Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5481

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
AWB 19/3367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is werkzaam als redacteur bij het NRC Handelsblad en heeft een Wob-verzoek bij het ministerie van Justitie en Veiligheid (bestuursorgaan) gedaan. Het bestuursorgaan dient op een Wob-verzoek binnen vier (te verlengen tot maximaal acht) weken te beslissen. Deze termijn is overschreden. Eiseres stelt het bestuursorgaan in gebreke en komt in beroep bij de rechtbank. In het verweerschrift heeft het bestuursorgaan aangekondigd dat hij uiterlijk op 22 augustus 2019 een besluit zal nemen op het verzoek van eiseres. Om verschillende redenen heeft hij een wat langere termijn nodig dan de gebruikelijke twee weken, die de rechtbank normaal stelt om een bestuursorgaan dat verzuimt tijdig te beslissen, op te dragen dit alsnog te doen. Eiseres verzoekt om een beslistermijn die maximaal 28 dagen na de datum van de uitspraak ligt. Nu de termijn van 22 augustus 2019 binnen de door eiseres geaccordeerde termijn valt, houdt de rechtbank deze datum aan als uiterste beslistermijn voor het bestuursorgaan.

Wel hanteert de rechtbank een hogere dwangsom dan de volgens rechterlijk beleid gangbare van € 100,-- per dag. Deze wordt bepaald op € 250,-- per dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,

en

het ministerie van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft verzocht om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie.

Verweerder heeft een schriftelijke reactie gegeven.

De rechtbank doet uitspraak zonder een rechtszitting te houden.1

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.2Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.3

2. Eiseres is werkzaam als redacteur bij het NRC Handelsblad en heeft op

29 augustus 2018 verzocht om kopieën van alle documenten bij of onder het ministerie die betrekking hebben op de asielzaak van de Armeense kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] en hun moeder. Het verzoek heeft betrekking op de periode van 1 januari 2015 tot het moment van in behandeling nemen van het verzoek. De ontvangst van het Wob-verzoek is door verweerder bevestigd op 6 september 2018. Eiseres heeft verweerder bij brief van 24 mei 2019 in gebreke gesteld. Hierna heeft eiseres bij brief van 21 juni 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar Wob-verzoek.

3. Het bestuursorgaan beslist op een Wob-verzoek binnen vier weken.4 Op grond van artikel 6 van de Wob heeft verweerder bij brief van 27 september 2018 de beslistermijn met vier weken verlengd. De rechtbank stelt met partijen vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en (meer dan) twee weken daarna in beroep is gekomen.

4. Het beroep is dus gegrond.

5. Als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn stellen.

6. In het verweerschrift van 8 juli 2019 heeft verweerder aangekondigd dat hij uiterlijk op 22 augustus 2019 een besluit zal nemen op het verzoek van eiseres. De redenen dat een langere termijn nodig is zijn dat het gaat om een omvangrijk verzoek betreffende een gevoelig dossier, waarbij afstemming nodig is tussen verschillende onderdelen van verweerders ministerie. Daar komt bij dat de verantwoordelijke bewindspersoon enkele weken afwezig is in verband met zomerreces. Eiseres heeft hiertegen ingebracht dat deze redenen niet valide zijn voor verweerder om nogmaals de beslistermijn uit te stellen. Zij verzoekt om een beslistermijn die maximaal 28 dagen na de datum van de uitspraak ligt. Nu de termijn van 22 augustus 2019 binnen de termijn van 28 dagen ligt bepaalt de rechtbank dat verweerder uiterlijk op 22 augustus 2019 een besluit moet nemen op het Wob-verzoek van eiseres.

7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor de hoogste dwangsom van het landelijk beleid omdat verweerder een langere dan gebruikelijke beslistermijn krijgt.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank is verder niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende (proces)kosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- draagt verweerder op om uiterlijk op 22 augustus 2019 een besluit op het Wob-verzoek te nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van

E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb

3 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb

4 Artikel 6, eerste lid, van de Wob