Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5391

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
26-07-2019
Zaaknummer
C/13/653033 / HA ZA 18-857
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een bijna honderdjarige vrouw was wel degelijk in staat haar wil te bepalen bij een testamentswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/240
ERF-Updates.nl 2019-0186
NJF 2019/430
Prg. 2019/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/653033 / HA ZA 18-857

Vonnis van 24 juli 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.V. van Campen te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.H. van den Berg te Zeist.

Partijen zullen gezamenlijk hierna [eiser c.s.] en [gedaagde c.s.] (beide in enkelvoud) worden genoemd. Afzonderlijk worden partijen bij hun voornaam genoemd, te weten [eiser 1] en [eiser 2] (eisers) en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] (gedaagden).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 22 en 23 mei 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 13 februari 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn kinderen van mevrouw [naam erflaatster] (hierna: erflaatster). [eiser 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn kleinkinderen van erflaatster.

2.2.

Bij testament d.d. 16 november 2009 heeft erflaatster [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [eiser 2] voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd. Tevens heeft zij aan [gedaagde 3] en [gedaagde 4] een bedrag gelegateerd ter hoogte van de waarde van het erfdeel waartoe zij gerechtigd zouden zijn geweest indien erflaatster niet bij testament over haar nalatenschap zou hebben beschikt. Aan haar kleinkinderen (met uitzondering van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ) heeft zij een bedrag van € 10.000,00 gelegateerd.

2.3.

Bij testament d.d. 13 september 2010 heeft erflaatster de hiervoor genoemde legaten aan [gedaagde 3] en [gedaagde 4] herroepen en heeft zij aan hen een bedrag gelegateerd ter hoogte van de waarde van de nalatenschap waarop zij als legitimaris aanspraak kunnen maken.

2.4.

Bij testament d.d. 12 juli 2012 heeft erflaatster in aanvulling op haar eerdere testamenten Stichting Executele Hermans & Schuttevaer Notarissen tot executeur van haar nalatenschap benoemd.

2.5.

Vanaf omstreeks mei of juni 2016 heeft [gedaagde 1] de financiële administratie van erflaatster geregeld. Daarvoor (vanaf 2009) werd erflaatster daarmee geholpen door [eiser 1] .

2.6.

In een brief van 28 juni 2016 heeft Rabobank aan erflaatster bericht dat een tweetal door erflaatster betwiste transacties uit 2014, waaronder een kasopname van € 25.000 op 31 juli 2014, door erflaatster zelf zijn ondertekend, zodat deze transacties niet worden teruggedraaid. In de brief heeft Rabobank verder aan erflaatster aangeraden om een volmacht te regelen voor één van de kinderen of om aan hun gezamenlijk een volmacht te geven.

2.7.

Op 26 juli 2016 heeft kandidaat-notaris mr. S.M. Vermeulen (hierna: de kandidaat-notaris) erflaatster bezocht en met haar gesproken over haar wens om een levenstestament op te stellen. Vervolgens heeft erflaatster op 19 augustus 2016 in aanwezigheid van onder andere notaris mr. M.E. van der Pluijm (hierna: de notaris) en de kandidaat-notaris op het notariskantoor haar levenstestament ondertekend. Tijdens de afspraak op 19 augustus 2016 is tevens gesproken over het wijzigen van het testament van erflaatster.

2.8.

Bij testament d.d. 15 september 2016 heeft erflaatster al haar eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroepen. Verder heeft zij [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [eiser 2] benoemd tot erfgenamen voor ieder een vierde deel van haar nalatenschap. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] heeft zij benoemd tot erfgenamen voor ieder een achtste deel van haar nalatenschap. Aan haar kleinkinderen (met uitzondering van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als erfgenamen, en met uitzondering van [eiser 1] “(…) omdat hij reeds tijdens mijn leven een schenking heeft ontvangen (…)”) heeft erflaatster een bedrag gelegateerd van € 10.000,00 euro. Tevens heeft zij [gedaagde 1] tot executeur van haar nalatenschap benoemd.

2.9.

In het kader van een nog in te dienen verzoek tot onderbewindstelling heeft de heer J.P. Scholten, specialist ouderengeneeskunde, (hierna: de arts) op verzoek van [eiser c.s.] op 10 november 2016 een bezoek gebracht aan erflaatster. Naar aanleiding daarvan heeft hij een geneeskundige verklaring afgelegd, die luidt als volgt:

“(…)

Onderwerp Geneeskundige verklaring ten behoeve van een verzoek tot onderbewindstelling

(…)

De volgende onderzoeken zijn verricht:

Oriënterend onderzoek cognitie, communicatie en mobiliteit. Beoordeling inzicht en besluitvaardigheid.

Bevindingen

Er zijn enige cognitieve stoornissen aanwezig welke passen bij de leeftijd van 99 jaar. Verder zijn er ernstige visus en gehoorstoornissen aanwezig. Lezen is niet mogelijk. Er is desoriëntatie in tijd en enige apathie en onverschilligheid. Trekt zich vaker terug op haar appartement. Door visus stoornissen is schrijven niet goed mogelijk. Complexe taken waaronder de financiën beheren, organiseren en plannen kunnen niet zelfstandig worden uitgevoerd.

(…)

Conclusie

Op basis van de geconstateerde stoornissen / beperkingen ben ik dan ook van mening dat mw [naam erflaatster] beperkt wordt en niet voldoende in staat wordt geacht om haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig naar behoren te kunnen behartigen.

(…)”

2.10.

Op 5 december 2016 heeft [eiser 2] bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek tot onderbewindstelling ingediend, waarbij zij heeft verzocht dat zij tot bewindvoerster zou worden benoemd over alle goederen van erflaatster. Erflaatster is overleden voordat dit verzoek ter zitting is behandeld.

2.11.

Op 18 december 2016 is erflaatster 100 jaar geworden. Haar verjaardagsfeest heeft zij twee dagen later met haar familie gevierd. De Nieuwsbode, een lokale krant, heeft ter ere van erflaatsters verjaardagsfeest een artikel aan haar gewijd dat, voor zover hier relevant, luidt als volgt:

“(…) Ze kan het allemaal goed zelf vertellen. Het geheugen van mevrouw [naam erflaatster] is in orde, de hulp van haar zoon, dochter en schoondochter heeft ze niet echt nodig. (…)”

2.12.

Op 23 januari 2017 is erflaatster overleden.

2.13.

Bij brief van 25 januari 2017 hebben [eiser 1] en [eiser 2] , bij monde van hun toenmalige advocaat, aan de notaris verzocht om te verklaren dat het testament d.d. 15 september 2016 nietig is of, indien de notaris zich op het standpunt zou stellen dat het genoemde testament gelding heeft, gemotiveerd aan te geven hoe zij de wilsbekwaamheid van erflaatster – al dan niet na raadpleging van een medisch deskundige – heeft gecontroleerd.

2.14.

De notaris heeft bij brief van 23 februari 2017, voor zover hier relevant, op dit verzoek als volgt geantwoord:

“(…) Samen met een collega (…) heb ik met mevrouw gesproken over de inhoud van de regeling die zij tot dan toe had en wat zij wilde aanpassen. Wij hebben dit rustig en uitvoerig met mevrouw [naam erflaatster] besproken. Zonder de inhoudelijke redengeving te noemen (…) vermeld ik dat mevrouw [naam erflaatster] hier stellig en consistent in was.

Op 15 september heb ik met dezelfde kandidaat-notaris mevrouw [naam erflaatster] thuis bezocht voor de ondertekening van haar nieuwe testament. De heer [gedaagde 1] , via wie de afspraak was gepland, heeft ons ontvangen en heeft daarna het appartement verlaten. Vervolgens hebben mijn collega en ik met mevrouw [naam erflaatster] het testament uitgebreid doorgenomen. We hebben daarbij open controlevragen gesteld.

(…)

Zoals vermeld zijn bij beide afspraken met mevrouw [naam erflaatster] twee personen van ons kantoor aanwezig geweest, ook dit uit zorgvuldigheid. Beide gesprekken gaven geen aanleiding om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van mevrouw [naam erflaatster] en dus ook niet om een medisch deskundige te raadplegen op dit punt. (…)”

2.15.

Naar aanleiding van een verzoek van [eiser 1] is op 2 mei 2018 voor de rechtbank Midden-Nederland een voorlopig getuigenverhoor gehouden waarbij de notaris, de kandidaat-notaris en de heer [naam neef] (hierna: neef [naam neef] ) als getuigen zijn gehoord. De door hun afgelegde verklaringen, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal, luiden voor zover hier relevant als volgt:

“(…)

Maria Elisabeth van der Pluijm (…) verklaart

(…)

6. Ik heb de wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het passeren van het levenstestament vastgesteld, zoals gebruikelijk, door vragen te stellen aan cliënt. Dat waren open controle-vragen, check-vragen. De check wordt dan opgevolgd door terug te vragen. Ik kan daar nu geen concreet voorbeeld van noemen, maar ik heb daar wel ervaring mee. Mijn conclusie was dat mevrouw wilsbekwaam was. Ik heb niet overwogen om medische informatie in te winnen, ik zag daar geen aanleiding toe. Er waren indicatoren aanwezig uit het Stappenplan Wilsbekwaamheid. Deze indicatoren gaven mij een reden tot extra zorgvuldigheid bij het beoordelen van wilsbekwaamheid. De indicatoren zagen op het feit dat iemand anders het contact heeft gelegd, dat mevrouw op leeftijd was en wellicht nog andere indicatoren.

(…)

15. Ik ben bekend met de aanbeveling van de KNB om de stappen gezet in het kader van de wilsbekwaamheid vast te leggen. (…) er staat een stukje inhoudelijke redengeving in het testament zelf. Daarmee bedoel ik dat in het testament een redengeving staat bij de legaten.

(…)

Sarah Marije Vermeulen (…) verklaart:

(…)

3. Ik heb getoetst of mevrouw wilsbekwaam was. De inhoud daarvan reken ik tot mijn geheimhouding, maar ik verwijs naar het stappenplan en naar de brief van mijn collega, mevrouw van der Pluijm. Dat is de brief van 23 februari 2017.

(…)

[naam neef] (…) verklaart

(…)

8. Wat mij betreft kon zij niet meer duidelijk maken wat ze wilde. Er kwamen geen gesprekken meer tot stand. In mijn beeld was ze ‘op’, de energie ontbrak. In mijn beeld was het enige wat haar bezig hield het behalen van haar honderdste verjaardag. Zij kon zich goed bij elkaar rapen en dan weer de dame zijn. Zo hield zij op haar honderdste verjaardag nog een speech. Zij is op 18 december 2016 honderd geworden.

(…)”

2.16.

Op 7 mei 2018 heeft neef [naam neef] aan [gedaagde 1] het volgende e-mailbericht verstuurd:

“Ik heb haar week in week uit meegemaakt en heb gezien dat alle levendigheid, energie en wilskracht verdwenen was. Ze heeft zich ongetwijfeld bij moment bijeen kunnen rapen, zoals bij de voor haar zo belangrijke 100ste verjaardag. Toen je moeder met [eiser 1] in 2009 haar testament geregeld had, waren er voor haar, zoals ze mij toen vertelde, twee belangrijke zaken daarmee geregeld.

Als eerste noemende ze dat de executie van haar testament bij de notaris zou liggen. Dat moest voorkomen dat na haar overlijden de al bestaande slechte relatie tussen haar kinderen zou escaleren. Het tweede wat ze van belang vond was dat haar achterkleinkinderen in haar testament opgenomen waren. Daarmee was voor haar een aandenken vastgelegd aan hun overgrootmoeder en dat voelde heel goed voor haar. (…)”

2.17.

Bij beschikking van 9 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland aan [eiser 1] en [eiser 2] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op alle gelden c.q. geldswaarden op de bankrekeningen van erflaatster bij Rabobank voor een bedrag van € 123.500,00.

2.18.

Op enig moment heeft [eiser 1] tegen de notaris een tuchtklacht ingediend bij de Kamer voor het Notariaat. Deze tuchtklacht is ongegrond verklaard, aangezien de Kamer voor het Notariaat vaststelde dat de notaris de eerste stappen uit het ‘Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening’ (hierna: het Stappenplan) van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie heeft gevolgd en de notaris daarop concludeerde dat erflaatster in staat was haar wil te bepalen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser c.s.] vordert – samengevat – primair een verklaring voor recht dat het testament d.d. 15 september 2016 van erflaatster nietig is op grond van artikel 3:34 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en subsidiair een verklaring voor recht dat de uitvoering van het testament d.d. 15 september 2016 van erflaatster naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast vordert [eiser c.s.] dat [gedaagde c.s.] wordt veroordeeld in de proceskosten – waaronder mede vallen de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en van het conservatoir beslag – vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dit vonnis en met de nakosten.

3.2.

[eiser c.s.] legt aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat erflaatster op 15 september 2016 niet meer in staat was haar wil te bepalen. Op grond van het Stappenplan had de notaris het testament d.d. 15 september 2016 niet mogen passeren zonder een indicerend arts in te schakelen. Erflaatster was op die datum bijna 100 jaar oud en kon niet meer goed zien en horen. Ook mentaal was zij sterk achteruit gegaan. De eigen waarneming van [eiser c.s.] wordt bevestigd in de tijdens het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen van neef [naam neef] , de notaris en de kandidaat-notaris. Daarnaast heeft de arts in zijn geneeskundige verklaring d.d. 10 november 2016 vastgesteld dat erflaatster niet meer in staat was om haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig naar behoren te behartigen. Ook uit de brief van de Rabobank d.d. 28 juni 2016 blijkt dat erflaatster aan geheugenverlies leed. Dat erflaatster niet meer in staat was haar wil te bepalen wordt bovendien zichtbaar in feit dat het testament d.d. 15 september 2016 ingrijpend afwijkt van de eerdere testamenten van erflaatster, aldus steeds [eiser c.s.]

3.3.

[gedaagde c.s.] voert verweer en betwist dat erflaatster op 15 september 2016 niet meer in staat was haar wil te bepalen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat erflaatster het testament d.d. 15 september 2016 persoonlijk en in bijzijn van de notaris en de kandidaat-notaris heeft ondertekend. De kern van het geschil ziet op de vraag of erflaatster wilsbekwaam was ten tijde van het opmaken en het passeren van haar testament op 15 september 2016.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het opmaken van een testament een eenzijdige en ongerichte rechtshandeling betreft. Een dergelijke rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil van de erflaatster die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Indien de erflaatster iets heeft verklaard terwijl haar geestvermogens blijvend of tijdelijk waren gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een zodanig ontbreken van de wil heeft tot gevolg dat het testament nietig is, zo volgt uit artikel 3:34 lid 1 en 2 BW.

4.3.

Ingevolge de hoofdregel van bewijslastverdeling rust op [eiser c.s.] – die zich immers op de rechtsgevolgen van de gestelde nietigheid beroept – de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van erflaatster ten tijde van het opmaken en het passeren van het testament d.d. 15 september 2016. Dit brengt met zich dat [eiser c.s.] voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren (en, bij voldoende betwisting, dient te bewijzen) die (kunnen) leiden tot de vaststelling van de gestelde stoornis en tot de conclusie dat die stoornis een redelijke waardering van de bij het maken van het testament betrokken belangen belette, of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament onder invloed van die stoornis is gedaan. Bij de beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden van belang zijn die zijn voorafgegaan aan of zijn gevolgd op het passeren van het testament.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat erflaatster ten tijde van het maken van het testament d.d. 15 september 2016 leed aan een geestelijke stoornis. Er bestond evenmin reden voor de notaris om de akte niet te passeren zonder een medische opinie over de geestestoestand van erflaatster. Gelet op hetgeen [eiser c.s.] heeft gesteld is er voor nadere bewijslevering geen plaats. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Aan dit oordeel liggen met name de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag.

4.5.

De notaris en kandidaat-notaris hebben, zo hebben zij eerst per brief en later als getuige onder ede verklaard, steeds met enkele weken tussenpauze drie maal uitgebreid met erflaatster gesproken naar aanleiding van erflaatsters wens om een (levens-)testament op te maken. Vanwege de hoge leeftijd van erflaatster en het feit dat de afspraak voor het opmaken van het levenstestament niet door haarzelf was gemaakt, hebben de notarissen daarbij het Stappenplan gevolgd en middels vragen en controlevragen getoetst en uiteindelijk vastgesteld dat erflaatster wilsbekwaam was.

4.6.

Daarnaast heeft – de door [eiser c.s.] zelf aangebrachte getuige – neef [naam neef] weliswaar verklaard dat hij erflaatster week in week uit meemaakte en waarnam dat haar levendigheid, energie en wilskracht verdwenen waren, maar hij verklaarde ook dat erflaatster zich desalniettemin bij momenten bijeen kon rapen zoals bij de voor haar zo belangrijke honderdste verjaardag. Niet in geschil is dat erflaatster haar verjaardagsfeest, dat plaatshad drie maanden na het opmaken van het bestreden testament, zelf heeft georganiseerd, van horecagelegenheid tot uitnodigingen, en dat zij op haar feest een door haar zelf geschreven rede heeft uitgesproken. De lokale krant heeft van het feest verslag gedaan en vermeldde dat erflaatster alles goed zelf kon vertellen, dat haar geheugen in orde was en dat zij de hulp van haar kinderen niet echt nodig had.

4.7.

Tevens beroept [eiser c.s.] zich op de geneeskundige verklaring van de arts, waaruit zou blijken dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het bestreden testament wilsonbekwaam was. Daarover heeft [gedaagde c.s.] terecht opgemerkt dat hij erflaatster een maand voor haar verjaardag heeft bezocht, oftewel bijna twee maanden na het opmaken van het bestreden testament. Bovendien bezocht de arts erflaatster specifiek in verband met een “Oriënterend onderzoek cognitie, communicatie en mobiliteit. Beoordeling inzicht en besluitvaardigheid" en: “ten behoeve van een verzoek tot onderbewindstelling” (dat van [eiser c.s.] afkomstig was). Nog daargelaten dat bevindingen uit november niet van toepassing hoeven te zijn op een toestand in september, heeft de arts niets opgeschreven waaruit blijkt dat erflaatster ten tijde van zijn bezoek dan wel eerder leed aan een geestelijke stoornis waardoor zij niet in staat was haar wil te bepalen. Over inzicht en besluitvaardigheid heeft hij zich niet uitgelaten. Hij heeft enkel geschreven dat erflaatster, als gevolg van enige bij haar leeftijd passende cognitieve stoornissen plus ernstige visus- en gehoorstoornissen, op 10 november 2016 niet voldoende in staat werd geacht haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig naar behoren te kunnen behartigen. Het Stappenplan legt weliswaar de connectie tussen inzicht en besluitvaardigheid enerzijds en cognitieve achteruitgang anderzijds, maar uit de verklaring van de arts komt niet, of in ieder geval onvoldoende, naar voren dat hij met zijn verklaring heeft gedacht aan inzicht en besluitvaardigheid.

4.8.

Ten aanzien van de gewijzigde inhoud van het testament d.d. 15 september 2016 in vergelijking met de eerdere testamenten van erflaatster geldt het volgende. In dit testament staat uitgelegd waarom [eiser 1] , anders dan de andere kleinkinderen, geen € 10.000,00 gelegateerd kreeg, namelijk omdat hij, eveneens anders dan de andere kleinkinderen, al bij leven geld van erflaatster had ontvangen. [eiser c.s.] heeft dit standpunt weliswaar ter zitting (voor het eerst) betwist, maar niet dat er ten tijde van de betrokkenheid van [eiser 1] bij de financiën van erflaatster diverse opmerkelijke transacties hebben plaatsgehad.

4.9.

Tot slot kan de rechtbank de uitleg van [eiser c.s.] van de brief van de Rabobank d.d. 28 juni 2016, namelijk dat erflaatster blijkens deze brief in de periode daaraan voorafgaand al aan geheugenverlies leed, niet volgen. Het feit dat de Kamer voor het Notariaat de tuchtklacht (te weten de klacht dat het bestreden testament niet had mogen worden gepasseerd) tegen de notaris heeft afgewezen, sterkt het oordeel van de rechtbank daarin. Ook hetgeen [eiser c.s.] verder naar voren heeft gebracht kan niet leiden tot het oordeel dat erflaatster leed aan een geestelijke stoornis. Maar zelfs als er van uit zou moeten worden uitgegaan dat zij daar wel aan leed, dan betekent dat nog niet dat zij niet of onvoldoende in staat was om te bepalen hoe zij wilde dat haar nalatenschap na haar dood zou worden verdeeld. Aan de eisen die in artikel 3:34 lid 1 BW aan nietigheid van het testament worden gesteld is dus niet voldaan. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.

4.10.

Subsidiair stelt [eiser c.s.] zich op het standpunt dat de geestelijke stoornis van erflaatster in combinatie met de omstandigheden rondom de totstandkoming van het testament ertoe moet leiden dat [gedaagde c.s.] , gelet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, geen rechten aan het testament d.d. 15 september 2016 kan ontlenen. Dit betoog faalt alleen al omdat zojuist is overwogen dat erflaatster niet leed aan een geestelijke stoornis. Op grond van welke omstandigheden [gedaagde c.s.] aan het testament d.d. 15 september 2016 geen rechten zou kunnen ontlenen, valt niet in te zien. Ook de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen. Het testament d.d. 15 september 2016 blijft dus in stand en [gedaagde c.s.] kan daar rechten aan ontlenen.

4.11.

De rechtbank begrijpt de conclusie van antwoord van [gedaagde c.s.] aldus dat zij verzoekt dat [eiser c.s.] het gelegde beslag op de bankrekeningen van erflaatster, thans de ervenrekeningen, zal moeten opheffen, met vergoeding door [eiser c.s.] van de kosten die door [gedaagde c.s.] ten gevolge van het beslag zijn gemaakt. [gedaagde c.s.] heeft daartoe geen vordering in reconventie ingesteld, wat aan toewijzing van dit verzoek in de weg staat. Feitelijk maakt dat voor de opheffing van de beslagen geen verschil. Op grond van artikel 704 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering leidt het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis van rechtswege tot de opheffing van de conservatoire beslagen die door [eiser c.s.] in het kader van deze procedure zijn gelegd.

4.12.

[eiser c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de onderhavige procedure en van het voorlopig getuigenverhoor worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris gemachtigde 1.629,00 (3 × tarief € 543,00)

Totaal € 1.920,00

De nakosten en de wettelijke rente over de hierboven genoemde proceskosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde c.s.] tot op heden begroot op € 1.920,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiser c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, te begroten op een bedrag van € 157,00, en te verhogen met een bedrag van € 82,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiser c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.