Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5343

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
13/665517-15 (13Majesty)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oud-medewerkster van Cordaan veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor het dwingen van cliënten tot afgifte van onder andere pinpassen en geld en diefstal en verduistering van geld van cliënten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665517-15 (13Majesty)

Datum uitspraak: 23 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 26 en 27 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Bosman en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. W.A. Monster naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. Op zitting zijn deze vorderingen toegelicht door de advocaat van de benadeelden, mr. W. van Egmond. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaringen die de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] op zitting hebben afgelegd en van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] die voorafgaand aan de zitting op beeld zijn vastgelegd en op de zitting zijn afgespeeld.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – kort samengevat van beschuldigd dat zij zich in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 16 juni 2013 in Amsterdam en/of Purmerend heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van dwang, te weten dat zij samen met een collega cliënten van [naam instelling] wederrechtelijk heeft gedwongen bankpassen, pincodes, ID-kaarten en geld af te geven en geld te pinnen van rekeningen van andere cliënten;

2. medeplegen van diefstal van ongeveer 251.573,11 euro van cliënten van [naam instelling] subsidiair het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking van dat geldbedrag;

3. medeplegen van verduistering in dienstbetrekking van een grasmaaier en/of een verticuteermachine toebehorende aan Cordaan;

4. medeplegen van valsheid in geschrift door fictieve aankopen op bonnen te vermelden en valse handtekeningen op die bonnen te zetten en/of laten zetten.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

[naam instelling] was een zorginstelling die onderdeel uitmaakte van Stichting Cordaan (hierna: Cordaan). Het was een steunpunt waar cliënten dagbesteding ontvingen. Cordaan richt zich op mensen die korte of lange tijd verpleging, verzorging, begeleiding en/of ondersteuning nodig hebben. De groep cliënten van [naam instelling] bestond uit kwetsbare personen met psychische problemen, met een handicap bestaande uit beperkingen van verstandelijke, psychische en/of sociale aard, een laag IQ, (ex) drugs- en alcoholverslaafden en personen met moeilijk te begrijpen gedrag en soortgelijke problematiek.

In de loop van het jaar 2013 kwamen er bij Cordaan diverse klachten binnen van cliënten van [naam instelling] . Deze klachten waren in het bijzonder gericht op de gedragingen van twee begeleidsters, te weten verdachte en [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

De klachten hielden in dat door verdachte en [naam 1] een onveilige en intimiderende omgeving was gecreëerd in ‘de [naam instelling] ’ door cliënten – kort gezegd – te straffen, bedreigen, kleineren, vernederen en fysiek geweld tegen ze te gebruiken, vaak in het bijzijn van andere cliënten. Die onveilige en intimiderende omgeving zou vanaf 2009 zijn ontstaan en in de loop der tijd erger zijn geworden.

Deze klachten werden door verdachte tijdens haar eerste politieverhoor ontkend. In de loop der tijd is haar procespositie veranderd en op zitting heeft verdachte de beschuldigingen grotendeels bekend en gezegd dat zij destijds de gevolgen van haar handelen niet inzag. Zij erkent dat de sfeer op de groep vanaf 2009 is veranderd en steeds meer intimiderend werd. Ze heeft cliënten echter niet gedwongen hun pinpas af te geven. Ook heeft zij verklaard dat zij geld van de rekeningen van cliënten opnam of liet opnemen en dit in de kluis, en later in haar auto bewaarde. Dit geld werd gebruikt als gemeenschappelijke pot voor de groep cliënten en werd onder andere benut ten behoeve van cliënten die financieel minder goed konden rondkomen. Ze heeft ook geld van cliënten voor zichzelf gebruikt, maar dat betreft volgens verdachte een veel lager bedrag dan waarover in de beschuldiging wordt gesproken.

Verdachte erkent dat zij samen met [naam 1] een grasmaaier en verticuteermachine van Cordaan via Marktplaats heeft verkocht. Verder zegt zij nog dat het zou kunnen dat zij bonnen heeft gemaakt en ondertekend op naam van cliënten.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – zoals opgenomen in haar op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 (diefstal en verduistering), 3 en 4 bewezen kunnen worden. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Feit 1

De cliënten van [naam instelling] waren kwetsbare personen die aan de zorg van verdachte en [naam 1] waren toevertrouwd en daarvan afhankelijk waren. Verdachte en [naam 1] hebben de cliënten tijdens de begeleiding gestraft, bedreigd, gekleineerd en vernederd. Al deze factoren hebben ertoe geleid dat in [naam instelling] een onveilige en intimiderende omgeving is ontstaan. Onder die omstandigheden moesten de cliënten hun pinpas, ID-kaart, paspoort en/of geldbedragen afgeven. [benadeelde partij 3] moest met de ingenomen pinpassen ook geldbedragen opnemen. De cliënten waren in die onveilige en intimiderende omgeving niet weerbaar genoeg om dit te weigeren. Het afgeven van deze voorwerpen gebeurde dan ook onder dwang, omdat de cliënten niet wilden dat dit onder deze omstandigheden gebeurde. Door de cliënten onder deze omstandigheden de passen te laten afgeven heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat die cliënten de passen niet vrijwillig afgaven. Met andere woorden: er was sprake van voorwaardelijk opzet. De reden dat de cliënten deze voorwerpen onvrijwillig, met andere woorden onder dwang, hebben afgegeven is de overwichtspositie van verdachte en de psychische druk die de cliënten ervoeren. Er was dus een causaal verband. Zowel verdachte als [naam 1] en de cliënten hebben verklaard dat verdachte en [naam 1] steeds samen handelden. Daarom is sprake van medeplegen.

Feit 2

Voor zover wordt bewezen dat de cliënten hun pinpas en geld onder dwang hebben afgegeven, betekent dit dat verdachte en [naam 1] dat geld niet rechtmatig onder zich hebben gehad. In dat geval is sprake geweest van diefstal; als zij dat geld wel rechtmatig onder zich hadden, was sprake van verduistering in dienstbetrekking. Bij de beoordeling of sprake is van diefstal of verduistering in dienstbetrekking heeft de officier van justitie onderscheid gemaakt tussen acht categorieën van wegnemingshandelingen.

Voor zover het geld door of in opdracht van verdachte en [naam 1] is opgenomen met pinpassen die onder dwang zijn afgegeven (1) moet worden vastgesteld dat dit geld wederrechtelijk is verkregen. Daarom is sprake van diefstal. Diezelfde conclusie geldt voor zover het geld door of in opdracht van verdachte en [naam 1] is overgeboekt met pinpassen die onder dwang zijn afgegeven (2) en het geld dat onder dwang is afgegeven, omdat cliënten zich onder druk voelden staan (3). Verdachte en [naam 1] hebben ook geld van cliënten over de groep herverdeeld. Ten aanzien van het herverdeelde geld onder categorie 1 tot en met 3 (4) hebben verdachte en [naam 1] daarover beschikt als heer en meester. Daarmee hebben ze zich schuldig gemaakt aan diefstal. Het bestellen van goederen door of in opdracht van verdachte en [naam 1] middels de bankrekening van anderen (5) is ook diefstal, net als het geld dat verdachte voor zichzelf heeft gebruikt (6). Verdachte en [naam 1] ontvingen als begeleidsters ook geld van Cordaan voor de cliënten, namelijk leef-, voeding- en zakgeld. Dat geld hadden zij rechtmatig onder zich. Voor zover ze dat geld over de groep hebben herverdeeld (7) en voor zichzelf hebben gebruikt (8) is sprake van wederrechtelijke toe-eigening en leidt dat tot verduistering in dienstbetrekking. Voor zowel de bewezen diefstal en verduistering in dienstbetrekking heeft de officier van justitie gevorderd te komen tot de bewezenverklaring van ‘een geldbedrag’, omdat het exacte bedrag niet kan worden vastgesteld. Al deze feiten heeft verdachte samen met [naam 1] gepleegd, zodat medeplegen kan worden bewezen.

Feit 3

Verdachte heeft verklaard dat zij en [naam 1] een grasmaaier en een verticuteermachine via een Marktplaats-advertentie hebben verkocht. Deze goederen waren van Cordaan en zijn zonder toestemming verkocht. Verdachte en [naam 1] lijken te stellen dat het niet de bedoeling was om zich schuldig te maken aan verduistering, maar door goederen te verkopen die niet aan hen toebehoorden hebben zij daarover als heer en meester beschikt en hebben zij zich willens en wetens blootgesteld aan de kans dat zij zich hiermee schuldig zouden maken aan verduistering. Met andere woorden: er is sprake van voorwaardelijk opzet. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – medeplegen van verduistering in dienstbetrekking.

Feit 4

Er zijn bonnen ingeleverd om ontvangen geld en pinopnames te verantwoorden. Uit onderzoek naar de ingeleverde bonnen volgt dat de bonnen allen met dezelfde kleur pen zijn geschreven, een datum ontbreekt en de bonnen dezelfde volgnummers hebben. Het lijkt er dan ook op dat deze achter elkaar zijn geschreven en getekend. Verdachte en [naam 1] hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift in vereniging gepleegd.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 , 3 en 4 grotendeels bekend heeft. Over feit 1 heeft zij opgemerkt dat verdachte zich realiseert dat zij de cliënten door haar handelen onder druk heeft gezet en dat daarmee sprake was van dwang. Daarbij wordt aangetekend dat niet alle ten laste gelegde gedragingen zijn gebeurd. Zij verwijst daarbij naar het opsluiten en tegenhouden van [benadeelde partij 6] , het geen eten geven aan [naam 2] en hem zijn schoenen laten inleveren. Het slaan en schoppen van cliënten wordt door verdachte ontkend. Van het opzettelijk toebrengen van fysiek geweld is geen sprake. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vrijspraak moet volgen van diefstal. Ook als dwang (feit 1) wordt bewezen, ontbreekt – anders dan door de officier van justitie is gesteld – het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Het herverdelen van het geld op de groep was evident niet bedoeld om zichzelf te verrijken, maar om het de cliënten naar de zin te maken. Verdachte had het geld onder zich in haar hoedanigheid als begeleidster van [naam instelling] . Verduistering in dienstbetrekking kan daarom wel worden bewezen, maar alleen ten aanzien van de cliënten [benadeelde partij 6] , [naam 3] , [benadeelde partij 2] , [naam 4] en [naam 5] . Voor wat betreft de feiten 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het pakken van geld voor zichzelf heeft verdachte bovendien alleen gedaan. In zoverre moet vrijspraak van medeplegen volgen, aldus de raadsvrouw.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en [naam 1] cliënten van [naam instelling] hebben gedwongen tot afgifte van pinpassen, pincodes, ID-kaarten, paspoorten en/of geld. Twaalf cliënten zijn daartoe gedwongen, te weten: [naam 4] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 2] , [naam 3] , [benadeelde partij 3] , [naam 7] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 7] , [naam 5] , [naam 2] en [benadeelde partij 9] . [benadeelde partij 3] is tevens gedwongen geld te pinnen van rekeningen van cliënten. Alleen [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 1] en [naam 8] hebben nooit iets afgegeven aan verdachte en [naam 1] , zodat verdachte ten aanzien van deze drie cliënten moet worden vrijgesproken van dwang. Met betrekking tot de andere twaalf cliënten komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. De rechtbank zal dit nader toelichten.

Dwang

Dwang houdt kort gezegd in dat de dader iets veroorzaakt dat het slachtoffer niet wil. Niet willen (onvrijwilligheid) dient ruim te worden opgevat en alle omstandigheden dienen daarbij te worden betrokken. Er kan van ‘dwingen’ ook sprake zijn indien het slachtoffer redelijkerwijs geen weerstand kon bieden gelet op de omstandigheden waarin het slachtoffer zich bevond. Voor een bewezenverklaring van dwang is verder vereist dat het handelen van de dader wederrechtelijk was en dat er sprake was van opzet bij de dader.

Machtspositie en afhankelijkheidsrelatie

De groep cliënten van [naam instelling] bestond uit kwetsbare personen. Verdachte en [naam 1] waren hiervan op de hoogte; zij waren hun begeleidsters en stonden in een professionele zorgrelatie tot de cliënten. De cliënten waren afhankelijk van de zorg en begeleiding van verdachte en [naam 1] . Verdachte en [naam 1] bevonden zich dus feitelijk in een machtspositie. De rechtbank acht deze omstandigheid van groot belang bij de beoordeling van de zaak.

Onveilige en intimiderende sfeer

Uit de verklaringen van cliënten, van getuigen en ook uit de verklaring van verdachte zelf blijkt dat verdachte en [naam 1] cliënten van [naam instelling] hebben gestraft, gekleineerd en vernederd; vaak in het bijzijn van andere cliënten. Verdachte en [naam 1] hebben op de groep veelvuldig geschreeuwd en gescholden. Ze hebben [naam 2] schoenen laten inleveren en zij hebben hem bij zijn keel vastgehouden en tegen de muur gedrukt. Ze hebben [benadeelde partij 6] verplicht op een kamer te blijven wat voor hem als opsluiting voelde en ze hebben [benadeelde partij 6] tegen de muur aangedrukt. Ze hebben [naam 5] stevig bij zijn nek en armen vastgehouden. Ze hebben [benadeelde partij 4] tegen de muur aangedrukt, zijn bovenop hem gaan zitten en hebben slippers naar zijn hoofd gegooid. En ze hebben [naam 4] hardhandig beetgepakt. Volgens verdachte hebben zij en [naam 1] zo gehandeld uit onmacht. Zij wisten niet goed hoe zij met een situatie op de groep moesten omgaan en wilden dat cliënten zich goed gedroegen en de [naam instelling] een succes werd. Door dit gedrag van verdachten is echter een onveilige en intimiderende sfeer op de groep ontstaan. In de loop der jaren zijn verdachte en [naam 1] steeds strenger en hardhandiger gaan optreden en is de sfeer voor de cliënten steeds onveiliger geworden. Uit de verklaringen van cliënten blijkt dat ze bang waren voor verdachte en [naam 1] .

Gedwongen afgifte als gevolg

Cliënten verklaren dat zij pinpassen, pincodes, ID-kaarten, paspoorten en geld moesten inleveren bij verdachte en [naam 1] . Of zij het woord ‘moeten’ hebben gebruikt, weet de rechtbank niet. Vast staat echter dat de betreffende cliënten het als moeten, dat ze geen keuze hadden, hebben ervaren. De rechtbank vindt dat gelet op de omstandigheden waarin de cliënten zich bevonden ook begrijpelijk.

De onveilige en intimiderende sfeer op de groep en de afhankelijke positie waarin de cliënten zich bevonden, had als gevolg dat cliënten psychische druk ervaarden om te doen wat verdachte en [naam 1] van hun vroegen. Als verdachte en [naam 1] vroegen om de pinpassen en geld af te geven, omdat dit naar hun mening beter voor de cliënten was, konden en mochten de cliënten dit ervaren als dat ze geen keuze hadden. De cliënten durfden geen nee te zeggen op het verzoek om deze spullen af te geven; dit kon van deze kwetsbare cliënten gezien de onveilige en intimiderende sfeer op de groep en de afhankelijke positie waarin zij zich bevonden redelijkerwijs niet worden verwacht.

Het verschilt per cliënt wanneer zij hun pinpas hebben afgegeven aan verdachte en [naam 1] . Sommige cliënten hebben dat tijdens het eerste gesprek met verdachte en [naam 1] al gedaan. Andere cliënten pas later. Sommige cliënten kregen hun pinpas op een gegeven moment weer terug en hebben deze later opnieuw ingeleverd. Voor de beantwoording van de vraag of de passen gedwongen zijn afgegeven, maakt het moment waarop de goederen zijn afgegeven naar het oordeel van de rechtbank niet uit.

De machtsverhouding en afhankelijkheidsrelatie was er al bij het eerste gesprek. Toen al kon van de betreffende cliënten niet worden gevergd weerstand te bieden aan het verzoek tot afgifte van de pinpassen. Verdachte heeft op zitting ook bevestigd dat van een vrijblijvend verzoek geen sprake is geweest. De cliënten werd feitelijk geen keuze gelaten. Verdachte heeft verklaard dat de afgifte van pinpassen de regel was op een andere groep waar ze eerder heeft gewerkt. Ze denkt dat ze die regel daarvan heeft meegenomen. Ze heeft de cliënten geen alternatief gegeven voor de afgifte van de pasjes en heeft het mogelijk stilzwijgend voor ze bepaald, zo heeft verdachte op zitting verklaard.

Wederrechtelijkheid

Verdachte en [naam 1] hadden niet het recht en waren niet bevoegd om cliënten te intimideren, hardhandig tegen ze op te treden en hun pinpassen en geld te beheren. Dit maakt dat hun handelen wederrechtelijk was.

Opzet

Verdachte en [naam 1] wisten dat de cliënten kwetsbaar en van hun afhankelijk waren. Door de cliënten te zeggen/vragen of op te dragen om hun pinpassen en geld af te geven hebben verdachte en [naam 1] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat cliënten dat niet vrijwillig deden, maar dat deden vanwege de machtsverhouding en de psychische druk die zij ervaarden.

3.4.2

Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel medeplegen van diefstal als medeplegen van verduistering in dienstbetrekking kan worden bewezen. De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen tot hetzelfde oordeel. Net als de officier van justitie komt de rechtbank alleen ten aanzien van [benadeelde partij 8] tot een vrijspraak, omdat uit haar aangifte blijkt dat zij nooit haar pinpas of geld aan verdachte en [naam 1] heeft afgegeven en uit onderzoek ook niet is gebleken dat er geld van haar is weggenomen.

De rechtbank volgt voor de beoordeling van dit feit de door de officier van justitie onderscheiden categorieën van wegnemingshandelingen:

  1. geld dat door of in opdracht van verdachte/ [naam 1] is gepind met de door middel van dwang afgegeven pinpassen, gepleegd ten aanzien van [naam 4] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 2] , [naam 3] , [benadeelde partij 3] , [naam 7] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [naam 2] , [naam 5] , [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 7] );

  2. geld dat door of in opdracht van verdachte/ [naam 1] is overgeboekt met de door middel van dwang afgegeven pinpassen naar de rekening van verdachte, gepleegd ten aanzien van [benadeelde partij 6] , [naam 4] en [benadeelde partij 4] ;

  3. geld dat (contant) is afgegeven door de cliënten aan verdachte/ [naam 1] , omdat ze zich onder druk voelden staan, gepleegd ten aanzien van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 7] en [naam 5] ;

  4. het over de groep verdelen van het onder 1), 2) of 3) verkregen geld en het daarmee uitgeven van dit geld aan anderen;

  5. het bestellen van goederen door middel van de bankrekening van een ander door of in opdracht van verdachte/ [naam 1] , gepleegd ten aanzien van [naam 3] ;

  6. het pakken van het onder 1), 2) of 3) verkregen geld ten behoeve van zichzelf;

  7. het over de groep verdelen van geld dat verdachte/ [naam 1] rechtmatig onder zich hadden uit hoofde van hun functie, gepleegd ten aanzien van [benadeelde partij 1] , [naam 4] , [benadeelde partij 7] , [naam 8] en [benadeelde partij 6] ;

  8. het ten behoeve van zichzelf pakken van geld dat verdachte/ [naam 1] rechtmatig onder zich hadden in bewaring uit hoofde van hun functie of met toestemming van de cliënt(en), gepleegd ten aanzien van [benadeelde partij 1] , [naam 4] , [benadeelde partij 7] , [naam 8] en [benadeelde partij 6] .

Diefstal

Onder feit 1 is bewezen dat cliënten van [naam instelling] onder andere pinpassen en geld onder dwang hebben afgegeven. Het geld zoals bedoeld in de categorieën 1 tot en met 6 ziet op dat onder dwang verkregen geld. Dit geld hadden verdachte en [naam 1] dus niet rechtmatig onder zich zodat van verduistering geen sprake is.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat verdachte geen oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening en dat daarom geen sprake van diefstal is. Verdachte heeft op zitting verklaard dat het haar bedoeling was het geld te herverdelen over de groep en daarmee de cliënten met een slechtere financiële situatie mee te laten profiteren van de cliënten met een betere financiële situatie. Verdachte wilde dat alle cliënten het goed hadden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee doelbewust als heer en meester over het geld van cliënten heeft beschikt, zoals volgens de rechtspraak vereist is voor het aannemen van het oogmerk voor wederrechtelijke toe-eigening. Voor een bewezenverklaring van diefstal is niet vereist dat de dader het geld heeft weggenomen om zichzelf te verrijken. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Het wegnemen van geld zoals bedoeld in de categorieën 1 tot en met 6 levert dan ook diefstal op. Nu verdachte heeft verklaard dat alleen zij geld voor zichzelf heeft gepakt en dat [naam 1] hiervan niet op de hoogte was, kan medeplegen voor categorie 6 niet worden bewezen.

Verduistering

Het geld zoals bedoeld in de categorieën 7 en 8 betreft leef-, zak- en voedingsgeld dat verdachte en [naam 1] voor de cliënten bewaarden. Zij beschikten hier rechtmatig over in hun hoedanigheid als begeleidsters. Daarom leveren de wegnemingshandelingen ten aanzien van dat geld verduistering in dienstbetrekking op.

Hoeveelheid geld

De rechtbank is ervan overtuigd dat een groot deel van het weggenomen geld is herverdeeld over de groep en dat verdachte een kleinere hoeveelheid geld voor zichzelf heeft gebruikt. Hoeveel geld verdachte precies heeft weggenomen en hoeveel geld zij daarvan voor zichzelf heeft gebruikt, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Daarom komt de rechtbank tot bewezenverklaring van ‘een geldbedrag’. Dit geldt voor zowel de bewezenverklaarde diefstal als de verduistering.

3.4.3

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van verduistering in dienstbetrekking van een grasmaaier en een verticuteermachine toebehorende aan Cordaan.

3.4.4

Feit 4

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Uit het dossier is gebleken dat er 21 bonnen zijn ingeleverd op naam van [naam 4] om contante uitbetalingen te verantwoorden. Uit onderzoek is gebleken dat deze bonnen te koop zijn bij een kantoorboekhandel. Op de bonnen is met constant handschrift op dezelfde plaats geschreven en met dezelfde kleur pen, waardoor het lijkt alsof deze in één keer achter elkaar zijn geschreven. De bonnen zijn niet voorzien van een datum. Ook zijn er twee keer bonnen ingeleverd met hetzelfde volgnummer en zijn de handtekeningen nagenoeg identiek aan de schrijfwijze op de bonnen, maar komen die handtekeningen niet overeen met de handtekening van [naam 4] die zij heeft geplaatst op de vaststellingsovereenkomst met Cordaan.

[naam 4] heeft, nadat haar door de politie een bon werd getoond van de aankoop van een fototoestel, verklaard dat zij nooit een fototoestel heeft gekocht en hier nooit voor heeft getekend.

Op naam van [benadeelde partij 2] zijn 33 bonnen ingeleverd. Ook voor die bonnen geldt dat deze met dezelfde kleur pen zijn beschreven, niet voorzien zijn van een datum en dat een keer bonnen zijn ingeleverd met hetzelfde volgnummer.

Op een aantal bonnen lijkt de handtekening van [benadeelde partij 2] met een vloeiende beweging te zijn gezet. [benadeelde partij 2] kan nauwelijks lezen en schrijven. Haar handtekening bestaat eruit dat op een gebrekkige wijze ‘ [benadeelde partij 2] ’ staat geschreven, zoals op andere bonnen op haar naam te zien is. Uit een vergelijking van de bonnen op naam van [naam 4] en die op naam van [benadeelde partij 2] blijkt bovendien dat het handschrift op die bonnen identiek aan elkaar is.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat zij vaker bonnen ondertekende en dat zij mogelijk een keer een handtekening heeft gezet die niet van haar was.

Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte bonnen op naam van [naam 4] en [benadeelde partij 2] vals heeft opgemaakt.

[naam 3] heeft over de bonnen op zijn naam verklaard dat hij de handtekeningen op de bonnen herkent en dat dit zijn handtekening is. Voor zover de tenlastelegging ziet op het valselijk opmaken van bonnen op naam van [naam 3] wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Fictieve aankopen

Ook kan worden bewezen dat verdachte valselijk bonnen van fictieve aankopen heeft gemaakt. Dit onderdeel ziet alleen op de bonnen van de aankoop van twee fietsen voor het echtpaar [naam echtpaar] .

Uit de verklaring van getuige [naam getuige] volgt dat verdachte en [naam 1] bonnen hadden gemaakt voor de aanschaf van twee fietsen voor het echtpaar [naam echtpaar] . Later bleek echter dat het echtpaar [naam echtpaar] geen nieuwe fietsen had gekocht, maar dat het geld op een andere manier was besteed. Dat de fietsen niet zijn gekocht, wordt door zowel [benadeelde partij 4] als verdachte bevestigd.

4 Bewezenverklaringen

Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 16 juni 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

[naam 4] en

[benadeelde partij 6] en

[benadeelde partij 2] en

[naam 3] en

[benadeelde partij 3] en

[naam 7] en

[benadeelde partij 4] en

[benadeelde partij 5] en

[benadeelde partij 7] en

[naam 5] en

[naam 2] en

die cliënt waren bij [naam instelling] en waar verdachte en haar mededader als begeleider werkten,

door geweld of enige andere feitelijkheid

wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers hebben verdachte en haar mededader

terwijl zij wisten dat die [naam 4] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 2] en [naam 3] en [benadeelde partij 3] en [naam 7] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] en [naam 5] en [naam 2] en [benadeelde partij 9] kwetsbaar waren en niet weerbaar genoeg waren en aan de zorg/begeleiding van verdachte en haar mededader waren toevertrouwd en van die zorg/begeleiding afhankelijk waren en door een onveilige en intimiderende omgeving te laten ontstaan, door:

- cliënten te straffen, zoals die [naam 2] zijn schoenen te laten inleveren en die [benadeelde partij 6] op te sluiten en

- cliënten te kleineren en/of te vernederen, zoals die [naam 4] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 2] en [naam 3] en [benadeelde partij 3] en [naam 7] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 7] en [naam 5] en [naam 2] en [naam 8] en [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 1] veelvuldig uit te schelden en tegen ze te schreeuwen en die [benadeelde partij 6] tegen de muur aan te zetten tot hij moest huilen en die [naam 5] bij zijn nek en armen heel stevig vast te houden en

- fysiek geweld te gebruiken tegen cliënten, zoals die [naam 2] bij zijn keel vast te houden en vervolgens tegen de muur te drukken en die [benadeelde partij 4] tegen de muur te drukken en die [benadeelde partij 4] vast te houden en bovenop die [benadeelde partij 4] te gaan zitten en slippers naar het hoofd van die [benadeelde partij 4] te gooien en die [naam 4] hardhandig beet te pakken,

die [naam 4] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 2] en [naam 3] en [benadeelde partij 3] en [naam 7] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] en [naam 5] en [naam 2] en [benadeelde partij 9] hun pin-/bankpassen en/of bijbehorende pincodes en/of ID-kaarten en/of paspoorten en/of geld laten afgeven en/of die Dijkers geld laten pinnen van de rekeningen van andere cliënten;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 16 juni 2013 te Amsterdam en Purmerend tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen enig geldbedrag toebehorende aan

[naam 4] en

[benadeelde partij 6] en

[benadeelde partij 2] en

[naam 3] en

[benadeelde partij 3] en

[naam 7] en

[benadeelde partij 4] en

[benadeelde partij 5] en

[benadeelde partij 7] en

[naam 5] en

[naam 2] en

[benadeelde partij 9] en

die cliënt waren bij [naam instelling] en waar verdachte en haar mededader als begeleider werkten;

en

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 16 juni 2013 te Amsterdam en Purmerend tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk enig geldbedrag dat toebehoorde aan

[naam 4] en

[benadeelde partij 6] en

[benadeelde partij 7] en

[naam 8] en

[benadeelde partij 1] ,

die cliënt waren bij [naam instelling] , waar verdachte en haar mededader als begeleider werkten,

en welk geldbedrag verdachte en haar mededader uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als begeleider bij [naam instelling] , onder zich hadden wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 1 juni 2013 tot en met 16 juni 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een grasmaaier en een verticuteermachine die toebehoorden aan Stichting Cordaan en welke goederen verdachte en haar mededader uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking als begeleider werkend bij [naam instelling] onder zich hadden wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 16 juni 2013 te Amsterdam en/of Purmerend meermalen bonnen, zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid fictieve aankopen op die bonnen vermeld en valse handtekeningen van de cliënten [naam 4] en [benadeelde partij 2] op die bonnen gezet, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van een jaar. Bij die voorwaardelijke gevangenisstraf is gevorderd dat een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Het reclasseringstoezicht dient ter ondersteuning van de vrijwillige begeleiding die verdachte op dit moment al krijgt.

Daarnaast heeft de officier van justitie voor deze feiten de oplegging gevorderd van een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

7.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Er heeft een inval in het huis van verdachte plaatsgevonden en zij werd dagenlang verhoord. Ook hebben de media afschuwelijke berichten over deze zaak gepubliceerd, wat grote invloed heeft gehad op haar. Als gevolg hiervan is zij haar baan kwijtgeraakt. Verdachte heeft een open proceshouding gehad en heeft de feiten bekend, zij het met kleine nuanceringen. Daarnaast heeft zij zich ook opengesteld voor mediation met de cliënten. Zij is erg bang geweest voor de behandeling van haar zaak en het heeft een lange tijd geduurd voordat de zaak inhoudelijk is behandeld. Dit lange tijdsverloop heeft als voordeel gehad dat zij uit eigen beweging in behandeling is gegaan en meer inzicht heeft gekregen in haar handelen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst strafbare feiten

Verdachte was begeleidster bij [naam instelling] . Zij heeft zich bij de [naam instelling] van 2009 tot en met 2013 schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Verdachte heeft samen met [naam 1] cliënten gestraft, gekleineerd en vernederd, vaak in het bijzijn van de andere cliënten. Hiermee hebben zij een onveilige en intimiderende sfeer gecreëerd op de groep. Daardoor en door de afhankelijke positie waarin de cliënten zich bevonden, hebben cliënten zich gedwongen gevoeld om hun pinpas en/of geld aan verdachte en [naam 1] af te geven. Vervolgens hebben verdachte en [naam 1] de financiën van cliënten beheerd. Dit behoorde niet tot hun taken. Verdachte en [naam 1] vonden echter dat zij het beter konden dan de cliënten zelf en ook beter konden dan de Stichting Beheer Bewonersgelden Cordaan die daarvoor was opgericht. Dat praktijk wees anders uit. Er was sprake van financieel wanbeheer. Verdachte en [naam 1] hebben op geen enkele wijze administratie bijgehouden of anderszins verantwoording afgelegd over de gelden die door cliënten zijn ingelegd en de wijze waarop de gelden van cliënten zijn uitgegeven. Het geld van alle cliënten verdween in één grote pot en als een cliënt iets nodig had of wilde, werd dat uit die pot betaald, ongeacht hoeveel geld van die cliënt zelf in de pot zat. Verdachte en [naam 1] lieten cliënten van elkaars geld meeprofiteren. Ook heeft verdachte zichzelf geld toegeëigend. Doordat een administratie ontbreekt, is moeilijk vast te stellen hoe groot dit deel is geweest. Zoals verdachte zelf erkent, is het één grote puinhoop geworden.

Verdachte en [naam 1] hebben voor cliënten steeds grotere schulden laten ontstaan.

Op zitting is duidelijk gebleken dat het handelen van verdachte en [naam 1] een grote negatieve invloed op de cliënten hebben gehad. Ze zijn nu, jaren later, nog steeds boos, verdrietig en beschadigd door de onveilige intimiderende sfeer die er was bij [naam instelling] en doordat er financieel misbruik van ze is gemaakt. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Verdachte had als begeleidster een professionele en integere houding naar deze kwetsbare cliënten moeten hebben. Door een intimiderende en onveilige omgeving te creëren, van hun financiën een puinhoop te maken en zichzelf geld van hen toe te eigenen, is verdachte ver buiten de grenzen van professioneel optreden getreden. Met haar handelingen heeft verdachte het vertrouwen dat de cliënten in haar als begeleidster hebben gehad ernstig beschaamd. Juist van begeleidsters van kwetsbare cliënten wordt verwacht dat zij professioneel en integer handelen.

Nalatigheid Cordaan

Dat het zo ver heeft kunnen komen is mede veroorzaakt doordat Cordaan verdachte en [naam 1] hun gang hebben laten gaan. Het management was onzichtbaar en er was nauwelijks toezicht en coaching op hun werkzaamheden. Verdachte en [naam 1] konden daardoor doen wat zij goed achtten. Dit valt Cordaan te verwijten. De rechtbank acht dit echter geen omstandigheid die in het voordeel van verdachte dient te worden meegewogen bij het bepalen van de straf. De nalatigheid van Cordaan is namelijk geen excuus voor het strafbare handelen van verdachte. Verdachte diende zich integer en professioneel te gedragen.

Toerekeningsvatbaar

Verdachte is in 2017 onderzocht door een psycholoog. Vastgesteld is dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat dit ook al het geval was tijdens de strafbare feiten. Volgens de psycholoog wist verdachte echter wat zij deed en is de stoornis niet van invloed geweest op haar gedrag. Het advies is dan ook haar de strafbare feiten volledig toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie van de psycholoog over en zal de feiten volledig aan verdachte toerekenen.

Advies van de reclassering

In 2017 heeft de reclassering geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, met oplegging van een meldplicht en ambulante behandelplicht als bijzondere voorwaarden. De reclassering zag destijds een delictpatroon voor het ontvreemden van geld. De reclassering maakte zich op dat moment ook zorgen om het alcoholgebruik van verdachte. Hoewel verdachte toen al stappen had ondernomen door vrijwillig hulpverlening in te schakelen, vond de reclassering toen dat verdachte nog moeite had de verkregen inzichten om te zetten naar handelen en vond zij verdachte beïnvloedbaar en kwetsbaar. De reclassering constateerde dan ook gevaar voor herhaling. Daarom werd het opleggen van reclasseringstoezicht en het volgen van een behandeling bij De Waag van belang gevonden.

Uit het aanvullende rapport van de reclassering van 24 juni 2019 volgt dat deze zaak grote invloed heeft gehad op het leven van verdachte. De feiten lijken ingegeven door problemen die zij in haar jeugd heeft ontwikkeld. Sinds het reclasseringsrapport uit 2017 is zij uit eigen beweging in behandeling gegaan en is zij begonnen met een intensieve psychische behandeling bij PsyQ, bestaande uit onder andere een klinische opname en EMDR-behandeling. Hierdoor is verdachte nu stabieler, geeft zij aan meer inzicht te hebben in de oorzaken van haar psychische klachten en geleerd te hebben hoe zij hiermee kan omgaan. Het risico op recidive wordt thans ingeschat als laag. Gezien deze ontwikkeling vindt de reclassering op dit moment, anders dan in 2017, dat reclasseringstoezicht niet nodig is. Het huidige advies van de reclassering is om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, zonder bijzondere voorwaarden.

Gezien het recente advies van de reclassering ziet de rechtbank – anders dan de officier van justitie – geen reden om verdachte een reclasseringstoezicht op te leggen. Met de reclassering acht de rechtbank het recidiverisico laag.

Overschrijding redelijke termijn

Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, is het uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aan gevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Verdachte is op 9 februari 2016 in verzekering gesteld. Dit moment geldt als het begin van de redelijke termijn. In deze zaak is op 23 juli 2019 vonnis gewezen. De rechtbank stelt daarom vast dat de behandeling van de zaak tegen verdachte niet binnen een redelijke termijn is afgerond en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

Opstelling verdachte

Verdachte heeft – zoals hierboven is gesproken – op eigen initiatief een intensieve behandeling gevolgd om aan zichzelf te werken en inzicht te krijgen in wat er is gebeurd en hoe dit kon gebeuren. Gedurende dit strafproces heeft ze steeds meer openheid van zaken gegeven en op zitting heeft ze de feiten grotendeels bekend. Ook heeft ze zich bereid getoond om in gesprek te gaan met de slachtoffers. Ze heeft inzicht getoond in het kwalijke van haar handelen en ziet zelf ook in dat ze in de toekomst niet meer in de zorg kan werken. De rechtbank weegt dit in het voordeel van verdachte mee bij het bepalen van de straf.

Straf

Welke straf is gelet op dit alles passend? Alles overwegende acht de rechtbank de straf zoals door de officier van justitie is geëist heel passend. De rechtbank zal verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van drie maanden met een proeftijd van één jaar (zonder bijzondere voorwaarden). Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 200 uren.

8 Vorderingen benadeelde partijen

Door de benadeelde partijen (hierna: de benadeelden) [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 1] zijn vorderingen ingediend. Elk van hen vordert € 200,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de raadsvrouw van de benadeelden is toegelicht dat deze schadevergoeding als “voorschot” is gevorderd. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelden behouden zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vorderingen toe te wijzen of, indien de rechtbank deze onvoldoende duidelijk vindt, de schade te schatten op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Subsidiair heeft zij gevraagd om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Ze heeft nadrukkelijk verzocht om de vorderingen niet af te wijzen, zodat de gang naar de burgerlijk rechter mogelijk blijft.

Uit de aangifte en de verklaringen die door de benadeelden op zitting zijn afgelegd blijkt voldoende duidelijk dat feit 1 (dwang) grote invloed heeft gehad. Door de onveilige en intimiderende sfeer die jarenlang op de groep in [naam instelling] heeft geheerst, zijn zij in hun persoon aangetast. De rechtbank stelt daarom vast dat hen door feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Toewijzing

De vorderingen zijn niet betwist. De door de benadeelden gevorderde schadevergoedingen komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen.

De vorderingen zullen elk worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot het moment dat de vorderingen volledig zijn betaald. De schade is ingetreden door een optelsom van factoren die hierboven al is besproken. Hoewel de sfeer in de loop der jaren verslechterde zijn de misstanden ook voor de cliënten pas aan het licht gekomen rond de tijd dat verdachte en [naam 1] als begeleidsters door Cordaan zijn ontslagen. De rechtbank is daarom van oordeel dat 16 juni 2013 het moment is vanaf wanneer de benadeelden in ieder geval in de persoon zijn aangetast. Vanaf deze datum is daarom wettelijke rente verschuldigd.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelden hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van die benadeelden wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, ten aanzien van de afzonderlijke vorderingen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, eveneens verhoogd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2013 tot het moment dat de vorderingen volledig zijn afbetaald.

Niet-ontvankelijk

De rechtbank ziet ook de invloed die de onveilige en intimiderende sfeer in [naam instelling] heeft gehad op de benadeelden [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 1] . Zij hebben echter verklaard dat zij hun pinpas en geld niet aan verdachte en [naam 1] hebben afgegeven. Daarom kan de dwang die onder feit 1 is ten laste gelegd niet worden bewezen ten aanzien van die cliënten en kan dus niet worden vastgesteld dat de door hun gevorderde schade rechtstreeks verband houdt met feit 1. Deze benadeelden zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 225, 284, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 (eerste en tweede deel), 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van een ander door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

medeplegen van verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

ten aanzien van feit 4:

een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaken met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4:

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Ten aanzien van de benadeelde partijen:

Wijst toe de vorderingen van:

  • -

    [benadeelde partij 2] , wonende te [woonplaats] ;

  • -

    [benadeelde partij 3] , wonende te [woonplaats] ;

  • -

    [benadeelde partij 4] , wonende te Amsterdam;

  • -

    [benadeelde partij 5] , wonende te [woonplaats] ;

  • -

    [benadeelde partij 6] , wonende te [woonplaats] ;

  • -

    [benadeelde partij 7] , wonende te [woonplaats] ;

  • -

    [benadeelde partij 9] , wonende te [woonplaats] .

Ieder van deze vorderingen wordt volledig toegewezen, te weten een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2013 tot aan de dag dat de vorderingen volledig zijn betaald.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 9] .

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door deze benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van ieder van deze benadeelde partijen aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2013, tot aan de dag dat de vorderingen volledig zijn betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 (vier) dagen per vordering (in totaal: 28 dagen). De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2019.