Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5425

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
C/13/653036 / HA ZA 18-859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling opschortingsverweer. Opeisbaarheid vordering waarvoor wordt opgeschort, voorshands oordeel. Beoordeling samenhang, gerechtvaardigde opschorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/653036 / HA ZA 18-859

Vonnis van 24 juli 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

MANROLAND BENELUX N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. Chr.F. Kroes te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERHAAG DRUKKERIJ B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

advocaat mr. A. Hurenkamp te Enschede.

Partijen zullen hierna Manroland en Verhaag worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 augustus 2018, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 13 maart 2019 waarin ambtshalve een comparitie van partijen is gelast, en

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 mei 2019 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Manroland is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met de verkoop van drukpersen. Zij koopt deze in bij haar moedermaatschappij in Duitsland, Manroland Sheetfed GmbH (hierna: Manroland Sheetfed). Verhaag exploiteert een drukkerij in Oldenzaal.

2.2.

Tussen partijen is een aantal overeenkomsten tot stand gekomen:

  • -

    koopovereenkomst met betrekking tot een Manroland 8 kleuren offsetdrukpers (hierna: drukpers) van 16 december 2016 (hierna: drukpersovereenkomst);

  • -

    koopovereenkomst met betrekking tot een computer-to-plate configuratie (hierna: CTP) van 4 april 2017 (hierna: CTP-overeenkomst);

  • -

    leveringsovereenkomst voor offsetplaten die bestemd zijn voor gebruik op de CTP en de drukpers van 15 maart 2017 (hierna: leveringsovereenkomst).


Op alle drie de overeenkomsten zijn de VLGA-voorwaarden van toepassing.

2.3.

Op basis van de CTP-overeenkomst vindt betaling van de CTP plaats via verplichte afname door Verhaag van offsetplaten van Manroland. Daartoe is de leveringsovereenkomst gesloten die als bijlage nr 1 bij de CTP-overeenkomst is opgenomen. Op grond van de leveringsovereenkomst heeft Verhaag zich verplicht 250.000 m2 offsetplaten af te nemen (minimaal 50.000 m2 per jaar en 12.500 m2 per kwartaal) met een eenheidsprijs van € 6,35 per m2 waarin een opslag is verdisconteerd voor (af)betaling van de CTP.

2.4.

In juli 2017 is de CTP geleverd aan Verhaag en in oktober 2017 de drukpers.

2.5.

Na ingebruikname van de drukpers ontstonden applicatieproblemen met de drukinkten van de drukpers. Verhaag heeft toen facturen van Manroland onbetaald gelaten, waarna Manroland een leverstop van de offsetplaten instelde. Vanwege die leverstop is Verhaag offsetplaten gaan bestellen bij leverancier Atécé.

2.6.

Ter oplossing van het geschil inzake de applicatieproblemen hebben Manroland en Verhaag op 12 januari 2018 een akkoord bereikt. Eén element van dit akkoord is dat Manroland twee maal, één keer in 2018 en één keer in 2019, 5.000 m2 gratis offsetplaten zal leveren aan Verhaag voor gebruik op de CTP.

2.7.

Op 16 januari 2018 is de drukpers met een grote klap stilgevallen tijdens een printopdracht. Sindsdien is de drukpers niet meer in gebruik. Manroland Sheetfed, de producent van de drukpers, heeft na onderzoek geoordeeld dat de beschadigde onderdelen van de drukpers in feite total loss zijn en dat die onderdelen in hun geheel vervangen dienen te worden, waarbij de totale kosten worden geschat op € 1,1 miljoen. Naar aanleiding van het stilvallen van de drukpers is een geschil ontstaan tussen partijen wie verantwoordelijk is voor het stilvallen van de drukpers en de daarmee gemoeide kosten (hierna: het drukpersgeschil).

2.8.

Sinds het drukpersgeschil heeft Verhaag de facturen van Manroland onbetaald gelaten. Op 19 februari 2018 heeft Manroland per e-mail een aanmaning gestuurd aan Verhaag voor de facturen ter zake van de offsetplaten. Hierin staat voor zover van belang:

REKENINGUITREKSEL

(…)

Beste klant,

Onderstaand treft u een overzicht van de momenteel openstaande fakturen per bovenvermelde datum. Wilt u dit overzicht met uw administratie controleren en zorgdragen voor betaling uiterlijk per genoemde vervaldatum.

(…)

Totaal vervallen 11.415,12 EUR

Totaal: 49.185,84 EUR (…)”

2.9.

Verhaag heeft op 21 februari 2018 per e-mail geantwoord dat zij zich ten aanzien van de facturen beroept op haar opschortingsrecht.

2.10.

Met betrekking tot het drukpersgeschil heeft Verhaag Manroland gedagvaard in kort geding en gevorderd dat Manroland wordt veroordeeld de drukpers te repareren op grond van de garantieverplichtingen uit de drukpersovereenkomst. Op 17 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan, waarbij de vordering van Verhaag is afgewezen.

2.11.

Verhaag en de betrokken leasemaatschappij zijn bij deze rechtbank een bodemprocedure gestart tegen Manroland in verband met het drukpersgeschil (zaaknummer C/13/660703).

3 Het geschil

3.1.

Manroland vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht te verklaren dat de CTP-overeenkomst en leveringsovereenkomst tussen Verhaag en Manroland op 28 mei 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden;

II. Verhaag te veroordelen tot betaling, binnen twee weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure, van € 49.718,24, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans wettelijke rente, vanaf 21 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Verhaag te veroordelen tot betaling, binnen twee weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure, van € 298.649,44, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan datum der algehele voldoening;

IV. Verhaag te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad
€ 3.127,95, een en ander te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

V. Verhaag te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Aan de vordering legt Manroland het volgende ten grondslag. Manroland heeft de CTP- en leveringsovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW buitengerechtelijk ontbonden omdat Verhaag in gebreke bleef met het voldoen aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten. Als gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding vordert Manroland een waardevergoeding voor de reeds geleverde offsetplaten op grond van artikel 6:272 BW en een vergoeding van de schade als gevolg van de ontbinding op grond van artikel 6:277 BW.

3.3.

Verhaag voert als verweer dat zij haar betalingsverplichtingen op grond van de CTP- en leveringsovereenkomst mocht opschorten in verband haar garantieaanspraken onder de drukpersovereenkomst.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Nu Manroland een vennootschap naar buitenlands recht is, heeft de zaak een internationaal karakter en dient de rechtbank eerst te beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil van partijen. Manroland heeft gesteld dat deze rechtbank rechtsmacht heeft op grond van het forumkeuzebeding in de VLGA-voorwaarden nu Verhaag zaken gedaan heeft met de Amsterdamse vestiging van Manroland. Daarop heeft Verhaag zich geconformeerd aan de bevoegdheid van rechtbank Amsterdam, wat betekent dat de rechtbank het geschil van partijen kan beoordelen. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht ten aanzien van het toepasselijke recht leidt de rechtbank af dat overeenstemming bestaat dat Nederlandse recht wordt toegepast, met uitzondering van het Weens Koopverdrag, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

opschorting

4.2.

Manroland stelt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de CTP- en leveringsovereenkomst effect heeft gesorteerd nu sprake is van verzuim aan de kant van Verhaag. Verhaag heeft zich verweerd door aan te voeren dat zij haar betalingsverplichtingen op grond van de CTP- en leveringsovereenkomst terecht heeft opgeschort zodat geen sprake is van verzuim en de CTP- en leveringsovereenkomst niet ontbonden zijn. De kern van het geschil tussen Manroland en Verhaag in deze procedure gaat aldus over de vraag of Verhaag, na het ontstaan van het drukpersgeschil, haar betalingsverplichtingen onder de CTP- en leveringsovereenkomst gerechtvaardigd mocht opschorten.

4.3.

Op grond van artikel 6:52 lid 1 BW is een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Op grond van lid 2 is sprake van een zodanige samenhang als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.

het bestaan van een opeisbare tegenvordering

4.4.

De vordering waarvoor Verhaag haar betalingsverplichting onder de CTP- en leveringsovereenkomst opschort, is de vordering tot herstel en schadevergoeding die zij heeft op Manroland onder de garantie uit de drukpersovereenkomst. Deze vordering hangt samen met het drukpersgeschil. Tussen partijen is niet in geschil dat schade is ontstaan aan de drukpers. Over de oorzaak van de schade en wie daar de gevolgen van draagt verschillen partijen echter van mening.

4.5.

Verhaag heeft in de andere procedure bij deze rechtbank (zie 2.11) de hiervoor genoemde vordering aanhangig gemaakt. Partijen zijn het er desgevraagd over eens dat in onderhavige procedure geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. De benoeming van een deskundige ligt volgens partijen meer voor de hand in die andere procedure waar het gaat over de garantieverplichtingen van Manroland onder de drukpersovereenkomst.

4.6.

Manroland stelt dat het opschortingsverweer van Verhaag niet opgaat omdat Verhaag geen opeisbare vordering heeft op Manroland uit hoofde van de drukpersovereenkomst en de daarin opgenomen garantieverplichting. Uit het schaderapport van de door haar ingeschakelde expert, [naam schade-expert 1] , volgt dat de oorzaak van de schade aan de drukpers veroorzaakt is door een poetsdoek. Deze zou door een medewerker van Verhaag in de drukpers achtergelaten zijn bij schoonmaakwerkzaamheden. Aldus stelt Manroland dat zij niet aansprakelijk is voor de schade omdat in de VLGA-voorwaarden met betrekking tot de garantie is bepaald dat iedere aansprakelijkheid van de leverancier is uitgesloten bij onjuist of onoordeelkundig gebruik.

4.7.

Verhaag voert aan dat zij wel een opeisbare vordering heeft op Manroland omdat zij voor de schade aan de drukpers terecht een beroep doet op de garantie. Verhaag wijst in dit verband naar het rapport van de door haar ingeschakelde expert, [naam schade-expert 2] . Hierin is geoordeeld dat de schade is ontstaan door een technische oorzaak. Om die reden heeft Verhaag een opeisbare vordering op Manroland op grond van de garantie uit de VLGA-voorwaarden waarvoor zij haar betalingsverplichting terecht heeft opschort.

4.8.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.9.

Indien de rechtbank over een opschortingsverweer dient te beslissen zal zij moeten onderzoeken of de gestelde tegenvordering bestaat en of en in hoeverre deze het beroep op een opschortingsrecht rechtvaardigt. De rechtbank kan hierbij volstaan met het geven van een voorshands oordeel over de tegenvordering, indien bewijslevering of een afzonderlijke procedure moet volgen voordat de tegenvordering vaststaat (vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907).

4.10.

In dit geval is reeds een andere procedure bij deze rechtbank aanhangig (zie 2.11) tussen partijen waar de vraag aan de orde is of de schade aan de drukpers onder de garantie valt of niet. Dit betekent dat in onderhavige procedure volstaan kan worden met een voorshands oordeel. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een vordering tot schadevergoeding opeisbaar is vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Het feit dat de precieze omvang van een vordering nog niet vaststaat, brengt niet mee dat die vordering nog niet opeisbaar is (vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, waarin dit in het kader van een opschortingsverweer is bepaald).

4.11.

Tussen partijen is niet geschil dat er schade is ontstaan aan de drukpers, maar de oorzaak van de schade is tussen partijen in geschil. Beide partijen hebben een of meer rapportages van een door hen zelf ingeschakelde deskundige in het geding gebracht die een tegengesteld antwoord geven op de vraag hoe de schade is ontstaan. De rechtbank acht zich niet voldoende deskundig om te beslissen welke deskundige in zijn conclusie gevolgd moet worden en welke niet. Dat de voorzieningenrechter in kort geding tussen partijen (zie 2.10) heeft geoordeeld dat Manroland het “op zijn minst aannemelijk heeft gemaakt dat een achtergebleven poetsdoek de oorzaak kán zijn geweest van de schade” maakt dit niet anders. Dit oordeel is gegeven in de context van de in dat kort geding voorliggende vordering, namelijk of Manroland bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld kon worden de drukpers te repareren. Bovendien heeft Verhaag onbetwist aangevoerd dat het rapport van de deskundige van Manroland pas kort voor de zitting beschikbaar kwam en heeft de deskundige van Verhaag daar inmiddels op gereageerd met een aanvullende rapport.

4.12.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat Manroland onder de drukpersovereenkomst een garantie heeft gegeven voor een goede werking van de drukpers, zoals ook volgt uit de VGLA-voorwaarden. Manroland heeft een aanspraak onder deze garantie afgeweerd met de stelling dat sprake is van onjuist of onoordeelkundig gebruik (de achtergebleven poetsdoek). Over dat laatste punt (het onjuist of onoordeelkundig gebruik) zijn partijen in discussie. De rechtbank ziet in deze situatie – over de van toepassing zijnde garantie zijn partijen het eens, maar over de uitsluiting daarop niet – aanleiding in het kader van het opschortingsverweer er voorshands vanuit te gaan dat Verhaag een opeisbare tegenvordering heeft op Manroland.

samenhang die opschorting rechtvaardigt

4.13.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van voldoende samenhang tussen de vordering van Manroland tot betaling uit hoofde van de CTP- en leveringsovereenkomst en de tegenvordering van Verhaag uit hoofde van de drukpersovereenkomst om de opschorting te rechtvaardigen. Het vereiste van voldoende samenhang is tweeledig. Er moet in de eerste plaats een bepaalde mate van samenhang zijn tussen de vorderingen over en weer. In de tweede plaats moet, gegeven de mate van samenhang, aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden bezien of déze opschorting gerechtvaardigd is, wat in feite een toepassing is van de algemene maatstaf van redelijkheid en billijkheid.

4.14.

Verhaag stelt, samengevat, dat sprake is van bedoelde samenhang omdat Verhaag zonder aanschaf van de drukpers nooit zou zijn overgegaan tot het sluiten van de CTP- en leveringsovereenkomst, althans niet een leveringsovereenkomst met een dergelijke hoeveelheid offsetplaten.

4.15.

Manroland betwist dit en voert aan dat er onvoldoende inhoudelijke samenhang bestaat. Dit blijkt uit het feit dat de drukpers en de CTP los van elkaar gebruikt kunnen worden en Verhaag de CTP ook nog gebruikt heeft na het stilvallen van de drukpers. Voorts zijn de druppers en de CTP los van elkaar besteld, aldus Manroland.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.17.

Het betoog van Manroland dat de drukpers en de CTP ook los van elkaar gebruikt kunnen worden, sluit samenhang tussen de vorderingen niet uit. Uit de stukken en hetgeen ter comparitie is besproken volgt dat de CTP gebruikt kan worden voor zowel de drukpers (van Manroland) als de reeds bij Verhaag aanwezige oude Komori-drukpers. Het uitvallen van de drukpers heeft Verhaag echter niet volledig kunnen opvangen met deze Komori-drukpers. Bovendien had Verhaag voor de Komori-drukpers al een andere CTP in haar bezit, waardoor de CTP van Manroland, na een overgangsperiode, overbodig werd en zij tot op dit moment kan volstaan met die andere CTP. Dit onderschrijft dat de CTP van Manroland voor Verhaag alleen in combinatie met de drukpers een aanvullende waarde had en dat er nauwe samenhang bestaat tussen de drukpers en de CTP. Ter comparitie is door Verhaag voorts onbetwist gesteld dat de drukpersovereenkomst en CTP- en leveringsovereenkomsten losse overeenkomsten zijn omdat deze tot stand zijn gekomen met twee verschillende afdelingen binnen Manroland, en dat daar een lang voorbereidingsproces aan vooraf is gegaan. Tegen die achtergrond levert het feit dat de offerte voor de CTP dateert van september 2016 en de overeenkomst van de drukpers van december 2016, ofwel dat daar enkele maanden tussen zat, geen argument op voor de conclusie dat er geen sprake is van samenhang. Samenhang blijkt ook uit het akkoord dat partijen op 12 januari 2018 hebben gesloten (zie 2.6). Hierin hebben zij afgesproken dat Manroland, na problemen met de drukpers, aan Verhaag gratis offsetplaten voor de CTP zou leveren en Verhaag betaling van de facturen zou hervatten. In dat geval was er dus voor partijen voldoende aanleiding om de problemen met vorderingen gelijk aan die als in onderhavige procedure aan de orde tezamen op te lossen in een akkoord. Tot slot heeft de rechtbank nog meegewogen dat de opschorting in dit geval proportioneel is (vgl. Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95): De waarde van de tegenvordering waarvoor Verhaag opschort (de schade aan de drukpers) wordt geschat op € 1,1 miljoen en is daarmee aanzienlijk hoger dan de door Manroland gestelde vordering op Verhaag die wordt opschort, zijnde betaling van de facturen met een totaal waarde van € 49.185,84, die slechts deels opeisbaar waren. Deze omstandigheden leiden de rechtbank tot de slotsom dat er voldoende samenhang bestaat tussen de beide vorderingen en Verhaag haar betalingsverplichtingen onder de CTP- en leveringsovereenkomst gerechtvaardigd mocht opschorten.

4.18.

Nu Verhaag haar betalingsverplichting gerechtvaardigd mag opschorten volgt daaruit dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de CTP- en leveringsovereenkomst. Verhaag is als gevolg daarvan niet in verzuim komen te verkeren, zodat de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de buitengerechtelijke ontbinding niet kan worden toegewezen. De vorderingen tot betaling zullen worden afgewezen nu deze uitgaan van verzuim bij Verhaag dan wel een ontbinding van de CTP- en leveringsovereenkomst.

4.19.

Manroland heeft ter comparitie nog aangegeven dat als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat Verhaag zich terecht op een opschortingsrecht beroept de zaak kan worden aangehouden totdat in de andere procedure de deskundige heeft geoordeeld of partijen een regeling hebben gesloten. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding deze zaak aan te houden. Of en wanneer in die andere procedure een deskundige wordt benoemd is onzeker, en bovendien kan met een deskundigentraject de nodige tijd gemoeid zijn zodat een dergelijke aanhouding voor lange tijd zou kunnen zijn. Het met die onzekere vooruitzichten aanhouden van een zaak is in strijd met de goede procesorde, in het bijzonder nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank in staat is het opschortingsverweer te beoordelen zonder de uitkomst van de andere procedure af te wachten.

4.20.

Manroland zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Verhaag worden begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 8.750,00

4.21.

De gevorderde wettelijke rente en nakosten met daarover wettelijke rente worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als bij de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Manroland in de proceskosten, aan de zijde van Verhaag tot op heden begroot op € 8.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Manroland in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Manroland niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door

mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.1

1 type: EvK coll: MK