Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5402

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
C/13/666317 / HA RK 19/165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek niet-ontvankelijk. Behandeling buiten zitting. Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit volgt dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is. Die omstandigheden zijn niet aangevoerd. Ten aanzien van een ander gedaan verzoek is de Wrakingskamer niet bevoegd. Toepassing antimisbruikbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/666317 / HA RK 19/165 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter te Amsterdam.

1 Verloop van de procedure

De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van het door verzoekster op 8 mei 2019 ingediende verzoek tot wraking met bijlagen.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.

Bij de rechtbank is onder zaaknummer 7439005 CV EXPL 19-29 een procedure aanhangig waarbij verzoekster de eisende partij is. De zaak staat op de rol van 20 mei 2019 voor het nemen van een conclusie van repliek. De zaak is in behandeling bij mr. M.E.B. Terwee.

2.2.

In artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

2.3.

Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit volgt dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

2.4.

Dergelijke concrete feiten en omstandigheden zijn niet aangevoerd. In het verzoek, wordt -samengevat- als grondslag¹ slechts een beschrijving gegeven van het verloop van de hoofdprocedure tot op het moment van indiening van het verzoek (de data van de gehouden rolzittingen en welke conclusies zijn ingediend), wordt medegedeeld dat de wederpartij zich niet bereidwillig toont om de zaak

onderling op te lossen en wordt verzocht om verwijzing van de aanhangige rechtszaak naar een ander gerecht. Dit zijn geen concrete feiten of omstandigheden, die de rechter betreffen en waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster zou kunnen blijken. Bij gebreke van dergelijke feiten dient verzoekster aanstonds niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek te worden verklaard. De mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.

2.5.

Het verzoek om de behandeling van een zaak te verwijzen naar een ander gerecht dan de rechtbank Amsterdam kan niet door de Wrakingskamer worden behandeld. De Wrakingskamer is niet bevoegd een procedure in de hoofdzaak te verwijzen naar een andere rechtbank.

2.6.

Omdat door verzoekster het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder kenbare relevante grondslag, is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoekster niet in behandeling wordt genomen.

2.7.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

 verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;

 verklaart zich onbevoegd te beslissen op het verzoek om de hoofdprocedure te verwijzen naar een ander gerecht;

 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoekster niet meer in behandeling zal worden genomen;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer 7439005 CV EXPL 19-29 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

¹ “REDENEN van mijn verzoek tot WRAKING van

Kantonrechter, mevrouw mr. M.E.B. Terwee, teams kanton afdeling

privaatrecht van RECHTBANK AMSTERDAM:

In navolging van de schorsing van procedure zaaknummer: 7439005 CV EXPL 19

-29 d.d. 22 februari 2019. Wegens ambtsmisdrijven art.510/ ambtschendingen.

Waaronder onder anderen; het verdraaien van mij,

als Eisende Partij in gedaagde partij!

Desondanks, blijft KANTONRECHTER mevrouw mr. M.E.B. Terwee iedere ker

wederom de data’s met TIJDSTIP op 10.00 uur zetten.

Verwijzend naar rolzittingen met data’s:

Maandag 07 januari 2019 om 11.00 uur

Maandag 04 maart 2019 o 10.00 uur, CONCLUSIE van ANTWOORD van

mr.H.M.G. Brunklaus

Maandag 18 maart 2019 om 10.00 uur, VONNIS van Kantonrechter

mevrouw mr.M.E.B. TERWEE. Ref. productie brief met onderwerp: VONNIS

datum 18 maart 2019*

Maandag 15 april 2019 om 10.00, mijn CONCLUSIE van REPLIEK (

procederend in persoon)

A.s. rolzitting, Maandag 20 mei 2019 om 10.00uur, gedaagde partij hoeft alleen maar antwoord in te dienen.

Ref. productie bladzijde U.

Email van [ ]

Hetgeen geschied door wederom mij (= [ ]) als

EISENDE PARTIJ, op rolzitting om te zetten in de gedaagde Partij.

Tevens verwijzend naar Hoofdstuk/Epsitel ingebonden

met datum 07 februari 2019 aan de Hoge Raad der Nederlanden.

In Correlatie met dat de gedaagde partij, gemachtigde mevrouw mr. H.M.G.

Brunklaus, enkel en alleen, als reactie op mijn CONCLUSIE van REPLIEK

alleen een antwoord, mag indienen.

Hetgeen, betekend een AKTE van antwoord (een korte reactie, dus)

Terwijl, gebruikelijk, en normaalliter, de gedaagde partij, na een conclusie

van REPLIEK, een CONCLUSIE van DUPLIEK, dient in te dienen.

In dit geval, op woensdag 15 mei 2019 voor 10.00 uur bij RECHTBANK

AMSTERDAM. Verwijzend naar wederom productie bladzijde U.

Of anderzijds tijdens de rolzitting op maandag 20 mei 2019 om 10.00 uur,

indienen.

Verwijzend naar productie bladzijde twee van het VONNIS, door

Kantonrechter mevrouw mr.M.E.B. Terwee, teamskanton,

afdeling privaatrecht van RECHTBANK AMSTERDAM.

Ik citeer uit bladzijde twee, het volgende:

“De door de eisende party in te dienen, moeten in tweevoud op de

rolzitting aanwezig zijn”.

“Na afloop van de zitting worden de ingediende stukken aan de gedaagde

partij toegestuurd met mededeling wanneer uiterlijk op de stukken kan

worden gereageerd.”

Mijn Conclusie van REPLIEK, d.d. rolzitting 15 april 2019 om 10.00 uur

Heb ik, ingediend in tweevoud.

Verwijzend naar productie bladzijde X.

Zoals het behoort te zijn;

Een examplaar voor kantonrechter teams kanton, afdeling Privaatrecht.

Een examplaar voor griffier van Kantonrechter.

De partijdigheid van deze kantonrechter mevrouw mr. M.E.B. Terwee, ligt

ook verscholen in dit citaat:” Na afloop, van de zittting worden de

ingediende stukken aan de gedaagde partij toegestuurd.” DIT HOORT NIET!

Verwijzend naar producties bladzijde’ s Q en bladzijde R.

En bladzijde W.

Tevens verwijzend naar productie op bladzijde 256 en bladzijde 263.

En productie bladzijde X.

VONNIS d.d. 18 maart 2019,

Hoort in de KOP, te staan in dit geval datum 18 maart 2019,

TUSSENVONNIS!

Ook dit klopt niet, verwijzend naar afschrift d.d. 18 maart 2019 met titel:

VONNIS.

CAUSAAL VERBAND met dat Stichting Ymere zich tot heden, ook

helemaal NIET bereidwillig toont, om deze zaak onderling op te lossen.

 ZONDER reden, bovendien mijn eerlijke minnelijke voorstel afwijst.

Verwijzend naar productie bladzijde S en Bladzijde T.

 En productie bladzijde Q en R.

MIJN CONCLUSIE:

Procederend in persoon, wordt het mij, vrijwel onmogelijk gemaakt,

gerechtigheid te bekomen in zaaknummer: 7439005 CV EXPL 19-29

Doordat er geen sprake is van een eerlijke procesgang. Evident aan de

Partijdigheid en vooringenomenheid van Kantonrechter mevrouw

mr.M.E.B. Terwee en het teams Kanton, afdeling Privaatrecht van

RECHTBANK AMSTERDAM.

(.....)

KANTONRECHTER mevrouw mr.M.E.B. TERWEE, weigert uit zichzelf van

deze zaak te verwijderen.Ref. productie bladzijde 266 en 267.

Allesoverwegend,vind Ik, dat de Wrakingskamer, deze zaak met

zaaknummer: 7439005 CV EXPL 19-29

 Kantonrechter mevrouw mr.M.E.B. Terwee, van deze zaak dient te

verwijderen.

 Of anderzijds, deze zaak met nummer: 7439005 CV EXPL 19-29 naar een

ander GERECHT dan RECHTBANK AMSTERDAM, dient te verwijzen.

 Om aan mij, als Eisende partij, procederend in persoon, een eerlijk, onpartijdige proces te garanderen.”