Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5589

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
C/13/667674 / KG ZA 19-630 MDvH/TF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam hoeft een aanbestedingsprocedure voor de inzet van uitzendkrachten niet over te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

Vonnis in kort geding van 30 juli 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/667674 / KG ZA 19-630 MDvH/TF

(zaak 1) van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RANDSTAD DIRECT B.V.,

gevestigd te Diemen,

eiseres bij dagvaarding van 12 juni 2019,

advocaten mrs. B.J.H. Blaisse-Verkooijen en mr. M.P.F. Reker te Haarlem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. J.H.C.A. Muller en R. van Arkel te Den Haag,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLYMPIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. M.J.J.M. Essers en I.J. de Laat te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIQUE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Almere,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. W.J.W. Engelhart en E.F.M. Schouten te Utrecht.

en

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/667675 / KG ZA 19/631 MDvH/TF

(zaak 2) van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RANDSTAD RESOURCE BEDRIJF ZAKELIJK B.V.,

gevestigd te Diemen,

eiseres bij dagvaarding van 12 juni 2019,

advocaten mrs. B.J.H. Blaisse-Verkooijen en mr. M.P.F. Reker te Haarlem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. J.H.C.A. Muller en R. van Arkel te Den Haag,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLYMPIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. M.J.J.M. Essers en I.J. de Laat te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIQUE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Almere,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. W.J.W. Engelhart en E.F.M. Schouten te Utrecht,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MANPOWER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. D.J.L. van Ee en B. Andriessen te Amsterdam.

Eiseressen in zaak 1 en zaak 2 zullen hierna gezamenlijk Randstad worden genoemd en afzonderlijk Randstad Direct en Randstad Resource. De overige partijen zullen hierna de Gemeente, Olympia, Unique en Manpower (en gezamenlijk de tussenkomende partijen of de overige inschrijvers) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Voorafgaand aan de zitting van 16 juli 2019, waarop beide zaken gelijktijdig zijn behandeld, hebben Olympia en Unique in zowel zaak 1 als zaak 2 en Manpower in zaak 2 een akte incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging ingediend.

Op de zitting is aan deze partijen toegestaan om tussen te komen, nu de verzoeken aan de criteria voldoen en Randstad en de Gemeente daartegen geen bezwaar hadden.

1.2.

Ter zitting heeft Randstad in beide zaken gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaardingen. De Gemeente heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. De in de beide zaken tussengekomen partijen hebben eveneens verweer gevoerd en gevorderd zoals hierna is vermeld. Randstad heeft hiertegen verweer gevoerd.

Randstad heeft in beide zaken producties (waaronder in zaak 2 op de zitting, met

instemming van alle partijen, een nieuwe productie 6) in het geding gebracht. Olympia heeft in beide zaken één productie in het geding gebracht. Alle partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van Randstad: [naam Senior Key Accountmanger] (Senior Key Accountmanager) met mrs. Blaisse-Verkooijen en Reker,

aan de zijde van de Gemeente: [naam Manager Leadbuyer Personeel] (Manager Leadbuyer Personeel) met mrs. Muller en Van Arkel,

aan de zijde van Olympia: [naam CEO] (CEO) met mrs. Essers en De Laat,

aan de zijde van Unique: [naam Directeur Sales & Account Management] (Directeur Sales & Account Management) met mrs. Engelhart en Schouten,

aan de zijde van Manpower: de heer [naam Key Account Manager] (Key Account Manager) met

mrs. Van Ee en Andriessen.

2 De feiten

Zaak 1 en 2

2.1.

De Gemeente heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure met kenmerk APO-2018-2175/B “Inzet van Uitzendkrachten” georganiseerd.

Het gaat om de inhuur van uitzendkrachten voor een veelheid aan functies die zijn onderverdeeld in de volgende percelen:

Perceel 1: Call center agent/ Baliemedewerker

Perceel 2: Reiniging

Perceel 3: Medisch

Perceel 4: Sport

Perceel 5: Enquêteur

Perceel 6: Overig risico groep 1 en 2

De uitzendkrachten zullen onder leiding en toezicht van de Gemeente komen te werken op basis van uitzenden met korte opzegtermijnen.

De aanbesteding is op 3 december 2018 gepubliceerd op TenderNed.

2.2.

In de Aanbestedingsleidraad van 3 december 2018 (hierna de Leidraad) staat in paragraaf 1.1.2 dat kan worden ingeschreven voor meerdere percelen. Per perceel zal met een of meer opdrachtnemers een raamovereenkomst worden afgesloten met een looptijd van twee jaar met een verlengingsmogelijkheid van maximaal twee jaar. Voor perceel 2 (reiniging) geldt een afwijkende contractduur. In de Leidraad staat verder dat de beoordeling plaatsvindt op basis van het gunningscriterium “Beste Prijs Kwaliteit Verhouding”, waarbij prijs voor 20% meetelt en kwaliteit voor 80%. In hoofdstuk 3 van de Leidraad is de wijze van beoordelen beschreven. Hierin staat in paragraaf 3.3.1 dat de leden van de beoordelingscommissie de inschrijvingen eerst individueel beoordelen vervolgens na gezamenlijk overleg tot een definitieve score komen.

2.3.

In de paragrafen 1.3.1, 2.3.2, 3.2.3, en 6.2 van de Leidraad zijn respectievelijk de volgende passages opgenomen:

2.4.

In artikel 17.10 van de bij de aanbestedingsstukken gevoegde Raamovereenkomsten staat:

“De beschreven methodieken van werving en selectie die beschreven zijn in de inclusiewijzer en die bij interne werving door de gemeente Amsterdam als standaard wordt gebruikt wordt ook als standaard gebruikt door Contractant. Deze inclusiewijzer is als bijlage 15 bijgevoegd. Contractant doet altijd het uiterste om een diverse groep kandidaten voor te leggen door zo breed en inclusief mogelijk te werven.”

2.5.

In de hiervoor in het citaat genoemde Inclusiewijzer staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) Bij de gemeente is er momenteel geen uniforme werkwijze waarop selecties plaatsvinden. Dat betekent dat er een grote variëteit is in de wijze waarop selectieprocedures worden ingestoken. (…) Deze grote variëteit aan sollicitatieprocedures heeft als afbreukrisico dat er mogelijk ongewild en onbewust geschikte kandidaten afvallen tijdens de selectiefases.

Om dit te voorkomen kunnen managers een aantal maatregelen nemen om hun selectieproces kwalitatief te verbeteren en de kansen van kandidaten gelijk te trekken.

Hieronder volgen enkele adviezen:

(…)

Vraag tijdens het gesprek enkel naar werk- en/of privésituaties die relevant zijn voor de functie. Bijvoorbeeld vragen over kinderwensen of vragen over het geloof dat iemand aanhangt zijn ongepast en zeer ongewenst.

(…)”.

2.6.

Artikel 17.12 van de Raamovereenkomst luidt als volgt:

“Het voortrekken van Uitzendkrachten (…) om een andere reden dan kwaliteit, tarief en beschikbaarheid is reden om de samenwerking met Contractant met onmiddellijke ingang op te schorten en/of te beëindigen”.

2.7.

Het in hoofdstuk II “Uitvoering overeenkomst” van de Algemene Inkoopvoorwaarden opgenomen artikel 4.6 luidt, voor zover van belang:

“De contractant zal bij de uitvoering van de Overeenkomst alle van toepassing zijnde voorschriften bij of krachtens de wet gesteld naleven (…)”.

2.8.

In de Nota’s van Inlichtingen zijn door de inschrijvers vragen gesteld over het ontbreken van het Programma van Eisen waarnaar in de aanbestedingsstukken wordt verwezen. De Gemeente heeft samengevat geantwoord dat er geen Programma van Eisen is en dat de eisen zijn opgenomen in de Raamovereenkomst.

Het antwoord op een van de gestelde vragen luidt:

“Het is juist dat er geen los PvE is. De eisen zijn inderdaad opgenomen in de Raamovereenkomst. Echter in de Raamovereenkomst zitten een aantal bijlagen waardoor ook bijvoorbeeld de Aanbestedingsleidraad en de beschrijvingen van de percelen in hoofdstuk 5 hier deel van uitmaken. Dit geldt ook voor de Algemene Inkoopvoorwaarden en de Verwerkersovereenkomst.”

2.9.

Er zijn vier kwalitatieve subgunningscriteria (“wensen”), waaronder “Inclusie en diversiteit” en “Social Return” (voor perceel 1, 3, 5 en 6). Per subgunningscriterium kunnen 20 punten worden behaald. In hoofdstuk 7 van de Leidraad is dit voor de genoemde criteria in de paragrafen 7.1.5. respectievelijk 7.1.4 uitgewerkt.

2.10.

Randstad, een van zittende dienstverleners, heeft voor een aantal percelen ingeschreven.

2.11.

In de voorlopige gunningsbeslissing van 18 april 2019 heeft de Gemeente aan Randstad Direct meegedeeld dat zij perceel 2 voorlopig heeft gegund aan Olympia en dat Unique en Randstad respectievelijk als tweede en derde reserve opdrachtnemer zijn geëindigd.

In de voorlopige gunningsbeslissing van eveneens 18 april 2019 heeft de Gemeente aan Randstad Resource meegedeeld dat zij perceel 4 aan haar heeft gegund en dat perceel 1 is gegund aan Olympia en dat Unique als tweede en reserve opdrachtnemer is geëindigd. Voor perceel 6 zijn Olympia, Unique en Manpower als eerste tot en met derde geëindigd.

Randstad heeft zich niet bij deze beslissingen neergelegd.

2.12.

Op 25 april 2019 hebben de Gemeente en Randstad een gesprek gevoerd nadat Randstad haar bezwaren per e-mail kenbaar had gemaakt. Bij brief van 29 april 2019 heeft Randstad haar bezwaren nader toegelicht.

2.13.

Bij brief van 2 mei 2019 heeft de Gemeente aan alle inschrijvers op de percelen 1 tot en met 4 en 6 meegedeeld dat de “standstill periode” zal worden verlengd tot uiterlijk 7 juni 2019 voor bestudering van de inhoudelijke bezwaren.

2.14.

Op 23 mei 2019 hebben alle inschrijvers een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing ontvangen. In de brieven aan Randstad (en alle andere inschrijvers) staat dat een herbeoordeling heeft plaatsgevonden van het subgunningscriterium “Social Return” (niet bij perceel 2), paragraaf 7.1.4 onderdeel A3 (ambitie) en B4 (arbeidsmarkttrends) van de Leidraad, en subgunningscriterium “Inclusie en diversiteit”, paragraaf 7.1.5. onderdeel 2 (LHBTI+) van de Leidraad, en dat de motivering op een aantal punten is genuanceerd.

In de brief aan Randstad Direct staat dat zij voor perceel 2 wederom als derde is geëindigd. Olympia en Unique zijn respectievelijk als eerste en tweede geëindigd. In de brief aan Randstad Resource staat dat zij wederom voor de percelen 1 en 6 niet voor gunning in aanmerking komt. Olympia en Unique zijn voor deze percelen respectievelijk als eerste en tweede geëindigd. Voor perceel 6 is Manpower als derde geëindigd.

2.15.

In brieven van 24 mei 2019 heeft de Gemeente aan Randstad nog een nadere toelichting verstuurd. Bij brieven van 29 mei 2019 heeft de advocaat van Randstad opnieuw bezwaar gemaakt tegen de nieuwe gunningsbeslissing en een kortgedingprocedure aangekondigd. Bij brieven van 6 juni 2019 heeft de advocaat van de Gemeente hierop gereageerd.

3 Het geschil

Zaak 1

3.1.

In zaak 1 vordert Randstad Direct – samengevat – de Gemeente op straffe van een dwangsom:

Primair

1. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 2 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

2. te gebieden de aanbieding van Unique voor perceel 2 ongeldig te verklaren; en

3. te gebieden de aanbieding van Olympia voor perceel 2 ongeldig te verklaren; en

4. te gebieden een nieuwe gunningsbeslissing te nemen voor perceel 2; en

5. te gebieden deze gunningsbeslissing te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Subsidiair

6. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 2 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

7. te gebieden de aanbieding op perceel 2 opnieuw te laten beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen; en

8. te gebieden deze gunningsbeslissing te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Meer subsidiair

9. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 2 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

10. te gebieden de aanbieding op de perceel 2 opnieuw te laten beoordelen en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen; en

11. te gebieden deze gunningsbeslissing te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Uiterst subsidiair

12. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 2 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

13. te gebieden de onderhavige opdracht voor perceel 2 opnieuw aan te besteden voorzover de Gemeente de opdracht nog wil gunnen.

Tot slot vordert Randstad Direct de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Zaak 2

3.2.

In zaak 2 vordert Randstad Resource – samengevat – de Gemeente op straffe van een dwangsom:

Primair

1. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 1 en 6 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

2. te gebieden de aanbieding van Unique voor perceel 1 en 6 ongeldig te verklaren; en

3. te gebieden de aanbieding van Olympia voor perceel 1 en 6 ongeldig te verklaren; en

4. te gebieden de aanbieding van Manpower voor perceel 6 ongeldig te verklaren; en

5. te gebieden een nieuwe gunningsbeslissing te nemen voor perceel 1 en 6; en

6. te gebieden deze gunningsbeslissingen te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Subsidiair

7. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 1 en 6 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

8. te gebieden de aanbiedingen op de percelen 1 en 6 opnieuw te laten beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen; en

9. te gebieden deze gunningsbeslissingen te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Meer subsidiair

10. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 1 en 6 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

11. te gebieden de aanbiedingen op de percelen 1 en 6 opnieuw te laten beoordelen en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen; en

12. te gebieden deze gunningsbeslissingen te motiveren, waarbij opnieuw een termijn voor bezwaar wordt gegeven;

Uiterst subsidiair

13. te verbieden over te gaan tot definitieve gunning van de opdracht voor perceel 1 en 6 conform de gunningsbeslissing van 23 mei 2019; en

14. te gebieden de onderhavige opdracht voor de percelen 1 en 6 opnieuw aan te besteden voorzover de Gemeente de opdracht nog wil gunnen.

Tot slot vordert Randstad Resource de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

In beide zaken

3.3.

Randstad stelt ter onderbouwing van haar vorderingen – samengevat – het volgende. Uit de aanbestedingsstukken volgt dat de Gemeente streeft naar een inclusieve organisatiestructuur. Inclusie gaat om het scheppen van een organisatiestructuur waarin elke werknemer zich thuis voelt. Voorkomen moet worden dat verschillen tussen groepen mensen worden benadrukt. Nu de Gemeente op dit onderdeel een duidelijk kader heeft gesteld mag hier niet van worden afgeweken. Dit is in deze aanbestedingsprocedure fout is gegaan. Uit de gunningsbeslissing blijkt immers dat de tussenkomende partijen bij het werven van kandidaten buiten dat kader zijn getreden en daar bovendien ook nog een hogere score voor hebben gekregen. In het bijzonder stelt Randstad in beide zaken dat de beoordeling van het subgunningscriterium “Inclusie en diversiteit” op onrechtmatige wijze is verlopen.

Primair had het beoordelingsteam de inschrijvingen van de tussenkomende partijen op de desbetreffende percelen 1, 2 en 6 als ongeldig ter zijde moeten schuiven omdat de inschrijvingen op dit onderdeel in strijd zijn met de aanbestedingsstukken en de wet en regelgeving. De gunningsbeslissing had in dat geval gunstig voor Randstad kunnen uitpakken. In dit kort geding wordt gevorderd de Gemeente daartoe alsnog te gebieden.

Subsidiair heeft het beoordelingsteam ten onrechte punten toegekend aan de inschrijvingen van de tussenkomende partijen op dit onderdeel. Er zijn punten toegekend op bepaalde aspecten die gelet op de uitgangspunten in de aanbestedingsstukken niet hadden mogen worden meegewogen. Daarnaast is beoordeling van de inschrijving van Randstad op bepaalde onderdelen te negatief geweest. De beoordeling moet dan ook opnieuw plaatsvinden door een nieuwe beoordelingscommissie. De oude commissie is immers bevooroordeeld.

Meer subsidiair dient een heraanbesteding plaats te vinden omdat de aanbestedingsprocedure dusdanige gebreken vertoont dat deze dient te worden gestaakt.

3.4.

Randstad Resource stelt in zaak 2 dat ook de beoordeling van het subgunningscriterium “Social Return” op onrechtmatige wijze is verlopen. Zoals in zaak 1 hadden primair de inschrijvingen van de tussenkomende partijen op de desbetreffende percelen 1 en 6 ongeldig moeten worden verklaard, althans moet een herbeoordeling plaatsvinden door een nieuwe beoordelingscommissie omdat onderdelen van dit subgunningscriterium op een onjuiste wijze zijn beoordeeld. Als de voorzieningenrechter het voorgaande afwijst, dient een heraanbesteding plaats te vinden.

3.5.

De Gemeente en de tussenkomende partijen voeren verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

3.6.

Olympia vordert – samengevat –:

in zaak 1

1. Randstad Direct niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen;

2. de Gemeente te gebieden de opdracht voor perceel 2 definitief aan Olympia te gunnen, indien de Gemeente de opdracht wil gunnen, en over te gaan tot het sluiten van een raamovereenkomst voor perceel 2 met Olympia;

Tot slot vordert Olympia Randstad te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

in zaak 2

1. Randstad Resource niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen;

2. de Gemeente te gebieden de opdracht voor perceel 1 en 6 definitief aan Olympia te gunnen, indien de Gemeente de opdrachten wil gunnen, en over te gaan tot het sluiten van een raamovereenkomsten voor perceel 1 en 6 met Olympia;

Tot slot vordert Olympia Randstad te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.7.

Unique vordert – samengevat –:

in zaak 1

1. Randstad Direct in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen;

2. de Gemeente te gebieden om, indien zijn de opdracht nog wenst te gunnen, de opdracht voor de perceel 2 definitief te gunnen aan Unique als reserve opdrachtnemer en een overeenkomst met haar te sluiten.

Tot slot vordert Unique Randstad Direct danwel de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

in zaak 2

1. Randstad Resource in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen;

2. de Gemeente te gebieden om, indien zijn de opdracht nog wenst te gunnen, de opdracht voor perceel 1 definitief te gunnen aan Unique als reserve opdrachtnemer en de opdracht voor perceel 6 definitief te gunnen aan Unique als mede opdrachtnemer en hiertoe overeenkomsten met haar te sluiten.

Tot slot vordert Unique Randstad Resource danwel de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.8.

Manpower vordert – samengevat na de in haar pleitnota opgenomen eiswijziging –:

in zaak 2

Primair

1. de Gemeente te gebieden om perceel 6 te gunnen aan Manpower;

2. de Gemeente te verbieden om de inschrijvingen voor perceel 6 opnieuw te beoordelen;

3. Randstad resource te gebieden te gehengen en te gedogen dat de Gemeente perceel 6 gunt aan Manpower en de inschrijvingen voor perceel 6 niet opnieuw beoordeelt;

Subsidiair

4. de Gemeente te verbieden om de inschrijving van Manpower voor perceel 6 ongeldig te verklaren;

5. de Gemeente te verbieden om over te gaan tot het opnieuw aanbesteden van de opdracht voor perceel 6 als zij de opdracht nog wenst te gunnen;

6. Randstad te gebieden te gehengen en te gedogen dat de Gemeente de inschrijving van Manpower voor perceel 6 niet ongeldig verklaart en niet overgaat tot het opnieuw aanbesteden van de opdracht voor perceel 6;

Primair en subsidiair

althans één of meer zodanige voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter nodig acht en Randstad te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.9.

Randstad voert verweer tegen de vorderingen van Olympia, Unique en Manpower.

4 De beoordeling

In beide zaken

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang van Randstad vloeit voort uit de aard van de zaken.

Inleiding

4.2.

In paragraaf 2.3.2 van de Leidraad staat dat inschrijvingen die in strijd zijn met de Leidraad en het daarin opgenomen Programma van Eisen ongeldig zijn. Inschrijvers hebben over de verwijzing naar het Programma van Eisen vragen gesteld omdat dit ontbreekt in de aanbestedingsstukken.

In de Nota van Inlichtingen heeft de Gemeente geantwoord dat de eisen zijn opgenomen in de Raamovereenkomst en dat daarvan ook een aantal bijlagen en de Algemene Inkoopvoorwaarden deel uitmaken. Uitgangspunt is derhalve dat voorwaarden in de Raamovereenkomst in principe als knock-out eisen zijn aan te merken en dat een inschrijving ongeldig is als daaraan niet wordt voldaan.

4.3.

In artikel 4.6 van Algemene Inkoopvoorwaarden staat dat de contractant bij de uitvoering van de overeenkomst de van toepassing zijnde voorschriften, bij of krachtens de wet gesteld, zal naleven.

4.4.

In beide zaken dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de inschrijvingen van Olympia, Unique en Manpower voor de desbetreffende percelen op grond van deze bepalingen ongeldig hadden moet worden verklaard.

Uitwerking subgunningscriterium (wens) “Inclusie en diversiteit”

4.5.

In hoofdstuk 1.3 (“Beleidsuitgangspunten van de gemeente Amsterdam”) van de Leidraad is in paragraaf 1.3.4 (“Inclusie en diversiteit, non-discriminatie”) opgenomen dat de Gemeente ernaar streeft een diverse en inclusieve organisatie te zijn en dat de Gemeente een organisatie wil zijn die een afspiegeling is van de stad,

“een organisatie die alle verschillen omarmt, waar ieders unieke talent benut wordt en waarin diversiteit als kwaliteit wordt gezien om goede resultaten voor de stad te halen. Een organisatie met een veilige werkomgeving waar je gewaardeerd wordt om wie je bent en wat je kunt. Inclusieve werving en selectie, zowel intern als voor externe inzet, is essentieel om een diverse en inclusieve werkcultuur te bereiken. De Gemeente gaat uitsluiting en discriminatie actief tegen”.

4.6.

Ten aanzien van het subgunningscriterium (de wens) “Inclusie en diversiteit” is in paragraaf 7.1.5 van de Leidraad opgenomen dat de Gemeente ernaar streeft een diverse en inclusieve organisatie te zijn en dat zij zich (tijdelijk) extra inzet voor een aantal groepen (vanwege ondervertegenwoordiging en de noodzaak van extra aandacht). In paragraaf 7.1.5 staat voorts vermeld dat de inschrijver voor het beantwoorden van deze wens een plan van aanpak moet overleggen waarin, voor zover hier van belang, het volgende onderwerp is uitgewerkt:

4.7.

Randstad stelt in het kader van het onderwerp Mantelzorg dat de Gemeente:

1. de inschrijvingen van Olympia, Unique en Manpower ongeldig had moeten verklaren, omdat daarin staat dat proactief wordt gevraagd of iemand mantelzorger is;

2. de inschrijvingen van Olympia en Unique ongeldig had moeten verklaren, omdat daarin staat dat mantelzorgers een contract van minimaal één jaar krijgen respectievelijk dat bij verkort verlof van mantelzorgers loon wordt doorbetaald van 70% naar 100%.

4.8.

In paragraaf 7.1.4 staat vermeld dat de inschrijver voor het beantwoorden van de wens “Inclusie en diversiteit” een plan van aanpak moet overleggen waarin, voor zover hier van belang, het volgende onderwerp is uitgewerkt:

4.9.

Randstad stelt ten aanzien van dit onderwerp LHBTI+ dat de Gemeente de inschrijving van Unique ongeldig had moeten verklaren, omdat zij jaarlijks twee arbeidsplaatsen garandeert voor kandidaten in de LHBTI+ doelgroep.

4.10.

Randstad stelt dat de Gemeente ten aanzien van deze onderwerpen ten onrechte positief heeft beoordeeld dat Olympia, Unique en Manpower bij de intake proactief vragen of de uitzendkracht mantelzorger is. Deze vraagstelling is volgens haar in strijd met de Inclusiewijzer waarnaar artikel 17.10 van de Raamovereenkomst naar verwijst, in het bijzonder de op pagina 10 vermelde vraag (hiervoor onder 2.5 aan het slot opgenomen). Voorts is het volgens Randstad in strijd met de Inclusiewijzer om mantelzorgers en leden van de LHBTI+ doelgroep voor te trekken (waarbij zij verwijst naar pagina 11 van de Inclusiewijzer, waar staat dat een kandidaat op objectieve selectiecriteria moet worden beoordeeld, en artikel 17.12 van de Raamovereenkomst). De inschrijvingen van Olympia, Unique en Manpower zijn in de visie van Randstad dan ook ongeldig.

4.11.

Zoals hiervoor is overwogen, dient derhalve eerst te worden beoordeeld of wat in de Inclusiewijzer staat, zoals Randstad stelt en de Gemeente betwist, als knock-out eis is te kwalificeren. Geoordeeld wordt dat dit niet het geval is. De Inclusiewijzer is een interne leidraad die slechts illustreert hoe binnen de gemeente ‘handen en voeten’ kunnen worden gegeven aan ‘inclusie’. De ‘eisen’ op pagina 10 van de Inclusiewijzer waarnaar Randstad ter onderbouwing van haar stellingen verwijst, zijn slechts adviezen aan managers om hun selectieproces kwalitatief te verbeteren en inclusief te maken. Niet valt in te zien hoe deze interne leidraad knock-out eisen kan bevatten voor de aanbesteding. Het beroep van Randstad op schending van de Inclusiewijzer kan op deze grond dan ook niet tot het terzijdeleggen van de inschrijvingen van Olympia, Unique en Manpower leiden.

4.12.

Voor zover artikel 17.12 van de Raamovereenkomst gekwalificeerd moet worden als knock-out eis, kan dit niet tot toewijzing van de vorderingen leiden, omdat – zoals ter zitting door de Gemeente, Olympia en Unique nader is toegelicht – van het voortrekken van mantelzorgers en leden van de LHBTI+ doelgroep geen sprake is, zie hierna onder 4.22 en 4.23.

Strijd met de wet?

4.13.

Randstad stelt voorts dat vragen of de uitzendkracht mantelzorger is, of lid van de LHBTI+ groep, bij de intake, in strijd is met de privacyregels. Randstad verwijst in dit verband naar het Advies van de Artikel 29 Werkgroep 2/2017 over gegevensverwerking op het werk, waaruit volgt dat werkgevers in het kader van een sollicitatie alleen die persoonsgegevens mogen verwerken die noodzakelijk en relevant zijn voor de uitvoering van de baan waarvoor de sollicitant solliciteert. De vraag of iemand mantelzorger is, of lid van de LHBTI+ groep, valt daar niet onder, aldus Randstad. Bovendien geldt dat als deze gegevens worden verzameld en verwerkt, in strijd met artikel 5 lid 1 onder c van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) wordt gehandeld, aldus Randstad.

4.14.

Dit standpunt wordt niet gevolgd. In dit verband moet eerst worden bekeken wat er precies in de bijlagen van de gunningsbeslissing van 23 mei 2019 staat over de voordelen/kenmerken van de winnende inschrijvingen.

4.14.1.

In de bijlage over Olympia staat onder 4) “Inclusie en diversiteit” op het onderdeel mantelzorg: “Positief is de integrale aanpak van Olympia op dit thema (waaronder diversiteitsraad en inclusie bouwstenen). Bij intake wordt direct bepaald of er sprake is van mantelzorg.”

4.14.2.

In de bijlage over Unique staat op hetzelfde onderdeel “Vragen proactief of er sprake is van mantelzorg. Beredeneerd vanuit de behoefte van de mantelzorger.”

4.14.3.

In de bijlage voor Manpower staat “Manpower bespreekt proactief of er sprake is van mantelzorg voor de aanvang van de opdracht zodat hier rekening mee kan worden gehouden.”

4.15.

Randstad gaat er – zo is ter zitting duidelijk geworden – ten onrechte vanuit dat (i) de tussenkomende partijen reeds bij de intake aan een kandidaat vragen of hij of zij mantelzorger is (of lid van de LHBTI+ doelgroep) en (ii) dat als een uitzendkracht aan de gemeente wordt ‘aangeboden’ bekend wordt gemaakt of deze mantelzorger is (of lid van de LHBTI+ groep). De tussenkomende partijen hebben toegelicht dat zij (i) deze vraag (wat betreft mantelzorgers) pas in een latere fase stellen en (ii) de omstandigheid dat iemand mantelzorger is (of lid van de LHBTI+-groep), niet aan de Gemeente bekend maken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de door de tussenkomende partijen gegeven toelichtingen te twijfelen. Het enkele feit dat dit niet uitdrukkelijk staat vermeld in de door de Gemeente voor haar gunningsbeslissing geselecteerde passages, maakt dit niet anders. De gunningsbeslissing omvat immers een beperkte weergave van wat een inschrijving behelst en deze passages zijn derhalve vaak niet volledig en soms uit hun context gehaald. Het betoog van Randstad dat wat de tussenkomende partijen hierover op de zitting naar voren hebben gebracht haar niet bekend voorkomt en dat zij dus kennelijk toeredeneren naar een voor hen gunstige uitleg van de inschrijving, wordt dan ook niet gevolgd. Dat Randstad verrast is over wat de tussenkomende partijen over hun inschrijvingen verklaren, betekent niet zij dat nu ‘pour besoin de la cause’ naar voren brengen, zoals Randstad lijkt te stellen.

4.16.

Aldus ontberen deze bezwaren van Randstad feitelijke grondslag.

4.17.

De overige inschrijvers hebben voorts afdoende toegelicht dat, voor zover zij al gegevens van mantelzorgers verwerken, de verwerking van deze gegevens rechtmatig is en past bij het vereiste van minimale gegevensbescherming van artikel 5 lid 1 sub c AVG. Uit de ter zitting gegeven toelichting is immers gebleken dat verwerking van het gegeven dat iemand mantelzorger is, slechts plaatsvindt met als doel het aanbieden van ondersteunende maatregelen aan de mantelzorger het stimuleren dat werknemers ook mantelzorgers kunnen zijn. Onder die omstandigheden wordt met toestemming van de kandidaat geregistreerd.

4.18.

Unique heeft voorts verklaard dat zij niet (proactief) vraagt of iemand tot de LHBTI+ groep behoort, en dat zij dit gegeven (als iemand dit zelf meldt of haar dit anderszins bekend wordt) niet in het personeelsdossier vastlegt.

4.19.

Dit alles betekent dat ook het beroep van Randstad op schending van privacyregels niet opgaat en niet leidt niet tot uitsluiting van inschrijvingen.

4.20.

Waar Randstad stelt dat de wetenschap dat iemand “mantelzorger” is, kan leiden tot discriminatie binnen de Gemeente, ontbeert ook deze stelling – die op zich juist kan zijn – op grond van hetgeen partijen hebben toegelicht eveneens feitelijke grondslag. Op de zitting is immers gebleken dat de informatie daarover niet wordt gedeeld met de Gemeente, maar slechts intern binnen de uitzendorganisaties wordt gebruikt.

4.21.

Randstad valt er voorts over dat de Gemeente bij Olympia als toegevoegde waarde heeft gezien dat mantelzorgers een contract van minimaal één jaar krijgen en bij Unique dat bij verkort verlof van mantelzorgers loon wordt doorbetaald van 70% naar 100%.

4.22.

Ook hierin wordt Randstad niet gevolgd. Ter zitting hebben Olympia en Unique deze ‘maatregelen’ nader toegelicht. Toegelicht is dat het hier geen voorkeursbeleid betreft bij de werving van kandidaten, maar om het aanbieden van gunstige voorwaarden door de uitzendorganisatie zelf die uitzendkrachten de mogelijkheid geven om werk en mantelzorg te combineren. Dit soort maatregelen is in lijn met het in de aanbestedingsstukken uiteengezette beleid van de Gemeente dat inhoudt dat iedereen mee moet kunnen doen en draagt bij aan het vormen van een diverse en inclusieve organisatie. Een beroep op artikel 17.12 van de Raamovereenkomst of de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) gaat niet op. Het gaat immers, zo is gebleken, niet om voorkeursbeleid bij werving en niet valt in te zien waarom het bieden van gunstige arbeidsvoorwaarden aan mantelzorgers in strijd is met regelgeving ter zake gelijke behandeling. Het wel of niet zijn van een mantelzorger is bovendien geen discriminatiegrond waarop de Awgb ziet. De stelling van Randstad dat de belofte van Olympia om mantelzorgers een jaarcontract aan te bieden tot een ongeldige inschrijving leidt omdat dat neerkomt op detachering, gaat evenmin op. Randstad verwart het contract dat Olympia zelf biedt aan de kandidaten in haar pool met de inzet van de uitzendkrachten door de Gemeente via het uitzenden met korte opzegtermijnen waar het in paragraaf 1.1.2 van de Leidraad om gaat. Dat de Olympia en Unique zelf gunstige voorwaarden hebben voor mantelzorgers leidt niet tot ongeldigheid van hun inschrijvingen.

4.23.

Ook het standpunt van Randstad dat de Gemeente de inschrijving van Unique ongeldig had moeten verklaren, omdat zij jaarlijks twee arbeidsplaatsen garandeert voor kandidaten in de LHBTI+ groep wordt niet gevolgd. Unique en de Gemeente hebben ter zitting nader toegelicht dat in de inschrijving van Unique is vermeld dat zij investeert in acceptatie van deze groep door op te treden als ambassadeur van de Stichting Gendertalent, welke stichting deze doelgroep naar de arbeidsmarkt begeleidt. Unique garandeert louter in het kader van haar ambassadeurschap jaarlijks twee arbeidsplaatsen. Die garantie richt zich dus niet op (plaatsing bij) de Gemeente. Van strijd met de privacywetgeving of artikel 17.2 van de Raamovereenkomst is dan ook geen sprake.

Herbeoordeling?

4.24.

Randstad Direct stelt subsidiair dat een herbeoordeling moet plaatsvinden door een nieuw beoordelingsteam. Randstad voert daartoe aan dat Olympia, Unique en Manpower ten onrechte positief zijn beoordeeld op de hiervoor genoemde onderdelen, Randstad ten onrechte negatief is beoordeeld en dat bij de herbeoordeling de scores nauwelijks zijn aangepast. Een voorbeeld van een ten onrechte negatieve beoordeling is volgens Randstad dat de Gemeente haar inschrijving negatief heeft beoordeeld op het punt van de aandacht voor mantelzorgers omdat zij bij Randstad mist dat zij bij de werving en selectie meer aandacht besteedt aan mantelzorgers en niet proactief handelt. Randstad stelt in dit verband dat de Gemeente, doordat zij op een aantal punten tot herbeoordeling is overgegaan, “ruiterlijk” erkent dat het beoordelingsteam zijn werk niet goed heeft gedaan.

4.25.

Ook hierin wordt Randstad niet gevolgd. Uit al het hiervoor overwogene volgt dat geen sprake is geweest van een onjuiste beoordeling. Het transparantiebeginsel is niet geschonden. Duidelijk was wat van de potentiële inschrijver werd verwacht. Met de andere inschrijvers kan de voorzieningenrechter de Inclusiewijzer niet anders lezen dat hiervoor onder 4.11 weergegeven. Als de status van de Inclusiewijzer Randstad niet duidelijk was, had zij hierover bij aanvang vragen kunnen en moeten stellen. Dat zij dat niet heeft gedaan en – kennelijk – bij haar inschrijving van een andere interpretatie is uitgegaan, moet voor haar rekening blijven. De Gemeente heeft in de Leidraad de nadruk gelegd op inclusie en diversiteit (zie hiervoor onder 4.5 en 4.6). In paragraaf 7.1.5 vraagt zij de inschrijvers uitdrukkelijk een plan van aanpak over te leggen waarin dit onderwerp is uitgewerkt. Niet goed valt in te zien hoe in de inschrijving aandacht kan worden besteed aan het onderwerp en een dergelijk plan van aanpak kan worden opgesteld zonder – zoals Randstad lijkt te willen betogen – daarin te benoemen welke (extra) maatregelen de inschrijver neemt om te bewerkstelligen dat kandidaten waarvoor, zoals de Gemeente het omschrijft, “extra aandacht nodig is”, dezelfde kansen krijgen.

4.26.

Voor een herbeoordeling door een andere commissie is slechts plaats als dit uit het oogpunt van onpartijdigheid en onafhankelijkheid is geboden. De enkele omstandigheid dat de beoordelingscommissie de initiële beoordeling heeft gedaan, maakt niet dat zij geen herbeoordeling kan uitvoeren. Er zijn ook geen andere aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat de beoordelingscommissie bevoordeeld is. Randstad stelt wel dat hiervan sprake is, maar heeft deze stelling in niet nader onderbouwd. Het enkele feit dat na bezwaren van een van de inschrijvers (Randstad) op een aantal (ondergeschikte) punten een herbeoordeling heeft plaatsgevonden, is daartoe onvoldoende.

Heraanbesteding?

4.27.

Ook een heraanbesteding is niet aan de orde, nu uit het voorgaande blijkt dat de aanbestedingsprocedure geen gebreken vertoont.

Verder in zaak 2

4.28.

Randstad Resource stelt voorts dat het subgunningscriterium “Social Return” onjuist is beoordeeld. In paragraaf 7.1.4 van de Leidraad staat dat de Gemeente hoge verwachtingen heeft van de wijze waarop Social Return wordt toegepast binnen de opdracht. Inschrijver heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor inzet van kandidaten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en dient bij de inschrijving een plan van aanpak over te leggen waaruit blijkt op welke wijze hij invulling en uitvoering gaat geven aan “Social Return”.

4.29.

Dit subgunningscriterium bevat vier onderdelen (A tot en met D). In onderdeel A en B staat voor zover van belang het volgende:

4.30.

De Gemeente heeft in haar oude gunningsbeslissing bij A3 over Randstad Resource opgemerkt: “Randstad heeft geen koppeling gemaakt met de 5% SR verplichting. Hierdoor is het niet mogelijk om vast te stellen in hoeverre de ambitie verder reikt dan de verplichte 5%.”

De Gemeente heeft bij A3 over Olympia opgemerkt: “Ambitie is om x percentage meer te doen.”

4.31.

Volgens Randstad Resource volgt hieruit dat de beoordeling niet aansluit bij de vraagstelling en A3 onjuist is beoordeeld. Uit de Leidraad volgt immers niet dat de inschrijvers hoger kunnen scoren als zij een hoger percentage SROI bieden. In de aanbestedingsstukken en in de Raamovereenkomst is als minimum eis vermeld dat tenminste 5% van de gerealiseerde waarde van de opdracht in een bepaald jaar moet worden aangewend voor social return. Indien dit percentage niet wordt behaald volgt een sanctie (inhouding op de laatste termijn). Als de Gemeente inschrijvers met een hoger percentage een hogere score wil toekennen, moet dit in het gunningscriterium worden vermeld.

4.32.

Het tweede bezwaar van Randstad Resource is dat op onderdeel B4 in de eerste gunningsbeslissing door de Gemeente als pluspunt bij de inschrijving van Unique is vermeld: “Bieden 30 SR kandidaten een contract voor de duur van zes maanden met een urengarantie.” Volgens Randstad Resource is het bieden van een urengarantie geen antwoord op de vraag. Deze wijze van beantwoording en beoordeling is onjuist en in strijd met het aanbestedingsrechtelijke transparantie- en gelijkheidsbeginsel, aldus steeds Randstad Resource.

4.33.

De Gemeente heeft erkend dat de beoordeling onjuist was. Zij geeft toe dat het behalen van een resultaat van meer dan 5% als zodanig niet had mogen worden benoemd als positief of negatief punt. Alle inschrijvingen zijn opnieuw beoordeeld op dit onderdeel. Bij Randstad Resource is het niet leggen van de koppeling in de uiteindelijke gunningsbeslissing niet langer negatief meegewogen. Haar score voor A3 is naar boven bijgesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze herbeoordeling afdoende geweest en passend bij de vraagstelling. De Gemeente heeft ook haar beoordeling voor B4 aangepast en positieve kenmerk/voordeel van de inschrijving van Unique geschrapt. Bij de herbeoordeling is haar score naar beneden bijgesteld. Deze herbeoordeling is eveneens afdoende geweest en passend bij de vraagstelling.

4.34.

Randstad Resource beroept zich er ook in dit verband op dat de Gemeente niet kon volstaan met een herbeoordeling door dezelfde beoordelingscommissie. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Zoals hiervoor is overwogen, zijn er geen aanwijzingen dat de beoordelingscommissie bevooroordeeld is. Voor een (nieuwe) herbeoordeling is dan ook geen plaats.

Slotsom

4.35.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van Randstad in beide zaken worden afgewezen.

4.36.

De vorderingen van de tussenkomende partijen in zaak 1 en 2 om de Gemeente te gebieden de opdracht voor de desbetreffende percelen aan hen te gunnen, zullen bij gebrek aan belang worden afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Gemeente zich niet aan de gunningsbeslissingen zal houden. Ook de overige vorderingen in zaak 2 van Manpower zullen bij gebrek aan belang worden afgewezen, nu de vorderingen van Randstad Resource die het omgekeerde behelzen van het door Manpower gevorderde worden afgewezen.

4.37.

Randstad Direct zal in zaak 1 als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van zowel de Gemeente, Olympia en Unique. De kosten aan de zijde van elk deze partijen worden steeds begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00,

te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

4.38.

Randstad Resource zal in zaak 2 als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van zowel de Gemeente, Olympia, Unique en Manpower. De kosten aan de zijde van elk van deze partijen worden steeds begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00,

te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

4.39.

Nu in zaak 1 en 2 de zelfstandige vorderingen van de tussenkomende partijen worden afgewezen, zullen zij als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op de samenhang met de zaak tussen Randstad en de Gemeente worden deze kosten aan de zijde van de tussenkomende partijen begroot op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

Zaak 1

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt Randstad Direct in de proceskosten, aan de zijde van elk van de Gemeente, Olympia en Unique tot op heden begroot op € 1.619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt Randstad Direct in de bij de Gemeente, Olympia en Unique na dit vonnis ontstane kosten, voor elk begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

veroordeelt Olympia en Unique voor hun zelfstandige vorderingen in de proceskosten, aan de zijde van Randstad en de Gemeente tot op heden begroot op nihil,

Zaak 2

5.6.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.7.

veroordeelt Randstad Resource in de proceskosten, aan de zijde van elk van de Gemeente, Olympia, Unique en Manpower tot op heden begroot op € 1.619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

veroordeelt Randstad Resource in de bij de Gemeente, Olympia, Unique en Manpower na dit vonnis ontstane kosten, voor elk begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.9.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

veroordeelt Olympia, Unique en Manpower voor hun zelfstandige vorderingen in de proceskosten, aan de zijde van Randstad en de Gemeente tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.1

1 type: GHF coll: mb