Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5574

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7008
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college van B&W wil in deze zaak niet meewerken aan het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan om een aanbouw in de tuin te plaatsen. Het bestemmingsplan ‘Postcodegebied [postcode]’ is een conserverend bestemmingsplan en betreft een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het college heeft daarom het uitgangspunt dat de openheid van de tuin van [eiser] gehandhaafd moet blijven zwaar kunnen laten wegen in de belangenafweging. De stelling van [eiser] dat er in zijn geval geen sprake is van aantasting van een open binnentuin, omdat zijn tuin volledig wordt omsloten door vier muren, maakt dit niet anders. Juist omdat er nog maar weinig tuinen en open binnenterreinen zijn is het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat moet worden behouden wat aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/7008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B.J. Meruma),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van den Berg).

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en het college.

Procesverloop

Met een besluit van 17 januari 2018 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van [eiser] om een omgevingsvergunning geweigerd.

Met een besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2019. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het college is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?

1. [eiser] is eigenaar van de woning [adres] in [plaatsnaam] . Op 24 november 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanbouw aan de achterkant van zijn woning.

2. Het college heeft de aanvraag geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan. Aan een afwijking van het bestemmingsplan wil het college niet meewerken.

3. In beroep voert [eiser] aan dat de gebruiksmogelijkheid van de tuin wordt belemmerd door schaduwwerking van de bebouwing in de tuinen bij zijn buren. [eiser] stelt verder dat de belangenafweging om niet mee te werken aan de afwijking van het bestemmingsplan niet inzichtelijk is gemaakt. Volgens [eiser] raakt het aangevraagde bouwwerk niet de bescherming van beschermd stadsgezicht. De tuin is volgens [eiser] dan ook geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht.

Wat vindt de rechtbank?

4. Het project is gelegen in het gebied waar het bestemmingsplan ‘Postcodegebied [postcode] ’ geldt. De aanbouw is gesitueerd op gronden met de bestemmingen ‘Gemengd-1’ en ‘Tuin-1’. De gronden met de bestemming ‘Gemengd-1’ zijn onder meer bestemd voor wonen. De gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ zijn bestemd voor tuinen en erven. Niet in geschil is dat de aanbouw in strijd is met de bestemming ‘Tuin-1’ en dat het bestemmingsplan niet voorziet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

5. De rechtbank stelt vast dat de aanbouw een bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 1 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het pand van [eiser] ligt in beschermd stadsgezicht. Dit betekent dat de aanbouw niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd, maar dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist.1

6. Het college wil niet meewerken aan het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan.2Het college heeft daarover het volgende overwogen in het bestreden besluit. Er bestaan stedenbouwkundige bezwaren tegen het plaatsen van de aanbouw. Het bestemmingsplan ‘Postcodegebied [postcode] ’ is een conserverend bestemmingsplan. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat er maar weinig tuinen binnen het plangebied aanwezig zijn. Ze hebben de bestemming ‘Tuin-1’ of ‘Tuin-2’ gekregen, waarbij ‘Tuin-2’ is bedoeld voor tuinen die direct grenzen aan het water of de openbare ruimte. Voor beide bestemmingen is het uitgangspunt dat de bestaande openheid gehandhaafd moet blijven. Voor de gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ heeft het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid voor de bouw van schuurtjes. De bestaande aan- en bijgebouwen op de tuinen zijn bestemd tot ‘Tuin-3’. Deze bebouwing mag worden gehandhaafd en geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot. Bij sloop/nieuwbouw van de hoofdbebouwing dient de bebouwing op gronden met de bestemming ‘Tuin-3’ op hetzelfde bouwperceel ook te worden gesloopt en mag niet worden teruggebouwd. Met het bestemmingsplan wordt dus enerzijds beoogd het beperkt aantal open tuinen dat nog aanwezig is in het plangebied te beschermen tegen bebouwing (bestemmingen ‘Tuin-1’ en ‘Tuin-2’) en anderzijds bij sloop/nieuwbouw te voorkomen dat de bebouwing in de tuin terugkeert (bestemming ‘Tuin-3’). Volgens het college wordt met de aangevraagde aanbouw de openheid aangetast. Om die reden wil het college niet meewerken aan een afwijking van (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan. Het college heeft bij de belangenafweging aan het handhaven van het bestemmingsplan daarom meer gewicht toegekend dan aan het belang van [eiser] bij het realiseren van de aanbouw.

7. De rechtbank stelt voorop dat de afweging van belangen en de beslissing om wel of niet mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan aan het college is. De rechtbank treedt niet zelf in deze beoordeling, maar toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

8. Aangezien het hier een conserverend bestemmingsplan betreft voor een gebied dat niet voor niets is aangewezen als beschermd stadsgezicht, heeft het college het uitgangspunt dat de openheid van de tuin van [eiser] gehandhaafd moet blijven zwaar kunnen laten wegen in de belangenafweging. Dat de aanbouw aan de achterzijde van de woning is gesitueerd en vanaf de straatzijde niet zichtbaar is, geldt voor het merendeel van de gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ en leidt niet tot het oordeel dat de tuin van [eiser] niet onder het regime van het beschermd stadsgezicht valt. Het college heeft daarover terecht opgemerkt dat het in een beschermd stadsgezicht niet alleen gaat om de afzonderlijke gebouwen en de architectonische voorzijde van de gebouwen, maar ook om de onderlinge samenhang van gebouwen en de cultuurhistorische waarde en stedenbouwkundige structuur van het gebied. Onder stedenbouwkundige structuur wordt de ruimtelijke opbouw of samenstelling van een gebied verstaan. Het betreft de manier waarop bebouwing, straten, pleinen, water en andere open ruimten ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. De stelling van [eiser] dat er in zijn geval geen sprake is van aantasting van een open binnentuin, omdat zijn tuin volledig wordt omsloten door vier muren, leidt niet tot de conclusie dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van [eiser] . Juist omdat er nog maar weinig tuinen en open binnenterreinen zijn is het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat moet worden behouden wat aanwezig is. Op de aangrenzende percelen rust de bestemming ‘Tuin-3’. Op deze bestemming wordt na sloop/nieuwbouw geen nieuwe bebouwing meer toegestaan. Aan de stelling van [eiser] dat zijn beide buren de tuin wel (volledig) bebouwd hebben heeft het college daarom weinig gewicht hoeven toe te kennen.

9. De rechtbank vindt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het meer gewicht toekent aan (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan dan aan het belang van [eiser] bij de aanbouw. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten niet af te willen wijken van het bestemmingsplan.

10. Het voorgaande betekent dat het college de aanvraag van [eiser] terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk.

11. Aangezien het beroep ongegrond zal worden verklaard bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Roubiës, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de Afdeling vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

1 Zie artikel 4a, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor, waaruit volgt dat artikel 2, onderdeel 3 van Bijlage II bij het Bor niet van toepassing is in beschermd stadsgezicht.

2 Buitenplans afwijken is in dit geval mogelijk op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor (kruimelregeling).