Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
7434672 CV EXPL 18-28854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een zoon die met zijn moeder tot haar dood in haar sociale huurwoning in Amsterdam-Noord woonde, mag daar blijven wonen. Hij mag de huurovereenkomst voorzetten omdat zij een duurzaam en gemeenschappelijk huishouden hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/8
JERF Actueel 2019/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7434672 CV EXPL 18-28854

vonnis van: 29 juli 2019

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.J.R. Roethof

t e g e n

Stichting Ymere

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: Ymere

gemachtigde: mr. H.M.G. Brunklaus

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- de dagvaarding van 14 december 2018, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
- het instructievonnis;
- de dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Daaraan voorafgaande heeft [eiser] een antwoord in reconventie genomen. Partijen hebben tevens aanvullende producties overgelegd. [eiser] is op de zitting in persoon verschenen met zijn gemachtigde. Namens Ymere is [naam 1] verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ymere heeft ter zitting verwezen naar een overzicht van haar klantcontacten. Dit overzicht heeft Ymere na de zitting als aanvullende productie overgelegd. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [eiser] zich niet per akte uitgelaten over deze productie. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten in conventie en reconventie

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Tussen Ymere en [naam moeder] , zijnde de moeder van [eiser] , heeft sinds 16 september 1986 een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] (verder: het gehuurde).

1.2.

De huurprijs bedraagt momenteel € 353,87 per maand.

1.3.

[eiser] heeft vanaf zijn geboorte in 1989 op het gehuurde gewoond.

1.4.

Op 18 juni 2018 is de moeder van [eiser] onverwachts overleden. De vader van [eiser] was al in 2008 overleden.

1.5.

Na het overlijden van zijn moeder heeft [eiser] Ymere verzocht in te stemmen met voortzetting van de huur door hem.

1.6.

Bij brief van 27 augustus 2018 heeft Ymere de aanvraag van [eiser] tot voortzetting van de huur afgewezen. Aan [eiser] is tevens medegedeeld dat hij het gehuurde op 18 december 2018 diende te ontruimen.

1.7.

[eiser] heeft het gehuurde op bovengenoemde datum niet ontruimd.

1.8.

[eiser] heeft een twaalftal schriftelijke verklaringen overgelegd van familie, vrienden en buurtbewoners. Kort weergegeven en voor zover relevant zijn de volgende verklaringen afgelegd door de volgende personen, waarbij wordt opgemerkt dat met ‘ [eiser] ’ en ‘ [eiser] ’ [eiser] wordt bedoeld:

[naam 2] : “Toen zijn [ [eiser] , toevoeging kantonrechter] vader overleed groeide hij verder naar zijn moeder toe en deden zij samen het huis, boodschappen en beiden werkte.

[naam 3] : “[eiser] hielp zijn moeder veel in de huishouding, boodschappen en ook met de kosten. [eiser] deed alles voor zijn moeder, niets was hem teveel.

[naam 4] : “[eiser] werkte inmiddels ook al en gaf zijn moeder netjes na ontvangst (van salaris) altijd rond 200 euro en de rest bewaarde hij en deed vaak ook nog bijspringen (financieel) bij het halen vd boodschappen. Of bijdragen als de auto weleens stuk was.

[naam 5] : “Na een dag hard werken van [naam moeder] had [eiser] voor haar gekookt, het huisje opgeruimd en boodschappen gedaan.

[naam 6] : “Regelmatig zag ik hem in de winkel boodschappen doen voor hem en zijn moeder.

[naam 7] : “Samen met [naam moeder] voerde [eiser] een gemeenschappelijke huishouding. Hiervan ben ik vaak getuigen geweest. Bijvoorbeeld, samen boodschappen doen of samen naar het strand. Ook hebben wij vaak samen avond gegeten en kochten wij samen Staatsloten.

[naam 8] : “[eiser] heeft altijd gewerkt en droeg zijn deel voor het huishouden af aan zijn moeder. Dit was het eerste wat hij deed met zijn salaris, zijn moeder het deel voor de woonlasten geven. Weet nog goed toen hun wasmachine kapot was, [eiser] en ik nog dezelfde dag een nieuwe wasmachine zijn gaan halen, die [eiser] heeft betaald met het geld uit zijn werkenvelop. Ik was daarbij en heb dit met eigen ogen gezien.

[naam 9] : “[eiser] heeft zijn salaris altijd contant uitbetaald gekregen en hiervan gaf hij [naam moeder] zijn deel voor de woonlasten en zijn zorgverzekering contant.

Vordering en verweer in conventie

2. [eiser] vordert in conventie bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

  • -

    voor recht te verklaren dat de opzegging van de huurovereenkomst door Ymere per 18 december 2018 nietig is dan wel voor vernietiging in aanmerking komt vanwege de strijdigheid met het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 en 3 BW;

  • -

    te bepalen dat de huurovereenkomst na ommekomst van de zes maanden termijn voor onbepaalde tijd door eiser wordt voortgezet, in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW;

subsidiair:

- Ymere te verbieden het gehuurde te ontruimen, vanwege strijdigheid van de opzegging van de huurovereenkomst door Ymere met de redelijkheid en billijkheid, met veroordeling van Ymere tot verstrekking van het huurgenot aan [eiser] voor onbepaalde tijd, dan wel een in goede justitie te vermenen einddatum;

meer subsidiair:

- te bepalen dat de ontruimingstermijn op zes maanden zal worden gesteld, opdat [eiser] behoorlijk in eigen vervangende woonruimte kan voorzien;

en voorts dat Ymere wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

3. Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij al zijn hele leven bij zijn ouders en – nadat zijn vader in 2008 was overleden – zijn moeder heeft gewoond. Hij stelt voorts duurzaam gemeenschappelijk met zijn moeder te hebben samengewoond. Na de dood van zijn vader in 2008 heeft [eiser] er bewust voor gekozen om duurzaam te blijven samenwonen met zijn moeder. [eiser] heeft nooit de intentie gehad om ergens anders te gaan wonen. [eiser] droeg bij in de vaste lasten, deed het huishouden, kookte en deed boodschappen. Ook ondernam hij veel samen met zijn moeder. Tot slot stelt [eiser] dat hij vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg voor een behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst biedt.

4. Ymere betwist dat sprake was van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding tussen moeder en zoon. Dit heeft [eiser] niet aangetoond met onderliggende stukken. Voorts kan slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleven van kind en ouder worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Dat er in de onderhavige situatie sprake is van genoemde bijzondere omstandigheden heeft [eiser] evenmin aangetoond, aldus Ymere.

Vordering en verweer in reconventie

5. Ymere vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [eiser] tot ontruiming van het gehuurde.

6. [eiser] voert als verweer hetgeen hij in conventie aan zijn vordering ten grondslag legt (zie hiervoor onder 3).

Beoordeling in conventie en reconventie

7. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze hieronder gezamenlijk beoordeeld worden.

8. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat, kort gezegd, de opzegging van de huurovereenkomst door Ymere per

18 december 2018 nietig, dan wel vernietigbaar is, niet kan worden toegewezen. Er is, zoals de gemachtigde van [eiser] ter zitting ook heeft erkend, immers nooit sprake geweest van een huuropzegging door Ymere.

9. Het geschil tussen partijen bestaat in de kern uit de vraag of [eiser] aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en 3 BW voor voortzetting van de huur voldoet.

10. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW kan de persoon die in de woonruimte van de overleden huurder zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzetten en ook nadien, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering. Op grond van artikel 7:268 lid 3 BW wijst de rechter de vordering in ieder geval af indien (a) de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet, (b) indien de eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur en (c) indien het woonruimte betreft waarop hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, indien de eiser niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet overlegt.

11. De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen zes maanden na het overlijden van de moeder van [eiser] - en daarmee tijdig - is ingesteld. Voorts is door Ymere, gelet op de door [eiser] overgelegde uitkeringsspecificaties, zijn recht op huurtoeslag en gelet op de relatief lage huur van het gehuurde, onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [eiser] vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt om de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te kunnen komen. Bovendien heeft Ymere ter zitting erkend dat [eiser] wel in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Hiermee gelden de hierboven onder b) en c) genoemde afwijzingsgronden niet. Daarnaast is niet weersproken de stelling van [eiser] dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning, zodat alleen de vraag resteert of [eiser] een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder heeft gevoerd.

12. Volgens vaste jurisprudentie is bij volwassen kinderen het uitgangspunt dat het samenwonen met de ouders in beginsel een aflopende zaak is, tenzij er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe doen besluiten om wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, als een blijvende gemeenschappelijke huishouding aan te merken. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW geldt dat de duurzaamheid wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur die de gemeenschappelijke huishouding reeds kent, en subjectieve, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn dat de huurder en die andere persoon gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, alsmede dat die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen. Daaraan moet, voor zover het de relatie tussen een ouder en een kind betreft, worden toegevoegd dat onder gevallen van duurzame gemeenschappelijke huishouding niet zijn begrepen de gevallen van een samenleven van ouder en kind zoals dit samenleven bij de geboorte van het kind ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet. Alleen als na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe doen besluiten om, wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, tot een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding te maken, kan er reden zijn een uitzondering op dit uitgangspunt te maken.

13. Ten aanzien van de duurzaamheid van de huishouding overweegt de kantonrechter als volgt. Uit de door [eiser] gestelde en met verklaringen onderbouwde feiten blijkt dat hij na het overlijden van zijn vader in 2008 – [eiser] was toen 18 jaar oud – bewust bij zijn moeder is blijven inwonen. [eiser] heeft in dat verband naar voren gebracht dat hij tot die beslissing is gekomen omdat na het lange ziekbed en het overlijden van zijn vader zijn moeder het niet meer vol hield en de steun van haar zoon nodig had. De samenleving werd dus deels ingegeven door de behoefte aan hulp en verzorging. Deze leefsituatie tussen [eiser] en zijn moeder heeft geruime tijd, tot het overlijden van de moeder van [eiser] in 2018, voortgeduurd. Niet gebleken is dat hierbij sprake was van een aflopende en/of tijdelijke situatie. Dat de moeder van [eiser] in 2018 overleed, was zeer onverwachts. Verder is ook niet gebleken dat [eiser] gedurende de samenlevingsperiode met zijn moeder op enig moment het voornemen heeft gehad op zichzelf te gaan wonen. Weliswaar heeft hij sinds 2014 een inschrijving op WoningNet, maar onweersproken is gebleven dat [eiser] nooit iets met deze inschrijving heeft gedaan en nooit op woningaanbod heeft gereageerd. Gelet op deze omstandigheden is voldoende gebleken van de bedoeling van betrokkenen om de samenleving niet tijdelijk, maar duurzaam te laten zijn. Ook maakt het voorgaande dat de onderhavige situatie naar het oordeel van de kantonrechter voldoende verschilt van de situatie waarin een (net) meerderjarig kind nog bij zijn of haar ouders inwoont totdat hij of zij op zichzelf gaat wonen.

14. Daarnaast is de gemeenschappelijkheid van de huishouding naar het oordeel van de kantonrechter eveneens voldoende gebleken. [eiser] heeft in dat verband verklaard dat zijn moeder fulltime werkte en hij parttime. [eiser] deed naast zijn werk de huishoudelijke klussen, zoals koken, opruimen en de boodschappen. [eiser] heeft verder gesteld dat hij van zijn salaris minimaal € 200,00 per maand bijdroeg aan de vaste lasten, boodschappen en/of andere noodzakelijke uitgaven. Ymere heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, en evenmin zijn deze gebleken, waaruit het tegendeel kan volgen. Zij heeft slechts bij gebrek aan wetenschap de financiële bijdrage van [eiser] betwist. [eiser] heeft de door hem gestelde contante financiële bijdrage aan het huishouden niet met stukken kunnen onderbouwen, zodat de kantonrechter de juistheid van deze stelling niet objectief kan beoordelen. Dat doet er echter niet aan af dat [eiser] een groot aantal verklaringen in het geding heeft ingebracht van familie, vrienden en buurtbewoners die de standpunten van [eiser] onderschrijven. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat [eiser] een aanzienlijk deel van de (kosten van) de huishouding voor zijn rekening nam, hetgeen wijst op een gemeenschappelijke huishouding.

15. Gelet op al het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat [eiser] aan de voorwaarden van 7:268 lid 2 BW voldoet en dat hij daarmee in aanmerking komt voor voortzetting van de huur. De vordering van [eiser] die ziet op voortzetting van de huur is toewijsbaar. De subsidiaire vorderingen van [eiser] behoeven daarom geen behandeling meer. De vordering in reconventie wordt afgewezen.

16. Al het overige dat partijen nog hebben aangevoerd, waaronder de stellingen met betrekking tot de klantcontacten tussen partijen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

17. Ymere zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Aan [eiser] is een toevoeging verleend. Daarom zijn in deze zaak de explootkosten door de griffier voorgeschoten. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk.

18. Ymere zal als de in het ongelijk gestelde partij eveneens worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Deze kosten zullen worden begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie:

bepaalt dat de huurovereenkomst tussen [naam moeder] en Ymere voor onbepaalde tijd door [eiser] wordt voortgezet met ingang van 18 december 2018;

veroordeelt Ymere in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:
- salaris € 360,00
- griffierecht € 81,00
-----------------
totaal € 441,00
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt Ymere in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Ymere niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt Ymere in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.