste categorie en een strafvermindering van 5 % toe te passen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ondergeschikte rol die verdachte als medeplichtige bij de invoer van de cocaïne heeft vervuld, is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden is.

Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn betekent dit dat van de gevangenisstraf van zestien maanden, (5 % van zestien is 0,8 maanden) afgerond een maand wordt afgetrokken. Dit betekent dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van vijftien maanden.

10 Beslag

Onder verdachte is onder meer een BlackBerry PGP (nummer 17 op de beslaglijst) en een Samsung S6 EDGE (nummer 18 op de beslaglijst) in beslag genomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze telefoons verbeurd worden verklaard.

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. De rechtbank is van oordeel dat de PGP-telefoon van het merk BlackBerry verbeurd moet worden verklaard, nu met behulp van die telefoon het bewezen verklaarde is begaan. De rechtbank is verder van oordeel dat de telefoon van het merk Samsung S6 aan verdachte kan worden geretourneerd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 48, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van

medeplichtigheid aan medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplichtigheid aan medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

1.00 STK Zaktelefoon
Blackberry 972 pgp
[nummer]

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1.00 STK Zaktelefoon
Samsung S6 EDGE
[nummer]

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en R.C.J. Hamming, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2019.

1 LIRC, Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum, onderdeel van DLIO, Dienst Landelijke Informatie Organisatie DLIO

2 Het is een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip slechts bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde.

3 Hof Amsterdam van 14 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0299

4 ECLI:NL:PHR:2017:1139, ECLI:NL:HR:2017:2816

5 Hoge Raad 17 maart 1998, NJ 1998, 515

6 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578