Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:549

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
7399058 EA VERZ 18-947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanzegvergoeding. Beroep op artikel 7:668 lid 3 BW is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0176
XpertHR.nl 2019-20001984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7399058 EA VERZ 18-947

beschikking van: 17 januari 2019

func.: 561

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoeker

nader te noemen: werknemer

gemachtigde: mr. H.A.P. Driessen

t e g e n

de besloten vennootschap Dynamic Credit Services B.V.

gevestigd te Amsterdam

verweerster

nader te noemen: werkgever

gemachtigde: mr. M. Messink

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Werknemer heeft een verzoek ingediend dat strekt tot het toekennen van een vergoeding wegens schending van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW.

Werkgever heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 januari 2019 is de zaak mondeling behandeld. Werknemer is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor werkgever zijn verschenen [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] , bijgestaan door de hiervoor genoemde gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunt naar voren gebracht, beide aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Beschikking is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

Werknemer is met ingang van 9 oktober 2017 in dienst getreden van werkgever in de functie van Propositiemanager Onafhankelijk Advies tegen een loon van
€ 6.805,56 bruto per jaar, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.2.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, derhalve tot
9 oktober 2018.

1.3.

Op 20 augustus 2018 heeft werkgever werknemer mondeling medegedeeld dat zijn contract voor bepaalde tijd niet zou worden voortgezet.

1.4.

Diezelfde dag, 20 augustus 2018, heeft werknemer aan werkgever ge-e-maild:

“Hoi [voornaam 1] , bijgaand bericht wat ik wil verzenden ivm mijn vertrek zoals vanochtend besproken. Graag wil ik zelf in afstemming met jou het moment kiezen wanneer dit verstuurd word.”

Bij de e-mail is een concept-tekst gevoegd die (voor zover relevant) luidt:

“Bericht vertrek,

Na een jaar van met plezier en succes gewerkt te hebben aan de invulling van de nieuwe rol van propositiemanager bij [naam bedrijf] , heb ik toch besloten om afscheid te nemen. (…) Dit betekent dat ik de komende tijd mijn werk [naam bedrijf] zal afronden, met tevredenheid terugkijk op een leerzame periode en ook weer met enthousiasme op zoek ga naar een passende nieuwe rol in deze voor mij boeiende markt.”

1.5.

Op 30 augustus 2018 heeft werknemer in een e-mailbericht aan werkgever het volgende bericht:

“Hoi [voornaam 1] ,

Zoals besproken wordt mijn contract niet verlengd per 9 oktober. Graag zie ik voor mijn vertrek een aantal zaken geregeld, deze heb ik op een rij gezet:

* uitbetaling discretionaire bonus

* vakantie dagen, heb dit jaar 14 dagen opgenomen en heb er 5 van vorig jaar meegenomen dus netto 9 dagen opgenomen

* werk mijn openstaande declaraties bij

* i.p.v. een getuigschrift een review op LinkedIn over mijn werk. Een concept kan ik je desgewenst aanleveren.

* etentje afscheid van collega’s

Zoals afgesproken communiceren we beide positief over mijn vertrek. Wat mij betreft vind er nog geen communicatie hierover plaats een week voor mijn vertrek is voldoende. Als je alvast contact wil leggen met adviseurs is dit uiteraard geen enkel probleem en zal ja daar waar mogelijk ondersteunen. Mocht je nog vragen hebben dan Hoor ik dat graag.

Groet [voornaam 2] ”

1.6.

In een e-mail van 5 september 2018 heeft werkgever als volgt geantwoord op de onder 1.4 genoemde e-mail:

“Akkoord op dit bericht. Kan je mij nog laten weten aan wie je het gaat versturen> We versturen het op 1 oktober.”

1.7.

In een e-mail van 3 oktober 2018 heeft werknemer aan werkgever gemeld dat hij nog geen terugkoppeling heeft gehad over de uitbetaling van de discretionaire bonus. Diezelfde dag heeft werkgever daarop per e-mail gereageerd met de mededeling dat hij navraag heeft gedaan en dat er geen discretionaire bonus wordt uitgekeerd bij vertrek van een medewerker.

Verzoek

2. Werknemer verzoekt de kantonrechter om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding ad € 6.805,56 bruto wegens schending van de aanzegverplichting, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van die vergoeding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van werkgever in de proceskosten.

3. Werknemer erkent dat hem mondeling is medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2018 niet zou worden verlengd en dat hij dat in de onder 1.4 genoemde e-mail zelf heeft bevestigd. Hij stelt echter dat werkgever hem niet schriftelijk heeft bevestigd dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet, terwijl die schriftelijkheid ingevolge artikel 7:668 BW wel (dwingendrechtelijk) is vereist. Verschuldigdheid van de aanzegvergoeding is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook niet onaanvaardbaar, te minder nu werkgever pas op
3 oktober 2018 heeft gereageerd op de e-mail van werknemer van 30 augustus 2018 (zie 1.6), aldus werknemer.

Verweer

4. Werkgever verweert zich tegen het verzoek. Zij stelt zich primair op het standpunt dat zij met de e-mail van 5 september 2018 (zie 1.5) heeft voldaan aan het vereiste van een schriftelijke aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 BW. Subsidiair betoogt werkgever dat het in dit geval op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de aanzegvergoeding aan werknemer moet voldoen, omdat het – na het gesprek van
20 augustus 2018 – van meet af aan en voortdurend glashelder voor werknemer was dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen.

Beoordeling

5. Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW dient de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst en, bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten. Indien de werkgever deze aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen, is hij aan de werknemer de in artikel 7:668 lid 3 BW bedoelde vergoeding verschuldigd. Indien de werkgever de aanzegverplichting niet tijdig is nagekomen, is hij de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd.

6. In dit geval had werkgever uiterlijk 9 september 2018 aan werknemer schriftelijk moeten informeren over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst.

7. De aanzegverplichting is een op de werkgever rustende informatieplicht. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat deze verplichting ertoe dient zeker te stellen dat de werknemer tijdig op de hoogte is van de bedoelingen van de werkgever ten aanzien van het als dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie, zodat daarover geen misverstand kan ontstaan en de werknemer in de gevallen dat dit nodig is tijdig op zoek kan gaan naar ander werk. De eis van schriftelijkheid is van dwingend recht en dient als waarborg om discussies achteraf over al dan niet gedane mondelinge toezeggingen of mededelingen, dan wel gemaakte afspraken, te voorkomen.

8. Of het e-mailbericht van 5 september 2018 is aan te merken als een schriftelijke aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 BW, kan naar het oordeel van de kantonrechter buiten beschouwing blijven. Immers, ook indien werknemer gevolgd zou worden in zijn stelling dat werkgever (ook met het bericht van 5 september 2018) hem niet schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van het al dan niet voortzetten van zijn tijdelijke dienstverband, komt hem in dit geval geen beroep toe op artikel 7:668 lid 3 BW. Redengevend daarvoor is het volgende.

9. Ter zitting heeft werkgever aangevoerd dat zij werknemer niet alleen op 20 augustus 2018, maar ook al daarvoor, namelijk op 14 augustus 2018, mondeling heeft meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden voortgezet, en dat werknemer dat diezelfde dag mondeling aan zijn teamleden heeft meegedeeld. Werknemer heeft dat ter zitting niet weersproken. Werknemer heeft verder erkend dat hij in een gesprek op 20 augustus 2018 van het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst op de hoogte is gesteld. Bovendien heeft hij in zijn e-mails van
20 en 30 augustus 2018 (zie 1.4 en 1.5) zelf met zoveel woorden bevestigd dat zijn arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2018 niet zou worden verlengd en heeft hij in verband daarmee zelf een concepttekst voor de buitenwacht opgesteld, met welke tekst werkgever op 5 september 2018 akkoord is gegaan. Ook de vragen in de e-mail van
30 augustus 2018 houden verband met een einde van de arbeidsovereenkomst. Uit al deze omstandigheden volgt dat reeds vanaf medio augustus 2018 aan werknemer duidelijk kenbaar is gemaakt en het hem ook geheel duidelijk was dat zijn dienstverband na 9 oktober 2018 niet zou worden voortgezet.

10. Werknemer heeft kennelijk bedoeld te betogen dat het hem nog niet 100% duidelijk was dat zijn dienstverband zou eindigen per 9 oktober 2018. In dat verband heeft hij in de eerste plaats gewezen op het late antwoord (3 oktober 2018) van werkgever op zijn e-mail van 30 augustus 2018. Dit betoog gaat niet op. De kwesties die door werknemer in de mail van 30 augustus 2018 aan de orde worden gesteld hangen samen met de (praktische en financiële) afwikkeling van zijn vertrek, maar zien niet op het moment van het einde van het dienstverband. Dat het hem duidelijk was dat zijn dienstverband na 9 oktober 2018 zou eindigen, blijkt ook uit de tekst van de mail van 30 augustus 2018 zelf (“Zoals besproken wordt mijn contract niet verlengd per 9 oktober.”). Bovendien heeft werkgever weliswaar pas op 3 oktober gereageerd op de kwestie van de discretionaire bonus, maar heeft zij, zoals zij ter zitting onweersproken heeft gesteld, al eerder mondeling en informeel op de overige kwesties uit de mail gereageerd.

11. Daarnaast heeft werknemer ter zitting nog aangevoerd dat hij had begrepen dat de aanstelling van zijn vervanger niet doorging, waardoor werknemer het vermoeden had dat eens kans was dat zijn contract toch zou worden voortgezet. Ook dit betoog gaat niet op. Met dit betoog heeft werknemer niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat werkgever op enigerlei wijze onduidelijkheid of dubbelzinnigheid heeft laten bestaan over het voortzetten van het dienstverband met werknemer, bijvoorbeeld door een mededeling dat indien de kandidaat niet zou worden aangenomen, werknemer alsnog zou mogen blijven. Werknemer heeft dit idee slechts ontleend aan zijn eigen ‘vermoeden’. Waar dat vermoeden op gebaseerd is, is niet gesteld. Werkgever heeft ter zitting ook weersproken dat hij de suggestie heeft gewekt dat werknemer alsnog een aanbod voor voortzetting van zijn contract zou krijgen.

12. Al het voorgaande leidt kortom tot de conclusie dat er voor werknemer vanaf – in ieder geval – 20 augustus 2018 geen enkele onzekerheid bestond over het eindigen van de arbeidsrelatie. Onder deze omstandigheden heeft de eis van een schriftelijke aanzegging geen waarborgfunctie meer en betreft een dergelijke aanzegging niet meer dan het voldoen aan een formaliteit. Onder die omstandigheden is het beroep op artikel 7:668 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het verzoek van werknemer zal dan ook worden afgewezen.

13. Werknemer wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt werknemer in de proceskosten, aan de zijde van werkgever tot op heden begroot op € 400,00 voor salaris van de gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde btw;

veroordeelt werknemer in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op
€ 50,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat werknemer niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking heeft voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. C. von Meyenfeldt, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.