Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:552

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
C/13/630589 / HA ZA 17-614 eindvonnis
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering; eindvonnis na tussenvonnis van 3 oktober 2018; belastingschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/630589 / HA ZA 17-614

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R. Gerretsen te Utrecht,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

LONDON GENERAL INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. Benningen te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en LGI genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 oktober 2018,

- de akte uitlating tevens houdende akte voorwaardelijke wijziging eis van [eiser] ,

- de antwoordakte van LGI.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 3 oktober 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] recht heeft op uitkering onder de door hem met LGI gesloten verzekeringsovereenkomst. Meer in het bijzonder is geoordeeld (r.o. 4.29) dat LGI [eiser] met terugwerkende kracht per 10 februari 2015 een uitkering van € 2.000,- per 30 dagen dient te voldoen, tot het recht op uitkering is beëindigd (bijvoorbeeld omdat de maximumuitkering is bereikt). Voorts is geoordeeld dat LGI over de reeds vervallen termijnen wettelijke rente is verschuldigd; over de nog niet vervallen termijnen uiteraard niet. De ingangsdatum van de wettelijke rente is gesteld op 9 februari 2016, de dag waarop LGI de aanspraak van [eiser] heeft afgewezen.

2.2.

Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de gevorderde belastingschade - kort samengevat - overwogen dat er op het moment dat het tussenvonnis op 3 oktober 2018 werd gewezen, reeds 43 termijnen waren verstreken en dat dit voldoende onderbouwing biedt voor de door [eiser] gestelde (en door LGI onvoldoende gemotiveerd betwiste) mogelijkheid dat een deel van het belastbare inkomen van [eiser] , als gevolg van de nabetaling door LGI van de vervallen termijnen ineens, in een hogere belastingschijf zal kunnen komen te vallen dan wanneer LGI, bij correcte nakoming van de verzekeringsovereenkomst, gespreid had betaald. De rechtbank heeft [eiser] hierop in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de (precieze) omvang van de door hem als gevolg van het nabetalen van de verschuldigde termijnen geleden schade en heeft bepaald dat LGI daarop bij antwoordakte kan reageren.

2.3.

Deze aktewisseling heeft inmiddels plaatsgevonden. [eiser] heeft in zijn akte gesteld dat de schade nog niet exact kan worden vastgesteld, maar dat deze naar zijn inschatting (na middeling vanwege de schadebeperkingsplicht) ongeveer € 500,- zal bedragen. Omdat de hoogte van dit geschatte schadebedrag het opstellen van een deskundigenrapport volgens [eiser] niet rechtvaardigt, heeft [eiser] LGI benaderd. LGI heeft, blijkens haar antwoordakte, meegedeeld vanuit praktisch oogpunt in te stemmen met dit schadebedrag.

2.4.

Nu uit het voorgaande volgt dat beide partijen ermee instemmen dat de door [eiser] te lijden belastingschade op € 500,- wordt bepaald, zal de rechtbank de in het tussenvonnis toewijsbaar geoordeelde fiscale schade op dit bedrag vaststellen. Dit brengt voorts met zich dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder [eiser] zijn in genoemde akte voorwaardelijke wijziging van eis heeft ingesteld, zodat die wijziging verder buiten bespreking kan blijven.

Buitengerechtelijke advocaatkosten en proceskosten

2.5.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) op de vordering van toepassing. De rechtbank stelt vast dat [eiser] - anders dan LGI betoogt - voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] gaat evenwel bij zijn vordering uit van een hoger belang van de zaak dan door de rechtbank wordt toegewezen. De rechtbank zal het bedrag dan ook overeenkomstig het wettelijke tarief toewijzen tot een bedrag van € 2.147,75.

2.6.

De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal als gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, 12 juni 2017.

2.7.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt LGI als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . Deze worden aan de hand van het toegewezen belang van de zaak, als volgt begroot:

- explootkosten € 103,11

- griffierecht € 883,00

- salaris advocaat (2 punten à tarief V) € 3.414,00

Totaal € 4.400,11

2.8.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt LGI tot betaling aan [eiser] van de verzekerde som van € 2.000,- (netto) per maand vanaf 10 februari 2015 tot aan de dag waarop [eiser] daarop geen recht meer heeft, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2016, telkens vanaf het einde van de betreffende maand tot het moment van voldoening,

3.2.

veroordeelt LGI tot betaling aan [eiser] van € 500,- aan belastingschade,

3.3.

veroordeelt LGI tot betaling aan [eiser] van € 2.147,75 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2017,

3.4.

veroordeelt LGI in de proceskosten, aan de kant van [eiser] begroot op € 4.400,11,

3.5.

veroordeelt LGI in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat LGI niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.