Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
Parketnummer 13/751137-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering toegestaan. verweren betreffende eerdere uitspraak, verjaring, schending van grondrechten, detentieomstandigheden en evenredigheid verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751137-18

RK-nummer: 18/4078

Datum uitspraak: 30 juli 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2016 door het Nationaal Hof – Strafkamer, Eerste Sectie te Madrid (Spanje) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1941,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[BRP-adres] te [woonplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting van 2 oktober 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Zitting van 16 juli 2019

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 juli 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een beschikking tot voorlopige hechtenis van 10 april 2003, uitgevaardigd door de Sección Primera de la Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional (nationaal gerechtshof, strafkamer sector 1).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Spanje strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Eerdere ontoelaatbaarheid/inactiviteit

In de visie van de verdediging moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering vanwege de eerdere ontoelaatbaarheidverklaring van de uitlevering door deze rechtbank in 2006. De opgeëiste persoon mocht daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij niet zou worden uit- of overgeleverd.

Ingeval het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, moet de overlevering worden geweigerd, omdat de Spaanse autoriteiten pas in 2016, tien jaar na de weigering van de uitlevering, een EAB hebben doen uitgaan dat op hetzelfde feit ziet. Al die tijd is sprake geweest van inactiviteit aan de zijde van de Spaanse autoriteiten. Vervolgens was bij het Openbaar Ministerie in Nederland gedurende twee jaar eveneens sprake van inactiviteit totdat de opgeëiste persoon in verband met een andere kwestie zelf naar het politiebureau is gegaan. Dit alles valt niet te rechtvaardigen.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij kan worden ontvangen in de vordering. De eerdere ontoelaatbaarheid van de uitlevering staat aan een (nieuw) EAB niet in de weg. Dat aanhouding twee jaar na ontvangst van het EAB heeft niet onevenredig lang geduurd.

De rechtbank verwerpt de verweren. Het volgende is hiervoor van belang. De opgeëiste persoon wordt verdacht van de invoer van bijna 300 kilo heroïne in Spanje. Dit is een ernstig feit en de Spaanse autoriteiten hebben door uitvaardigen van het EAB laten blijken hem daarvoor te willen berechten. Het tijdsverloop doet daaraan niet af. Een eerdere ontoelaatbaarheid in het kader van de uitlevering voor hetzelfde feit staat er niet aan in de weg om een nieuw EAB uit te vaardigen. Daarbij heeft te gelden dat de toets in de Uitleveringswet en de Overleveringswet een andere is. Op het door de Spaanse justitiële autoriteiten uitgevaardigde EAB moet het Openbaar Ministerie bovendien handelen en dat de vordering twee jaar na ontvangst van het EAB is gedaan, maakt nog niet dat het Openbaar Ministerie haar rechten in deze zaak heeft verspeeld.

3.2.

Verjaring

Op de terechtzitting heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op de verjaring naar Nederlands recht van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. De rechtbank vat het verweer op als een beroep op de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 9 OLW.

De rechtbank stelt vast dat Nederland rechtsmacht had voor het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het uitvaardigen van het EAB een vervolgingshandeling is waardoor de verjaring is gestuit. Of sprake is van berechting binnen redelijke termijn is vervolgens een vraag die aan de Spaanse rechter dient te worden voorgelegd.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

4 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Een rechter van de Sección Primera de la Sala de lo Penal de la Audiencia Nacional (nationaal gerechtshof, strafkamer sector 1) heeft in een e-mail van 2 oktober 2018 de volgende garantie gegeven:

Wij informeren u dat indien u de opgeëiste Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] ONVOORWAARDELIJK overlevert voor berechting in Spanje, hij teruggezonden zal worden naar Nederland voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die hem door middel van een onherroepelijk vonnis hypothetisch opgelegd zou kunnen worden. Hij zal de opgelegde straf in Nederland kunnen ondergaan, overeenkomstig de bepalingen van Kaderbesluit 2008/909/JBZ, van
27-11-88, en overeenkomstig de artikelen 63 en volgende van onze Omzettingswet Wederzijdse Erkenning, inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, alsmede aangezien zulks is voorgeschreven in artikel 5, 3) van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, van 13 juni 2002, en artikel 44 van onze Wet Wederzijdse Erkenning in Strafzaken van de Europese Unie, van 20-11-14, inzake de omzetting van voornoemd Kaderbesluit.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie op 2 oktober 2018 gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Spaanse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- de drugs werden ingevoerd in Spanje;

- de rechtsorde in Spanje is daardoor geschokt;

- het bewijs bevindt zich in Spanje;

- Spanje heeft een terugkeergarantie afgegeven.

Gelet op deze argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Schending van grondrechten

Volgens de raadsvrouw van de opgeëiste persoon levert de overlevering een flagrante schending op van de artikelen 5 en 6 EVRM (de rechtbank begrijpt: de artikelen 6, 47 en 48 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, hierna: Handvest). De opgeëiste persoon heeft vier jaar in voorarrest gezeten, terwijl in die periode sprake was van inactiviteit bij de Spaanse autoriteiten. Hij is alleen gehoord in het kader van de voorlopige hechtenis. Na overlevering zal de opgeëiste persoon opnieuw in voorlopige hechtenis worden gesteld zonder uitzicht op schorsing daarvan of van een spoedige behandeling van zijn zaak. Ook kan inmiddels geen sprake meer zijn van een eerlijk proces. Hetgeen hij over de zaak heeft verklaard is nooit onderzocht en 20 jaar na dato kan een deugdelijk onderzoek niet meer plaatsvinden. Daarnaast bestaat de vrees voor partijdigheid van de Spaanse rechter.

De rechtbank stelt voorop dat schending van grondrechten geen weigeringsgrond oplevert.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze verweren aan de Spaanse rechter, belast met de behandeling van de strafzaak, moeten worden voorgelegd; deze beschikt namelijk over het strafdossier. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgaan dat die verweren bij de beoordeling van de strafzaak worden meegewogen.

8 Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat in geval van overlevering een flagrante schending van artikel 3 EVRM (de rechtbank begrijpt: artikel 4 Handvest) dreigt. Zij heeft daartoe gewezen op de hoge leeftijd van de opgeëiste persoon, alsmede zijn slechte lichamelijke en geestelijke gezondheid. De raadsvrouw heeft gesteld dat vereiste aanpassingen en zorg in een Spaanse cel niet kunnen worden geboden.

De officier van justitie heeft gewezen op haar bevoegdheid neergelegd in artikel 35 OLW. De officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat het Openbaar Ministerie bereid is de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon te laten onderzoeken door een psychiater, waarbij zij ook niet heeft uitgesloten dat met de Spaanse autoriteiten tot een vergelijk wordt gekomen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.

Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).

De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat ouderen met een broze gezondheid in Spaanse detentiecentra onmenselijk of vernederend worden behandeld. Het verweer faalt daarom. De rechtbank wijst in dit verband nog op de bevoegdheden die de officier van justitie op grond van artikel 35 OLW toekomen en waarin - kort gezegd - de feitelijke overlevering is geregeld en waarin bepaald is dat feitelijke overlevering bij wijze van uitzondering achterwege kan blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen.

9 Stelselevenredigheid

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft naar voren gebracht dat de rechtbank op de zitting in oktober 2018 heeft gesuggereerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die vragen oproepen over de evenredigheid bij het uitvaardigen van het EAB. In dit verband heeft zij gewezen op de volgende omstandigheden: (i) de eerdere ontoelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek, (ii) de ouderdom van het feit, (iii) de vier jaar voorarrest waarin niets is gebeurd, (iv) de gevorderde leeftijd van de opgeëiste persoon en zijn slechte gezondheid. De raadsvrouw concludeert, gelet op hetgeen daarover hiervoor is aangevoerd en de reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 januari 2019, dat een beroep op de onevenredigheid van het EAB is gerechtvaardigd. De raadsvrouw heeft in dat verband ook gesteld dat na een eventuele veroordeling in Spanje, na omzetting naar Nederlands recht, geen strafrestant zal overblijven.

De officier van justitie heeft in dit verband naar voren gebracht dat in dit concrete geval mogelijk sprake is van zodanige omstandigheden dat een beroep op de stelselevenredigheid zou kunnen worden gehonoreerd. Zij heeft daaraan echter toegevoegd dat bij een eventuele weigering de Spaanse autoriteiten altijd een nieuw EAB kunnen uitvaardigen.

De rechtbank overweegt het volgende.
In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid in de zin van de OLW een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Dit neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden slagen.

Omdat zich in dit concrete geval zich omstandigheden voordoen, die vragen oproepen over de evenredigheid bij het uitvaardigen van het EAB, heeft de rechtbank de officier van justitie in oktober 2018 opdracht gegeven de uitvaardigende justitiële autoriteit de in de uitleveringszaak gestelde vier vragen opnieuw te stellen. Kortweg zien deze vragen op de proces- en vervolgingshandelingen tijdens de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon en de rechtskundige bijstand in die periode. Daarnaast heeft de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit laten bevragen over de reden van het tijdsverloop tussen de afwijzende beslissing op het uitleveringsverzoek in 2006 en of de huidige gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon tot een heroverweging van het EAB leidt.

In een brief van 8 januari 2019 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit antwoord gegeven op alle gestelde vragen en laten weten dat zij het EAB handhaaft.

Naar het oordeel van de rechtvaardigt de verdenking tegen de opgeëiste persoon dat hij bijna 300 kilo heroïne binnen het grondgebied van Spanje heeft gebracht alleen de conclusie dat het EAB proportioneel is. In dat licht bezien zijn de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, hoe schrijnend ook, niet zo bijzonder dat zij een beroep op onevenredigheid van het EAB rechtvaardigen.

10 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

11 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

12 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Nationaal Hof – Strafkamer, Eerste Sectie te Madrid (Spanje).


Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. Ch.A. van Dijk en C.P. Bleeker, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juli 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.