Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5554

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[eiser] heeft een Wob-verzoek bij de Minister gedaan ten aanzien van een incident op het [adres]te [plaatsnaam] op [datum]. Op die zaterdagavond heeft een automobilist een aanrijding veroorzaakt op het [adres]. Bij deze aanrijding raakten zeven voetgangers, voornamelijk toeristen, gewond. Het OM heeft besloten de automobilist niet te vervolgen en de zaak te seponeren. Volgens het OM was er geen opzet in het spel, maar was de automobilist onwel geworden door een te lage bloedsuikerspiegel. Bij het bestreden besluit heeft de Minister het bezwaar van [eiser]ongegrond verklaard. Er zijn namelijk op het bestuursdepartement van het ministerie geen documenten met de door [eiser]opgevraagde informatie aangetroffen. Ook heeft de Minister het verzoek van [eiser]om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep van [eiser] ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3650

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna: [eiser] ),

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, verweerder (hierna: de Minister)

(gemachtigde: mr. T.J. Sterkenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2018 (het primaire besluit) heeft de Minister ten aanzien van het verzoek van [eiser] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kenbaar gemaakt dat er geen documenten met de opgevraagde informatie zijn aangetroffen.

Bij besluit van 13 april 2018 (het bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019.

[eiser] is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1.1.

[eiser] heeft op 26 december 2017 een Wob-verzoek bij de Minister gedaan ten aanzien van een incident op het [adres] te [plaatsnaam] op 10 juni 2017. Op die zaterdagavond heeft een automobilist een aanrijding veroorzaakt op het [adres] . Bij deze aanrijding raakten zeven voetgangers, voornamelijk toeristen, gewond. Het OM heeft besloten de automobilist niet te vervolgen en de zaak te seponeren. Volgens het OM was er geen opzet in het spel, maar was de automobilist onwel geworden door een te lage bloedsuikerspiegel.

1.2.

Bij brief van 3 januari 2018 heeft [eiser] vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het Wob-verzoek. [eiser] heeft bovendien aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 16 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:324, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep niet‑ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft de Minister ten aanzien van het verzoek van [eiser] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kenbaar gemaakt dat er geen documenten met de opgevraagde informatie zijn aangetroffen.

1.4.

Bij brief van 11 april 2018 heeft [eiser] ook verzocht om een schadevergoeding wegens schending van artikel 10 van het EVRM.

1.5.

Bij het bestreden besluit heeft de Minister het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Er zijn namelijk op het bestuursdepartement van het ministerie geen documenten met de door [eiser] opgevraagde informatie aangetroffen. Ook heeft de Minister het verzoek van [eiser] om schadevergoeding afgewezen.

1.6.

Bij uitspraak van 23 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3529, heeft de rechtbank [plaatsnaam] vervolgens het verzet van [eiser] tegen de uitspraak van 16 januari 2018 ongegrond verklaard.

Standpunt van [eiser]

Schending van de hoorplicht

2.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij op geen enkel moment ondubbelzinnig heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord, zoals bedoeld in artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit brengt met zich mee dat de Minister de hoorplicht heeft geschonden. Ter nadere onderbouwing van zijn beroep stelt [eiser] ook nog dat sprake is van schending van artikel 7:4, tweede, derde en zesde lid, van de Awb.

Schending van artikel 3, eerste lid, van de Wob

2.2.1.

[eiser] stelt zich verder op het standpunt dat de wetgever in artikel 3, eerste lid, van de Wob een ruimer bereik formuleert dan enkel ‘het departement’. De Minister kan niet volstaan met de enkele opmerking dat bij ‘het departement’ geen documenten berusten over de verzochte bestuurlijke aangelegenheden. De Minister mag niet met een drogreden weigeren om documenten te vergaren. Ook heeft er geen doorzending ingevolge artikel 2:3 van de Awb, voor zover dat volgt uit de bevoegdheidsverdeling op het Ministerie van Justitie en Veiligheid, plaatsgevonden.

Door geen documenten te vergaren heeft de Minister het besluit van 29 januari 2018 ook uitermate onzorgvuldig – en daarmee handelend in strijd met artikel 3:2 van de Awb – voorbereid. Zo heeft de Minister ten onrechte de genoemde camerabeelden en alle communicatie ter verkrijging van deze camerabeelden niet opgevraagd bij de onder zijn verantwoordelijkheid opererende politie.

2.2.2.

Uit een door [eiser] aangehaald fragment uit de uitzending van Medialogica zou vervolgens blijken dat bij de politie, de recherche, het Professionaliseringsprogramma Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER), de Dienst Infrastructuur en het Politiebureau [naam] documenten voorhanden zijn die informatie bevatten over de verzochte bestuurlijke aangelegenheid. Ook is er met de AIVD informatie gedeeld. De Minister heeft ten onrechte het verzoek van [eiser] niet met toepassing van artikel 2:3 van de Awb doorgezonden. Er zijn volgens [eiser] vele documenten die ten onrechte niet zijn geïnventariseerd en openbaar gemaakt.

2.2.3.

In het bestreden besluit zijn volgens [eiser] de gronden van het bezwaar ook ten onrechte niet volledig gewogen. De Minister heeft ten onrechte slechts contact opgenomen met het OM, en niet met het politiekorps. Ook geldt dit voor de rijksrecherche, die valt onder het College van procureurs-generaal, die op zijn beurt weer valt onder de Minister. Er had volgens [eiser] een grotere en bredere zoekslag moeten plaatsvinden naar de verzochte informatie. Als de Minister dit had gedaan, had hij vervolgens moeten motiveren op welke wijze naar deze documenten is gezocht om geloofwaardig te kunnen ontkennen dat deze niet bij hem berusten. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3695. De Minister had deze gronden van bezwaar niet onweersproken mogen laten.

Fictieve weigering en schadevergoeding

2.3.

Wanneer de Minister meende over onvoldoende gegevens en bescheiden te beschikken om een zo spoedig deelbesluit voor te bereiden of te beoordelen, had de Minister volgens [eiser] de beslistermijn van het deelbesluit moeten opschorten met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, en artikel 4:15, eerste lid, van de Awb. Dit heeft de Minister niet gedaan, zodat in rechte vaststaat dat het spoedinformatieverzoek fictief is geweigerd. De Minister had hiertoe een niet-ontvankelijkheidverklaring of een schriftelijke weigering om te beslissen moeten afgeven.

2.4.

Op 11 april 2018 heeft [eiser] ook verzocht om vergoeding van schade wegens schending van artikel 10 van het EVRM. Deze zaak is volgens [eiser] namelijk vrijwel identiek aan die van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 juli 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0731JUD004583505 (Shapovalov t. Oekraïne), op welke uitspraak [eiser] zich dan ook beroept. Thans zijn ook acht weken zoals bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb ongebruikt verstreken. Het is dan ook daarom dat [eiser] de rechtbank verzoekt de Minister te veroordelen tot vergoeding van schade, als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, ten bedrage van € 500,-, welke is veroorzaakt doordat de Minister zijn positie als informatiemonopolist heeft misbruikt. De Minister heeft gefrustreerd dat een publiek debat tot stand is gekomen in de periode tussen 26 december 2017 en de definitieve vervolgingsbeslissing eind januari 2018.

Standpunt van de Minister

Schending van de hoorplicht

3.1.

De Minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op de gang van zaken, geen sprake is van een schending van de hoorplicht van artikel 7:3, onder c, van de Awb. Er is slechts dubbelzinnig een verzoek om uitstel gedaan, in een zeer laat stadium en zonder opgaaf van redenen. Gelet op de lopende beslistermijn mocht de Minister zonder een nieuwe hoorzitting te plannen het bestreden besluit nemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de Minister naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 2 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1826, de uitspraak van 8 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0832, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1954. Mocht er toch een schending van de hoorplicht worden aangenomen, dan stelt de Minister zich op het standpunt dat [eiser] door die schending niet is benadeeld en verzoekt om het besluit via de weg van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten.

Schending van artikel 3, eerste lid, van de Wob

3.2.

De Minister stelt dat wel degelijk breder naar informatie is gezocht dan enkel binnen het bestuursdepartement. Er is navraag gedaan bij het OM, de NCTV en twee directies die onder het bestuursdepartement vallen, namelijk het Directoraat Generaal Rechtshandhaving en Rechtspleging (DGRR) en het directoraat Generaal Politie (DGPOL). De zoekslag heeft zich niet beperkt tot het bestuursdepartement van het ministerie. Er is gekozen voor de term ‘bestuursdepartement’, om aan te geven dat het OM bij het primaire besluit buiten beschouwing is gelaten. Het OM heeft de politie-informatie betrokken bij zijn besluit (in de zaak AMS18/5395). Daarmee was er voor de beantwoording van het Wob-verzoek voor de Minister geen aanleiding meer om het verzoek door te zenden aan de politie. Verder stelt de Minister dat hij niet bekend is met een eerder Wob-verzoek door journalisten. Ook vallen de politie, de recherche, het Professionaliseringsprogramma Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER), de Dienst Infrastructuur en het Politiebureau [naam] niet onder het ministerie van de Minister. Er is geen informatie gedeeld met de AIVD, hetgeen [eiser] ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve stelt de Minister terecht geen aanleiding te hebben gezien om het verzoek van [eiser] door te zenden naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

Fictieve weigering en schadevergoeding

3.3.1.

Voor wat betreft het standpunt ten aanzien van het ‘spoedinformatieverzoek’ verwijst de Minister naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2018 en 23 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3529, waaruit volgt dat het verzoek volgens de reguliere wettelijke termijnen mocht worden behandeld. Van een fictieve weigering is daarom geen sprake.

3.3.2.

De gestelde schade is volgens de Minister niet het resultaat van een onrechtmatig besluit, van een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit of van het niet tijdig nemen van een besluit. Daarmee valt het verzoek tot schadevergoeding niet onder de reikwijdte van titel 8.4 van de Awb. Ook materieel, in de zin dat sprake is van het frustreren van het op gang komen van een publiek debat, ontbreekt elke grondslag voor het toekennen van schadevergoeding.

Wettelijk kader

4. Voor de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van het wettelijk kader zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Schending van artikel 3, eerste lid, van de Wob

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de Minister navraag heeft gedaan bij het OM, de NCTV, het DGRR en het DGPOL, de zoekslag die de Minister heeft gemaakt in het kader van het Wob-verzoek als voldoende dient te worden beoordeeld. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat er bij de Minister geen documenten met de opgevraagde informatie zijn aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak1 van de Afdeling geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat er informatie is gedeeld met de AIVD, en dat er daarvan documenten bij de Minister aanwezig moeten zijn, overweegt de rechtbank dat [eiser] dat weliswaar heeft gesteld maar dat de Minister dat gemotiveerd heeft bestreden en er feitelijk niet van enig contact met de AIVD is gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er (meer) documenten onder de Minister berusten. Gelet op het voorgaande berustte er ook geen plicht op de Minister om het verzoek van [eiser] door te zenden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

5.2.

Verder heeft de Minister naar het oordeel van de rechtbank terecht niet beslist op het verzoek om informatie over het onderzoek van de rijksrecherche naar een agent die informatie zou hebben gelekt over het incident op het [adres] te [plaatsnaam] . Dit geldt ook voor de door [eiser] verzochte camerabeelden. Voor zover zijn Wob-verzoek hierop ziet was het Wob-verzoek namelijk al bij het OM in behandeling genomen (zie zaak AMS18/5395).

Schending van de hoorplicht

6. Volgens vaste rechtspraak2 van de Afdeling is het in beginsel in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb een hoorzitting niet uit te stellen wanneer een belanghebbende of zijn gemachtigde direct na de uitnodiging voor de hoorzitting gemotiveerd heeft medegedeeld dat hij op het genoemde tijdstip niet kan verschijnen. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Bij brief van 23 maart 2018 heeft de Minister een hoorzitting gepland op 5 april 2018. Per

e-mail van 4 april 2018 heeft [eiser] gevraagd of het mogelijk is om de hoorzitting een week te verplaatsen omdat het niet zeker is of hij op 5 april 2018 kan komen. Als verzetten niet meer lukt, zal hij zijn best doen. [eiser] heeft dus in een zeer laat stadium met een dubbelzinnig verzoek zonder opgaaf van redenen om uitstel verzocht. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Nu geen sprake is van schending van de hoorplicht behoeft het overige dat [eiser] in dit verband naar voren heeft gebracht geen verdere bespreking.

Fictieve weigering en schadevergoeding

7. Het standpunt van [eiser] dat sprake is van een fictieve weigering van het spoedinformatieverzoek, omdat de Minister de beslistermijn van het deelbesluit had moeten opschorten in het geval hij over onvoldoende gegevens beschikte om een deelbesluit voor te bereiden of te beoordelen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat uit haar uitspraak van 16 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:324, en 23 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3529, volgt dat het Wob-verzoek volgens de reguliere wettelijke termijnen mocht worden behandeld. Van een fictieve weigering is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gelet op het voorgaande, heeft de Minister tijdig beslist en is het verzoek om schadevergoeding daarom ook terecht afgewezen.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.

9. Voor een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, voorzitter, en mr. S.E. Reichert en mr. J.A.W. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage: Wettelijk kader

Wob

In artikel 3 van de Wob is het volgende bepaald:

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

4. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

In artikel 4 van de Wob is het volgende bepaald:

Indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, wordt de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

In artikel 6 van de Wob is het volgende bepaald:

1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker. (…)

EVRM

In artikel 10 van het EVRM is het volgende bepaald:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:270.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3331.