Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
13/736001-19
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

WOTS. Tussenuitspraak. Onder het EVIG kan de weigeringsgrond van art. 4 WOTS niet tot weigering van de tenuitvoerlegging leiden. Verweren over mensenrechtenschendingen zijn verworpen. Heropening, zodat de Minister van Justitie en Veiligheid kan beslissen over het beroep op de non-discriminatieclausule en over het beroep op een facultatieve weigeringsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/736001-19

RK-nummer: 19/3537

Datum uitspraak: 30 juli 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering op grond van artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 28 mei 2019 en strekt tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van the College of Appeal Court for Serious Crimes Tirana (Albanië) van 29 juni 2015. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf van:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1969,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [plaats detentie] ,

verder te noemen: de veroordeelde.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2019. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie,
mr. K. van der Schaft, gehoord. De veroordeelde is bijgestaan door een tolk in de Albanese taal.

2 Identiteit veroordeelde

De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

3 Voorgeschiedenis

3.1

Aan de veroordeelde is bij uitspraak van 29 juni 2015 van the College of Appeal Court for Serious Crimes Tirana een voor tenuitvoerlegging vatbare levenslange gevangenisstraf opgelegd. Hiermee is het vonnis in eerste aanleg van 3 april 2015 van the First Instance Court for Serious Crimes Tirana – waarbij de veroordeelde werd vrijgesproken – gewijzigd. Het door de veroordeelde ingestelde cassatieberoep tegen de veroordelende uitspraak van
29 juni 2015 van the Appeal Court is op 8 juni 2017 door the Penal College of the Supreme Court verworpen. Tegen deze beslissing van the Supreme Court is een herzieningsverzoek ingediend dat op 24 april 2018 door the Constitutional Court of the Republic of Albania is afgewezen.

De veroordeelde is in mei 2016 aangehouden in Nederland in verband met een uitleveringsverzoek. Op 4 mei 2016 hebben de Albanese autoriteiten de Nederlandse autoriteiten verzocht om de uitlevering van de veroordeelde met het oog op de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde levenslange vrijheidsstraf.

3.3

Op 11 augustus 2016 heeft deze rechtbank de uitlevering van de veroordeelde toelaatbaar verklaard. Het door de veroordeelde tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 16 mei 2017 verworpen.

3.4

De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij besluit van
10 augustus 2017 de uitlevering van de veroordeelde toegestaan.

3.5

Bij vonnis in kort geding van 26 februari 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag de Nederlandse Staat verboden om de veroordeelde aan Albanië uit te leveren.

3.6

De Nederlandse Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Bij arrest van
12 februari 2019 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft de Minister – na verkregen nadere informatie van de Albanese autoriteiten – de uitlevering van de veroordeelde aan Albanië opnieuw toegestaan.

De Minister van Justitie van Albanië heeft in een brief van 7 maart 2019 de Minister verzocht in geval de veroordeelde niet wordt uitgeleverd aan de Albanese autoriteiten, de veroordeelde in hechtenis houden en de uitspraak waarvoor de uitlevering is verzocht ten uitvoer te leggen.

3.9

Bij vonnis in kort geding van 15 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank
Den Haag de Nederlandse Staat opnieuw verboden om de veroordeelde aan Albanië uit te leveren.

3.10

Uit een door de officier van justitie overgelegd e-mailbericht van 11 juni 2019 volgt dat de Nederlandse Staat geen hoger beroep instelt tegen deze laatste uitspraak van 15 mei 2019.

4 Verzoek tot tenuitvoerlegging

4.1

De raadsman heeft betoogd dat de hiervoor genoemde brief van het Albanese ministerie van justitie van 7 maart 2019 niet gezien kan worden als een (volwaardig) verzoek tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis in Nederland. Volgens de raadsman zou hiervoor nog een aanvullend verzoek moeten worden gedaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 7 maart 2019 wel degelijk een volwaardig verzoek tot tenuitvoerlegging bevat en heeft hierbij gewezen op het feit dat het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIG) in deze brief is genoemd. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op een brief van het Albanese ministerie van justitie van 13 maart 2019 waarin wordt verwezen naar de brief van 7 maart 2019.

4.3

De brief van het Albanese ministerie van justitie van 7 maart 2019 vermeldt onder andere:

(…) in the circumstances of the non-extradition of this subject, Ministry of Justice of the Republic of Albania communicates the request for keeping the subject under custody/arrest and enforcement of the criminal decision by virtue of which the extradition to the Netherlands is requested, based on the European Convention “On the International Validity of Criminal Judgments” of year 1970 (…).

Gelet op deze passage is de rechtbank van oordeel dat de brief van 7 maart 2019 onder meer het verzoek bevat tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis (van 29 juni 2015 van the Appeal Court Tirana) in Nederland. Een aanvullend verzoek van de Albanese autoriteiten is daarom niet vereist. Het verweer wordt verworpen.

5 Genoegzaamheid van de stukken

Overeenkomstig artikel 16 EVIG bevindt zich bij de stukken een gewaarmerkte kopie van het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht (alsmede van alle ter zake doende stukken).

De rechtbank acht de overgelegde stukken genoegzaam.

6 De rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd

De veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf wegens – kort gezegd – moord op een politiefunctionaris en verboden wapenbezit door the College of Appeal Court for Serious Crimes Tirana (Albanië) van 29 juni 2015 is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van feiten die naar Albanees recht strafbaar zijn. De feiten zijn naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

7 Toetsingskader en verhouding EVIG – WOTS; artikel 4 WOTS van toepassing?

7.1

Volgens artikel 2 WOTS vindt tenuitvoerlegging in Nederland van een buitenlandse rechterlijke beslissing alleen plaats “krachtens een verdrag”. Zoals volgt uit het verzoek van de Albanese autoriteiten van 7 maart 2019, is het toepasselijke verdrag in deze zaak het EVIG. Bij de beoordeling van de verhouding tussen de WOTS en het EVIG zijn in deze zaak met name de volgende bepalingen van belang:

Artikel 4 WOTS:

Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet worden ten uitvoer gelegd indien deze betrekking heeft op een vreemdeling, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in Nederland, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in Nederland heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van vergelijkbare strekking.

Artikel 5 EVIG:

De Staat van veroordeling kan de tenuitvoerlegging van een sanctie door een andere Verdragsluitende Staat slechts verzoeken, indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de veroordeelde heeft zijn vaste woonplaats in de andere Staat;

(b) de tenuitvoerlegging van de sanctie in de andere Staat schept naar verwachting betere kansen voor de reclassering van de veroordeelde;

(c) het betreft een sanctie die vrijheidsbeneming meebrengt, die in de andere Staat kan worden ten uitvoer gelegd in aansluiting op een andere sanctie die vrijheidsbeneming meebrengt en die de veroordeelde in die Staat ondergaat of moet ondergaan;

(d) de andere Staat de Staat van herkomst van de veroordeelde is en zich reeds bereid heeft verklaard tot tenuitvoerlegging van de sanctie;

(e) de Staat van veroordeling meent dat hij zelf niet de sanctie ten uitvoer kan leggen, ook niet met behulp van uitlevering, en dat de andere Staat dat wel kan.

Artikel 6 EVIG:

De tenuitvoerlegging, verzocht onder de in de voorafgaande bepalingen gestelde voorwaarden, kan alleen, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk, in één van de volgende gevallen worden geweigerd:

(a) de tenuitvoerlegging zou in strijd zijn met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte Staat;

(b) de aangezochte Staat is van oordeel dat het strafbare feit waarvoor de veroordeling is uitgesproken van politieke aard is of als een zuiver militair delict moet worden beschouwd;

(c) de aangezochte Staat meent ernstige redenen te hebben om aan te nemen dat de veroordeling is uitgelokt of ongunstig beïnvloed door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging;

(d) de tenuitvoerlegging is in strijd met de internationale verplichtingen van de aangezochte Staat;

(e) het feit wordt in de aangezochte Staat reeds vervolgd of die Staat besluit tot vervolging over te gaan;

(f) de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat hebben besloten geen vervolging in te stellen of van verdere vervolging wegens hetzelfde feit af te zien;

(g) het feit is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Staat;

(h) de aangezochte Staat kan de sanctie niet ten uitvoer leggen;

(i) het verzoek berust op artikel 5, letter (e), en aan geen van de andere in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan;

(j) de aangezochte Staat is van mening dat de verzoekende Staat zelf de sanctie ten uitvoer kan leggen;

(k) de veroordeelde had wegens zijn leeftijd op het tijdstip waarop hij het feit beging in de aangezochte Staat niet kunnen worden vervolgd;

(l) de sanctie is verjaard volgens de wet van de aangezochte Staat;

(m) voor zover bij het vonnis een ontzetting is uitgesproken.

7.2

De rechtbank stelt het volgende voorop.

De veroordeelde heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Artikel 4 WOTS bevat een dwingende weigeringsgrond. Als voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van een sanctie eist deze bepaling een band tussen de veroordeelde en Nederland in de vorm van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De weigeringsgronden van artikel 6 EVIG hebben een facultatief karakter: als sprake is van één (of meer) situatie(s) zoals omschreven in onderdeel (a) tot en met (m), dan kán de tenuitvoerlegging worden geweigerd.

Gelet op artikel 2 WOTS geschiedt tenuitvoerlegging in Nederland van een buitenlandse rechterlijke beslissing niet dan krachtens een verdrag en gelet op artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften geen toepassing “indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen”. De bepalingen van de WOTS vinden dan ook alleen toepassing voor zover het verdrag daaraan niet in de weg staat.

7.3

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat artikel 4 van de WOTS de tenuitvoerlegging van het strafvonnis onmogelijk maakt, aangezien de veroordeelde geen binding met Nederland heeft. Het EVIG staat niet in de weg aan de toepassing van deze dwingende weigeringsgrond. De raadsman heeft gewezen op artikel 6 (i) EVIG. Deze bepaling verwijst naar artikel 5 (e) EVIG als grondslag voor het verzoek tot tenuitvoerlegging, terwijl “aan geen van de andere in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan”. Nu deze situatie zich voordoet, volgt uit het EVIG dat de tenuitvoerlegging van het strafvonnis geweigerd kán worden. De WOTS en het EVIG zijn dus niet onverenigbaar, zodat artikel 4 WOTS van toepassing is.

Over de toepasselijkheid van artikel 5 (e) EVIG heeft de raadsman als volgt betoogd. Aan geen van de andere in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. De veroordeelde heeft namelijk geen vaste woonplaats in Nederland (voorwaarde a) en de tenuitvoerlegging van de sanctie in Nederland schept geen betere kansen voor de reclassering, omdat de veroordeelde een vreemdeling is en de reclassering hem daarom niet zal begeleiden (voorwaarde b). Ook aan de voorwaarden onder c en d is duidelijk niet voldaan.

7.4

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak wel degelijk sprake is van strijd tussen de dwingende weigeringsgrond van artikel 4 WOTS en de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6 (i) EVIG. Volgens het EVIG mág de tenuitvoerlegging in onderhavige situatie worden geweigerd, terwijl de tenuitvoerlegging volgens de WOTS moet worden geweigerd omdat de sanctie betrekking heeft op een vreemdeling, die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Het verdrag gaat boven de wet, dus artikel 4 WOTS moet buiten toepassing blijven.

De officier van justitie heeft voorts opgemerkt dat hem de stelling juist en verdedigbaar lijkt dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in art 6 (i) EVIG, omdat naast artikel 5 (e) óók
artikel 5 (b) EVIG van toepassing is omdat de tenuitvoerlegging in Nederland naar verwachting betere kansen schept voor de reclassering. Het perspectief in Albanië is een levenslange gevangenisstraf zonder einde, zodat van geen enkele inmenging van een reclassering sprake is. Het perspectief in Nederland is beter voor de veroordeelde, omdat hier betere kansen bestaan voor de veroordeelde om op een gegeven moment vrij te komen, dan wel na een voorwaardelijke invrijheidsstelling bij een gevangenisstraf van bepaalde duur, dan wel bij toetsing van de levenslange gevangenisstraf in Nederland. Een dergelijke vrijlating en de betrokken voorwaarden dienen de reclassering van veroordeelde, aldus de officier van justitie.

7.5

De rechtbank overweegt allereerst dat zij de officier van justitie niet volgt in de gestelde (mogelijke) toepasselijkheid van artikel 5 (b) EVIG. Voor het oordeel dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in Nederland naar verwachting betere kansen schept voor de reclassering van de veroordeelde, biedt het dossier van de veroordeelde – die de Albanese nationaliteit heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland – geen concrete aanknopingspunten.

Ten aanzien van de vraag of artikel 4 WOTS buiten toepassing moet blijven vanwege het EVIG overweegt de rechtbank als volgt. Het verzoek tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis berust op artikel 5 (e) EVIG. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aan geen van de andere in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 (i) EVIG van toepassing is. Uit het EVIG volgt dus niet de plicht, maar wel de mogelijkheid om in dit geval de tenuitvoerlegging te weigeren. Meer concreet dient dus de vraag te worden beantwoord of het EVIG de ruimte biedt om de tenuitvoerlegging op grond van artikel 4 WOTS te weigeren.

7.7

Of een aan een vreemdeling opgelegde buitenlandse straf in Nederland kan worden tenuitvoergelegd, is in artikel 4 WOTS gekoppeld aan de voorwaarde van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. In het licht van deze bepaling is overname van de tenuitvoerlegging alleen zinvol als sprake kan zijn van resocialisatie in Nederland. Als de noodzakelijke binding met Nederland in de vorm van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland ontbreekt, verbiedt artikel 4 WOTS de tenuitvoerlegging.

7.8

Het EVIG kent ook de voorwaarde van verbetering van de resocialisatieperspectieven, zoals kan worden afgeleid uit artikel 5 (a)-(d). Anders dan de WOTS geeft het EVIG ook de mogelijkheid tot het verzoeken van de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis wanneer geen van de in artikel 5 (a)-(d) bedoelde voorwaarden van toepassing is, maar “de Staat van veroordeling meent dat hij zelf niet de sanctie ten uitvoer kan leggen, ook niet met behulp van uitlevering, en dat de andere Staat dat wel kan”, aldus artikel 5 (e) EVIG. De achterliggende gedachte hiervan is het voorkomen van straffeloosheid.

De ruimere doelstelling van het EVIG – niet alleen verbetering van resocialisatieperspectieven maar ook het voorkomen van straffeloosheid – leidt ertoe dat het enkele ontbreken van binding met de aangezochte Staat, laat staan het enkele ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in die staat, onder het EVIG niet automatisch leidt tot weigering van de tenuitvoerlegging. Uit artikel 6 (i) EVIG in verbinding met artikel 5 (e) EVIG volgt dus dat het EVIG, in een situatie dat binding van de veroordeelde met de aangezochte Staat ontbreekt, nog steeds de mogelijkheid biedt om – ter voorkoming van straffeloosheid – de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het EVIG geen ruimte biedt voor een verplichting tot weigering van de tenuitvoerlegging om de enkele reden dat de veroordeelde geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft zoals bepaald in artikel 4 WOTS. Dit betekent dat artikel 4 WOTS geen toepassing kan vinden, omdat het toepasselijke verdrag daaraan in de weg staat.

Op de van toepassing zijnde facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 (i) EVIG in verbinding met artikel 5 (e) EVIG wordt hierna in onderdeel 10 verder ingegaan.

8 Mensenrechten en grondbeginselen; tenuitvoerlegging toelaatbaar?

De raadsman heeft uitgebreid verweer gevoerd op basis van artikel 6, aanhef en onder (a) en (d) EVIG: tenuitvoerlegging vindt niet plaats indien de tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte Staat (sub a) en indien deze in strijd zou zijn met de internationale verplichtingen van de aangezochte Staat (sub d). De veroordeling van de veroordeelde in Albanië steunt op een proces dat in tal van opzichten oneerlijk is verlopen. Bovendien heeft de raadsman gesteld dat op basis van de uitspraken in Nederland, waarbij de uitlevering aan Albanië is verboden, vaststaat dat de uitspraak waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, strijdig is met mensenrechten. De raadsman heeft betoogd dat Nederland daarom het strafvonnis niet zou moeten willen tenuitvoerleggen. De raadsman heeft hiertoe, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen die aan het proces-verbaal van de zitting van 1 juli 2019 worden gehecht – samengevat – het volgende aangevoerd.

8.2

Albanië is corrupt en ook het rechtssysteem functioneert onvoldoende. Hierbij is verwezen naar een (concept)resolutie van de Algemene Vergadering van de Raad van Europa van 24 juni 2014 waarin onder andere wordt gesproken over “persistent and endemic corruption at all levels of Albanian society” en “the high number of cases pending against Albania with the European Court of Human Rights”. Deze corruptie heeft een grote rol gespeeld bij de berechting van de veroordeelde. In twee instanties heeft de veroordeelde geen onpartijdige rechters gehad. Nagenoeg alle rechters van zowel The Supreme Court als The Constitutional Court die de zaak van de veroordeelde onder zich gehad hebben en de veroordeling hebben goedgekeurd, zijn ontslagen. Hierbij is verwezen naar een artikel in NRC van 17 juni 2019, waarin onder andere het volgende staat vermeld:

Albanië snijdt zo diep dat het geen rechter overhoudt. De Albanese rechtspraak wordt vanwege corruptie drastisch opgeschoond. Zowel bij de HR als het constitutioneel hof is er nog maar één rechter in functie. (…)

(De Albanese rechter Dvoriani) heeft in zijn carrière veel sporen van corruptie en nepotisme gezien. Soms van opzichtige omkoping van magistraten, door politici, criminelen of criminele politici, maar meestal subtieler. „Het is in de Albanese cultuur heel gebruikelijk een ‘fooi’ te geven wanneer je tevreden bent” over hulp van de rechter, de dokter, de leraar of de politieman.”(…)

Van de 136 magistraten die tot nu toe voor verhoor zijn opgeroepen zijn 62 op staande voet ontslagen, meestal omdat ze niet konden verklaren hoe ze als ambtenaar met een salaris van maximaal 1000 euro per maand villa’s, appartementen en dikke auto’s hadden kunnen betalen. Nog eens 17 namen voortijdig ontslag om openbare vernedering te voorkomen. Slechts 57 mochten hun baan houden. 1

De tenuitvoerlegging moet worden geweigerd omdat het in deze zaak gaat om een rechterlijke beslissing waarvan is vastgesteld dat het grootste deel van de rechters dat naar de bewezenverklaring heeft gekeken, corrupt en ongeschikt was.

8.3

Volgens de raadsman is in Albanië sprake geweest van een procedure die in strijd is met
artikel 6 EVRM. Hierbij is tevens van belang dat de rechterlijke beslissing onvoldoende is gemotiveerd. De veroordeelde is in eerste aanleg, na een zeer uitgebreid en gemotiveerd vonnis van meer dan 70 pagina’s, vrijgesproken. Het proces duurde lang (meer dan 60 zittingsdagen) en was zorgvuldig. The Appeal Court is daarna binnen twee maanden tot een veroordeling tot levenslang gekomen, in een uitspraak van slechts negen pagina’s. De motivering van the Appeal Court is summier en onjuist.

8.4

Uit de motivering van the Appeal Court blijkt niet dat de beslissing is gebaseerd op objectieve argumenten. De raadsman heeft betoogd dat the Appeal Court de verklaring van de anonieme getuige – die de enige link vormt tussen de veroordeelde en de dood van het slachtoffer – ten onrechte heeft gebruikt als bewijsmiddel. Deze verklaring is innerlijk tegenstrijdig, inconsistent en onbetrouwbaar. Aan de uitgebreide onderbouwing en motivering van de rechtbank in eerste aanleg gaat de appel-instantie in enkele – zowel onjuiste als niet afdoende gemotiveerde – overwegingen voorbij. De motivering van the Appeal Court schiet ook tekort ten aanzien van het gestelde alibi van de veroordeelde, de camerabeelden die zich in het strafdossier bevinden en het deskundigenoordeel over deeltjes nitriet en nitraat die zouden zijn gevonden op de jas van de veroordeelde. Een straf gebaseerd op een dergelijk ongemotiveerde uitspraak kan wegens strijd met het EVRM niet worden overgenomen.

8.5

Voorts heeft de raadsman gesteld dat sprake is van een omgekochte kroongetuige. Bewijsmateriaal verkregen door het omkopen van getuigen zou op dezelfde wijze moeten worden beoordeeld als bewijsmateriaal verkregen door het martelen van getuigen. De raadsman heeft daarom verzocht deze getuige ( [getuige] ) te horen.

8.6

Ook doordat the Appeal Court heeft nagelaten de betrouwbaarheid van de getuige te toetsen door middel van een eigen verhoor ter terechtzitting in hoger beroep, en doordat het de verklaringen van deze getuige niettemin voor het bewijs heeft gebruikt, is de veroordeelde een eerlijk proces onthouden. De verklaring van de getuige is immers overduidelijk van aanzienlijk gewicht: zonder de verklaring valt er geen link te leggen tussen de veroordeelde en de ten laste gelegde feiten. Juist nu de rechtbank in eerste aanleg – waar de getuige wel werd gehoord – de veroordeelde heeft vrijgesproken, dient de rechter in hoger beroep die neigt naar veroordelen, de getuige zélf te horen. De raadsman heeft hierbij verwezen naar rechtspraak van het EHRM, meer in het bijzonder Dan v. Moldova (5 juli 2011, appl. 8999/07), Manolachi c. Roumanie
(5 maart 2013, appl. 36605), Hanu c. Roumanie, (4 juni 2013, appl.10890/04), Manoli vs Moldavia (28 februari 2017, appl. 56875/11) en Lorefice vs Italië (29 juni 2017, appl.63446/13).

8.7

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat wanneer een appel-instantie een vrijspraak in eerste aanleg vernietigt, er positieve maatregelen getroffen dienen te worden om de beschuldigde te horen. Volgens de raadsman blijkt uit niets dat door de Albanese autoriteiten pogingen zijn ondernomen om de veroordeelde op de hoogte te brengen van de procedure in hoger beroep. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de veroordeelde niet wist dat van een behandeling van zijn zaak in hoger beroep sprake was. Hij heeft in dat kader zijn proces in hoger beroep niet kunnen sturen en daar geen enkele bijdrage aan kunnen leveren. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM heeft de raadsman betoogd dat de veroordeelde bij verstek is veroordeeld, ondanks de bijstand van advocaten die door een familielid – de zoon van de veroordeelde – zijn aangewezen en geïnstrueerd (Shkalla v. Albanië, 10-08-2011, appl.no.: 26866/05 en Izet Haxhia v Albania 5/11/13, appl.no.: 34783/06). Als een verdachte niet in persoon is gedagvaard en vervolgens niet op de zitting verschijnt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en het recht om zich ter zitting te verdedigen. Het betrokken gerecht dient alsdan te beoordelen of de veroordeelde ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hierbij moet worden vooropgesteld, zoals het EHRM overwoog in Shkalla, “[t]he fact that the applicant was defended […] by a counsel appointed by his father does not mean that he had prior effective knowledge of the proceedings against him.”

8.8

De raadsman heeft betoogd dat, nu in de procedure in hoger beroep geen sprake is geweest van een door de veroordeelde benaderde advocaat, er geen sprake is geweest van een door de veroordeelde verleende machtiging, er geen enkele bemoeienis is geweest met de inrichting van de verdediging in hoger beroep en er geen sprake is van een door de veroordeelde gegeven opdracht aan de familie, de veroordeling in strijd met artikel 6 van het EVRM is. Zelfs indien gezegd zou kunnen worden dat het duidelijk genoeg was dat de veroordeelde niet op de zitting wilde komen, had the Appeal Court naar een alternatief moeten kijken. In dit verband kan het stellen van vragen via een videoverbinding een maatregel zijn die een effectieve deelname aan de procedure waarborgt. Van het nemen van dergelijke maatregelen is op geen enkele wijze gebleken. De verdediging blijft dan ook bij het standpunt dat sprake is van een schending van art. 6 EVRM.

8.9

In dit kader heeft de raadsman nog opgemerkt dat niet bekend is of de uitspraak officieel aan de veroordeelde is betekend, terwijl dit gelet op artikel 21 EVIG in verbinding met artikel
45 WOTS wel is vereist.

8.10

Vanwege onder andere de voorgaande redenen, is de Albanese zaak van de veroordeelde bij het EHRM aanhangig gemaakt. Het EHRM heeft de zaak in behandeling genomen. Naast de door de verdediging benoemde punten, is, conform de klachten van de Albanese advocaten, de uitspraak tevens strijdig met artikel 6 EVRM wegens de partijdigheid van vier rechters van de Albanese Supreme Court, die betrokken zijn geweest bij het afwijzen van een verzoek om herbeoordeling door de veroordeelde. Deze vier rechters zijn namelijk al betrokken geweest bij de beoordelingen van verzoeken van de veroordeelde in ‘the pre-trial stage’.

Ook zijn de rechten van de veroordeelde geschonden, omdat de behandeling van zijn zaak door the Constitutional Court is afgewezen ‘on account of a tied vote’. Door the Appeal Court is bovendien de onschuldpresumptie geschonden. Het EHRM heeft inmiddels de volgende vragen gesteld aan de Albanese autoriteiten:

1. Did the applicant have a fair hearing before an independent and impartial tribunal in the determination of the criminal charges against him, in accordance with Article 6 § 1 of the Convention? In particular, was the Supreme Court's bench impartial, as required by Article 6 § 1 of the Convention? In particular, was the participation of judges Sh.S., A.Z., E.I., and T.M. consistent with the principle of impartiality (see, mutatis mutandis, Driza v. Albania, no. 33771/02, § 74, ECHR 2007 XII)?

2. Did the grounds of the applicant's appeals to the Supreme Court fall within the scope of Article 432 of the Albanian Code of Criminal Procedure? Did the above court duly reason its decisions in compliance with Article 6 § 1 of the Convention (see, mutatis mutandis, Hadjianastassiou v. Greece, judgment of 16 December 1992, Series A no. 252, § 33, and Van de Hurk v. the Netherlands, judgment of 19 April 1994, Series A no. 288, p. 20, § 61)?

3. Having regard to the Constitutional Court decision of 24 April 2018 did the applicant have a fair hearing in accordance with Article 6 § 1 of the Convention? In particular, was the dismissal of the applicant's appeal consequent on a tied vote, in breach of his right of access to court (see, mutatis mutandis, Marini v. Albania, no. 3738/02, § 106, 18 December 2007)?

4. Was the presumption of innocence, guaranteed by Article 6 § 2 of the Convention, respected in the present case?

5. The Government are requested to submit legible copies of all documents (e.g. forensic reports, witnesses' statements, etc.) of the entire investigation file and legible records of all hearings of the trial and appeal proceedings.

8.11

De officier van Justitie heeft er op gewezen dat de Nederlandse rechter dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft de inhoud van die veroordeling als de totstandkoming. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van strijd met de Nederlandse openbare orde geen sprake is. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de WOTS heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij geen zaken heeft geconstateerd “die haaks staan op de Nederlandse opvatting over een behoorlijke procesvoering. Niet iedere afwijking van een gebruik dat bij ons ‘beginsel’ wordt genoemd, rechtvaardigt weigering op deze grond. Er lijkt dus weinig ruimte te zijn voor praktische toepassing van deze exceptie” (MvA kamerstukken II 84/85, 18129, 6, p. 22). Onderhavige rechterlijke beslissing telt vele pagina’s met overwegingen; de uitspraak van the Appeal Court is niet onvoldoende gemotiveerd. Van een verstekvonnis is geen sprake, nu de veroordeelde in eerste aanleg aanwezig was en in hoger beroep door zijn advocaten is verdedigd; tijdens de uitleveringsprocedure heeft de veroordeelde ook beroep in cassatie ingesteld. Slechts een flagrante rechtsschending, zou in de weg staan aan de tenuitvoerlegging van de sanctie. Daarvan is echter geen sprake, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis is de rechtbank gebonden aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden voor zover deze zijn uiteengezet in de beslissing of voor zover deze beslissing daarop impliciet berust (artikel 44 EVIG). Uit het Explanatory report bij het EVIG volgt dat “the court of the requested State is not allowed to proceed to the hearing of new evidence in respect of facts contained in the judgment of the requesting State”. In artikel 28 lid 3 WOTS staat in grote lijnen hetzelfde. In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter “bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming” en dat dit slechts anders kan zijn “indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging”.2

8.13

Over de weigeringsgrond van artikel 6 (a) EVIG – de aangezochte staat kan de tenuitvoerlegging weigeren als die tenuitvoerlegging “in strijd zou zijn met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte staat” – volgt uit kamerstukken het volgende: “(…) Zoveel kan er wel over worden gezegd, dat het dient te gaan om grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde, niet iedere afwijking van een gebruik, dat bij ons een beginsel wordt genoemd, rechtvaardigt de toepassing van deze weigeringsgrond. Het dient te gaan om omstandigheden die zozeer de totstandkoming van het buitenlandse vonnis hebben beïnvloed en zozeer haaks staan op de Nederlandse opvattingen over een behoorlijke procesvoering, dat van de Nederlandse justitie niet verwacht mag worden zich voor de bevordering van de tenuitvoerlegging van dat vonnis op enigerlei wijze in te zetten. Gedacht zou kunnen worden aan een veroordeling, berustende op door middel van foltering verkregen bekentenissen. (…)”.3 Uit de kamerstukken kan ook worden afgeleid dat onder omstandigheden artikel 6 EVRM aan de weg staat aan tenuitvoerlegging in Nederland. In de Memorie van Antwoord wordt erkend dat Nederland “internationaal” (de rechtbank leest: bij het EHRM) kan worden aangesproken op de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis: “Indien zou blijken, dat een dergelijk buitenlands vonnis in strijd met alle beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging tot stand is gekomen, valt moeilijk in te zien hoe Nederland in redelijkheid een dergelijk vonnis zou kunnen erkennen en aan de tenuitvoerlegging daarvan kunnen medewerken”.4

8.14

Volgens het EHRM hoeft de rechter die moet beslissen over de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet na te gaan of de totstandkoming van die veroordeling “compatible with all the requirements of Article 6” is, maar moet de tenuitvoerlegging worden geweigerd wanneer die veroordeling “is the result of a flagrant denial of justice”.5“A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.6

8.15

De rechtbank overweegt dat de hiervoor genoemde criteria “flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging” (Hoge Raad), “strijd met de grondbeginselen van de aangezochte staat”, met als voorbeeld “een veroordeling, berustende op door middel van foltering verkregen bekentenissen” (Memorie van Antwoord) en een “flagrant denial of justice” (EHRM) duidelijk maken dat de lat in alle gevallen hoog ligt.

8.16

Het onder 8.2 omschreven verweer schetst een zorgwekkend beeld van de rechtspraak in Albanië, maar leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat is voldaan aan de hiervoor onder 8.15 genoemde strenge criteria. Gelet op hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht onder 8.10, zal het EHRM nog oordelen over de vraag of sprake is geweest van een schending van het recht op een eerlijk proces.

8.17

Ook de verweren zoals omschreven onder 8.3 tot en met 8.6 kunnen niet leiden tot de conclusie dat is voldaan aan de hiervoor onder 8.15 genoemde strenge criteria. Hierbij overweegt de rechtbank dat veel verweren – zoals de gestelde gebrekkige of onjuiste motivering van de veroordelende beslissing, de gestelde onjuiste conclusies die the Appeal Court zou hebben getrokken uit de (anonieme) getuigenverklaring en de gestelde omkoping van deze getuige en de ondeugdelijke motivering in hoger beroep – overwegend berusten op een betwisting van de vaststelling van feiten en omstandigheden die zijn uiteengezet in de veroordelende beslissing, terwijl de rechtbank – gelet op het hiervoor aangehaalde artikel 44 EVIG – gebonden is aan die vaststelling van de feiten en omstandigheden. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om [getuige] als getuige te horen moet worden afgewezen.

8.18

Ten aanzien van de verweren zoals omschreven onder punt 8.7 overweegt de rechtbank – in lijn met de uitspraak van 11 augustus 2016 in de uitleveringszaak van de veroordeelde – als volgt. Uit de beslissing van het First Instance Serious Crimes Court blijkt dat de veroordeelde bij het proces in eerste aanleg aanwezig is geweest, bijgestaan door twee advocaten, en daar zijn verdediging heeft gevoerd. Uit de beslissing van the Appeal Court blijkt dat de veroordeelde daar is vertegenwoordigd door dezelfde twee advocaten, waarbij is vermeld dat dit is gebeurd ‘according to the declaration of the defendant in court hearing date 27/05/2015’, zijnde de eerste procesdag bij the Appeal Court. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde de advocaten zelf heeft gemachtigd en dat deze machtiging zich (mede) uitstrekte over het instellen van het instellen van hoger beroep en de procedure in hoger beroep. Deze conclusie vindt nog steun in de omstandigheid dat de veroordeelde in eerste aanleg door dezelfde advocaten is vertegenwoordigd en dat in de aanvullende brief van 20 juli 2016 ten aanzien van the Appeal Court staat vermeld dat “the trial was carried out in presence of the defence lawyers chosen by the defendant”. Voorts blijkt uit de beslissing van the Appeal Court dat de gemachtigde advocaten ook zelf namens de veroordeelde beroep (antagonist appeal) hebben ingesteld bij het Appeal Court en dat zij daar daadwerkelijk de verdediging hebben gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat niet kan worden vastgesteld dat het aanwezigheidsrecht van veroordeelde is geschonden in hoger beroep, nu hij daar is vertegenwoordigd door zijn door hem daartoe gemachtigde advocaten. De rechtbank volgt de raadsman dus niet in het verweer dat de zoon van de veroordeelde zelfstandig de advocaten heeft benaderd en geïnstrueerd met betrekking tot de procedure in hoger beroep en dat er daarom geen sprake is van een door de veroordeelde gemachtigde advocaat voor de procedure in hoger beroep. Deze verweren worden daarom verworpen.

8.19

Gelet op artikel 21, derde lid, aanhef en onder b, EVIG is het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht geen verstekvonnis in de zin van het EVIG, zodat daarom ook het verweer over de betekening zoals omschreven in 8.9 moet worden verworpen.

8.20

Dat in kort geding de uitlevering aan Albanië ter tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 juni 2015 herhaaldelijk is verboden, brengt nog niet mee dat de tenuitvoerlegging in Nederland van dat vonnis niet zou zijn toegestaan.

De uitlevering is in kort geding verboden, kort gezegd omdat in Albanië ten tijde van het opleggen van de levenslange gevangenisstraf geen perspectief op verkorting van die straf bestond.

Als de rechtbank verlof tot tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis zou verlenen, dan zou de veroordeelde niet die Albanese straf, maar een door de rechtbank op te leggen nieuwe straf moeten ondergaan.

In de context van deze procedure is daarom alleen Albanië verantwoordelijk voor de naleving van artikel 3 EVRM bij het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in Albanië. De omstandigheid dat in kort geding is vastgesteld dat bij die strafoplegging in strijd met
artikel 3 EVRM is gehandeld, staat dus niet in de weg aan het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 29 juni 2015.

9 Artikel 6 (b) en (c) EVIG en 5 WOTS

9.1

Onder verwijzing naar artikel 6 (b) en (c) EVIG, heeft de raadsman gesteld dat sprake is van politieke invloed bij onderhavige veroordeling en heeft hij daartoe het volgende aangevoerd. In de Albanese media hebben vele politici zich met de zaak van de veroordeelde bemoeid. Een agent die contact heeft gehad met de veroordeelde, zou daar politiek op zijn aangevallen. De veroordeelde was aangesloten bij de Christendemocratische partij, terwijl leden van deze partij gevaar lopen in Albanië.

9.2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet meer dan een stelling is gebleven; het verweer is niet of nauwelijks onderbouwd met argumenten, gegevens of documenten.

9.3

Voor zover de raadsman een beroep heeft bedoeld te doen op de weigeringsgrond van artikel 6 (b) EVIG, welke weigeringsgrond in samenhang met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, WOTS ter beoordeling van de rechtbank staat, overweegt de rechtbank dat de strafbare feiten niet politiek van aard zijn. De hiervoor onder 6 aangeduide strafbare feiten zijn commune delicten. De door de raadsman gestelde omstandigheden verlenen daaraan geen politiek karakter. De rechtbank verwerpt in zoverre het verweer.

Voor het overige begrijpt de rechtbank het verweer als een beroep op de weigeringsgrond van artikel 6 (b) EVIG in samenhang met artikel 5 WOTS. De beantwoording van de vraag of de tenuitvoerlegging moet worden geweigerd omdat een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, levensovertuiging, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed, draagt artikel 5 WOTS op aan de Minister. Gelet hierop dient de rechtbank het onderzoek op dit punt aan te houden, zodat de Minister hierop kan beslissen.

10 Artikel 30, eerste lid, onder d, WOTS; afweging van alle betrokken belangen

10.1

Onder punt 7.10 van deze uitspraak is geconcludeerd dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 (i) EVIG in verbinding met artikel 5 (e) EVIG van toepassing is. Artikel 30, eerste lid, onder d, WOTS luidt als volgt:

Bevindt de rechtbank, in een geval waarin volgens het toepasselijke verdrag tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in Nederland in redelijkheid niet kan worden genomen, dan verklaart zij de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.

10.2

In dit kader heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het mogelijk ontlopen van de straf voor een zeer ernstig feit als moord op een politiefunctionaris, waarvoor in de staat van veroordeling een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, een goede en valide reden is om de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 (i) EVIG zo terughoudend toe te passen, dat die in deze zaak niet tot weigering van het verlof tot tenuitvoerlegging leidt.

10.3

Uit de kamerstukken volgt dat de rechtbank over een facultatieve weigeringsrond om een beslissing van de Minister kan vragen: “Indien de rechter niet uit eigen beweging een van deze mogelijkheden wil oproepen, doch hierover een ministeriële beslissing wenst (…), dan dient die te zijn uitgelokt alvorens hij tot het uitspreken van een toelaatbaarverklaring komt, door bij voorbeeld de procedure voor enige tijd te schorsen ten einde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich met de minister te verstaan”.7 De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een ministeriële beslissing gewenst is en overweegt daartoe als volgt.

10.4

In punt 7.10 is overwogen dat artikel 4 WOTS geen toepassing kan vinden omdat het EVIG daaraan in de weg staat. Dit neemt niet weg dat bij de belangenafweging van artikel 30, eerste lid, onder d, WOTS het belang van binding met de aangezochte Staat dient mee te wegen. Zoals overwogen in punt 7.7 en 7.8 volgt zowel uit artikel 4 WOTS als uit artikel 5 (a) EVIG dat een belangrijke doelstelling bij de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis ziet op het verbeteren van de kansen op resocialisatie. De veroordeelde heeft – behalve zijn verblijf in detentie in Nederland sinds zijn aanhouding als gevolg van onderhavige Albanese veroordeling – geen enkele binding met Nederland, zodat bij tenuitvoerlegging van de sanctie in Nederland, aan deze doelstelling voorbij wordt gegaan.

10.5

De reden dat artikel 4 WOTS geen toepassing kan vinden is – zoals overwogen onder 7.9 – gelegen in de ruimere doelstellingen van het EVIG. Niet alleen verbetering van resocialisatieperspectieven maar ook het voorkomen van straffeloosheid geldt als uitgangspunt. Weigering van de tenuitvoerlegging leidt echter niet automatisch tot straffeloosheid, aangezien straffeloosheid ook voorkomen kan wordt door strafvervolging in Nederland. Als gevolg van het verbod op uitlevering aan Albanië kan Nederland in elk geval voor wat betreft de moord rechtsmacht uitoefenen op basis van artikel 8c, onder a, Wetboek van Strafrecht, dat luidt:

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld, indien deze vreemdeling zich in Nederland bevindt en:

a. uitlevering ter zake van dit misdrijf is geweigerd op een grond die niet tevens inhoudt dat naar Nederlands recht geen vervolging kan plaatshebben.

In punt 8.16 en 8.17 is overwogen dat op basis van de gevoerde verweren niet kan worden geconcludeerd dat is voldaan aan de strenge criteria van (onder andere) een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging (8.15). Dit neemt niet weg dat in punt 8.16 naar aanleiding van de gestelde corruptie in de Albanese rechterlijke macht is gesproken over een zorgwekkende situatie. Ook in de uitspraak van
11 augustus 2016 op het uitleveringsverzoek heeft de rechtbank overwogen dat er zorgen zijn over corruptie in het Albanese juridische systeem, maar heeft zij vervolgens geoordeeld dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat systematisch sprake is van oneerlijke procedures, en evenmin dat dit in het geval van de opgeëiste persoon zo zou zijn geweest. Niettemin is het een feit dat het EHRM de klacht van veroordeelde in behandeling heeft genomen en dat niet kan worden uitgesloten dat dit hof – dat een ander toetsingskader hanteert en dat over ruimere mogelijkheden van waarheidsvinding beschikt dan de uitleverings- en de exequaturrechter – in de toekomst tot een schending van artikel 6 EVRM zal concluderen. Mede in het licht van de grote schaal van corruptie onder rechters die wordt beschreven in het in punt 8.2 aangehaalde recente NRC-artikel, is het de vraag of de tenuitvoerlegging in Nederland onder deze omstandigheden wenselijk is.

10.7

Gelet op de hiervoor geïdentificeerde belangen, die niet zozeer raken aan de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland als wel aan de wenselijkheid daarvan, acht de rechtbank het op de weg liggen van de Minister om die belangen tegen elkaar af te wegen en in zoverre te oordelen over de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging. Het onderzoek zal daartoe worden heropend en aangehouden voor onbepaalde tijd. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

11 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Minister voor te leggen hetgeen is overwogen in – met name – onderdeel 9.4 en 10 van deze uitspraak.

BEVEELT de oproeping van de veroordeelde met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Albanese taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gewezen door:

mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. B. Vogel en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juli 2019.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat deze tussenuitspraak te ondertekenen.

1 Emilie van Outeren, ‘Albanië snijdt zo diep dat het geen rechter overhoudt’, in: NRC, 17 juni 2019.

2 HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545, r.o. 3.3; HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1876, r.o. 2.3.

3 Kamerstukken II 1984/85, 18129, 6, p. 22.

4 Kamerstukken II 1984/85, 18129, 6, p. 5.

5 EHRM 26 juni 1992, ECLI:CE:ECHR:1992:0626JUD001274787 (Drozd en Janousek/Frankrijk en Spanje), § 110.

6 EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (Othman (Abu Qatada)/Verenigd Koninkrijk), § 260.

7 Kamerstukken II 1983/84, 18129, 1-3, p. 32.