Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5468

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
AMS 18/3488
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft terecht geweigerd om een vergunning te verlenen voor een terrasoverkapping die al (illegaal) was gebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J. Meruma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Duits).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een omgevingsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de derde-partij was aanwezig.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om te reageren op de stelling van eiser over verleende vergunningen op nabij gelegen adressen. Na overlegging van deze informatie door verweerder op 29 januari 2019 heeft eiser hierop gereageerd bij brief van 28 februari 2019.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank zonder nadere zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft in juli 2016, zonder vergunning, een terrasoverkapping opgericht aan de achterkant van zijn pand aan de [adres] . De derde-partij heeft hiervan melding gemaakt bij verweerder. Op basis van een controlerapport van 10 augustus 2016 – met negatief advies van de afdeling Ruimtelijke ordening van 13 oktober 2016 – heeft verweerder eiser op 6 februari 2017 een voorwaarschuwing gegeven. Op 30 maart 2017 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor de terrasoverkapping.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen geweigerd omdat het project niet voldoet aan de regels van het bestemmingsplan Middenmeer I en II (het bestemmingsplan). De maximaal toegestane bouwhoogte van 4 meter wordt overschreden met 2,23 meter. Ook is er geen bouwvlak aanwezig op dat stuk grond. Omdat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan is de aanvraag tevens aangemerkt als aanvraag voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ook deze aanvraag is geweigerd, omdat het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Volgens verweerder sluit de overkapping door zijn vorm en grote afmetingen onvoldoende aan bij de ruimtelijke typologie van de negentiende-eeuwse ring en verstoort het daarmee de ruimtelijke opbouw. Ook is het stedenbouwkundig ongewenst om een uitbouw te creëren over twee bouwlagen en veroorzaakt het glas ongewenste spiegelingen bij omwonenden.

3. Op basis van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 27 maart 2018 heeft verweerder bij het bestreden besluit besloten het bezwaar ongegrond te verklaren onder wijziging van de motivering in die zin dat de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte 0,58 meter bedraagt.

Het standpunt van eiser

Ondeugdelijke feitenvaststelling

4. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding, als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder is zelf nooit ter plaatse geweest. Uit het controlerapport van 10 augustus 2016 blijkt dat de derde-partij de foto’s heeft aangeleverd. Verder is er geen controlerapport opgesteld.

Stedenbouwkundige toets

5. Eiser voert ook aan dat de door verweerder gebruikte stedenbouwkundige toets, de bescherming van de negentiende-eeuwse ring, niet ziet op de achtergevels en tuinen van deze woningen. Eiser verwijst naar de hoofdstukken 6 en 8 van de welstandsnota De schoonheid van Amsterdam 2016 (de welstandsnota).

Trendsetters – Vergelijkbare gevallen

6. Eiser voert aan dat zijn overkapping slechts de trendsetter volgt. Hij verwijst daarbij naar de pagina’s 27 en 51 van de welstandsnota en bijlage 2 van zijn beroepschrift.

Hinder

7. Eiser voert aan dat de derde-partij geen zorgen heeft geuit over de spiegelingen in het glas en dit dus niet als probleem heeft ervaren. De aanwezigheid van ongewenste spiegelingen wordt aangenomen door de bezwaarschriftencommissie, terwijl hier nooit enig bewijs voor is geleverd. De gemachtigde van eiser acht het gelet op de hoek waarin het glas is aangebracht, de toegepaste glassoort en de zonnestanden volstrekt ondenkbaar dat hierdoor hinder kan ontstaan voor omwonenden. Mocht dit probleem dan al bestaan, dan is dat met werende folie direct op te lossen.

Het geschil

8. Niet in geschil is dat de overkapping in strijd is met het bestemmingsplan. In geschil is of verweerder in redelijkheid geen medewerking hoefde te verlenen aan het afwijken van dit bestemmingsplan voor de hoogteoverschrijding van 0,58 meter.

Het oordeel van de rechtbank

Toetsingskader

9. De rechtbank overweegt allereerst dat toepassing van de afwijkingsmogelijkheid in een bestemmingsplan, op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een bevoegdheid is die door de wetgever aan verweerder is toegekend (een zogenoemde discretionaire bevoegdheid). Het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid wordt door de rechtbank terughoudend getoetst. Dat betekent dat de rechtbank toetst of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Ondeugdelijke feitenvaststelling

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Anders dan eiser meent is het niet noodzakelijk om de situatie ter plaatse op te nemen om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Het betoog slaagt dan ook niet.

Stedenbouwkundige toets

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder – gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie – voldoende gemotiveerd heeft waarom de overkapping de stedenbouwkundige toets niet doorstaat. Het pand van eiser maakt onderdeel uit van het ruimtelijke systeem van de negentiende-eeuwse ring en heeft de waardering ‘orde 3’. Anders dan eiser meent blijkt niet uit de welstandsnota dat deze alleen voor de voorgevels geldt. Daarom kon verweerder deze toets ook voor de achtergevel aanleggen. De achtergevels zijn terughoudender vormgegeven dan de voorgevels met balkons onder elkaar in de vorm van waranda’s. Dat verweerder de overkapping stedenbouwkundig ongewenst acht, vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk gezien de vorm en grote afmetingen bezien in de ruimtelijke typologie van de negentiende-eeuwse ring.

Trendsetters – Vergelijkbare gevallen

12. Eiser heeft adressen genoemd waar volgens hem onder vergelijkbare omstandigheden door verweerder een vergunning is verleend. Het gaat om de adressen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Indien voor één van deze adressen een vergunning is verleend, kan er sprake zijn van een trendsetter. Als de overkapping van eiser nagenoeg gelijk is aan de trendsetter, zal ook zijn overkapping voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ook kan er sprake zijn van vergelijkbare gevallen.

13. Ter zitting is gebleken dat het onduidelijk is of er voor de door eiser genoemde adressen een vergunning is verleend voor het oprichten van een overkapping aan de achtergevel en onder welke voorwaarden. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om haar te informeren of op de genoemde adressen een vergunning is verleend en zo ja, onder welke voorwaarden.

14. Verweerder heeft op 29 januari 2019 de rechtbank de volgende informatie gefaxt. Voor [adres 1] is geen omgevingsvergunning verleend. Voor [adres 2] is alleen een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van de kozijnen. Voor [adres 3] is op 4 september 2018 een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een uitbouw met dakterras. Bij dit laatste adres is er echter geen sprake van een overschrijding van de maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de overkapping een trendsetter heeft gevolgd. Niet is gebleken dat voor één van de door eiser genoemde adressen in hetzelfde woonblok voor een overkapping een omgevingsvergunning is verleend. Er is daarom geen sprake van een trendsetter. Ook kan niet gezegd worden dat er vergelijkbare gevallen zijn.

Hinder

16. Blijkens het advies van de bezwaarschriftencommissie hebben de ongewenste spiegelingen door de terrasoverkapping geen substantieel onderdeel van de besluitvorming uitgemaakt. De rechtbank zal hier dan ook niet op ingaan.

Descente

17. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolg te geven aan het verzoek van eiser om de situatie ter plekke te bekijken.

Conclusie

18. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen gelijk.

19. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Redelijke termijn

20. Op 2 mei 2019 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak gesloten en partijen meegedeeld dat binnen zes weken nadien uitspraak wordt gedaan, dus uiterlijk op 13 juni 2019. De uitspraak wordt echter heden gedaan. Gelet op de sluiting op 2 mei 2019 en de gedane mededeling over de datum uitspraak was ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en was deze ook niet te voorzien. In een dergelijk geval is er voor eiser geen reden daarover te klagen. De rechtbank moet de redelijke termijn ambtshalve toetsen als de uitspraak in een dergelijk geval desondanks gedaan wordt met overschrijding van die termijnen.1

21. De behandeling van zaken als deze, met een bezwaar- en beroepsprocedure, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren.2 De te beoordelen periode begint in beginsel met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.

22. De rechtbank stelt vast dat vanaf 22 juni 2017, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, tot deze uitspraak ruim twee jaar en een maand zijn verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een maand is overschreden. Omdat de behandeling van het bezwaar langer dan een half jaar heeft geduurd is die overschrijding aan verweerder toe te rekenen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die de langere behandelduur rechtvaardigen.

23. Naar vaste rechtspraak wordt ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn een basisbedrag van € 500,- per (gedeelte van een) half jaar overschrijding gehanteerd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder om eiser een schadevergoeding te betalen van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4188.

2 Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.