Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5342

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
13/751373-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Roemeens EAB; executie; gedeeltelijke weigering wegens ontbreken dubbele strafbaarheid; voor het overige OvJ NO, wegens detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751373-19

RK nummer: 19/2839

Datum uitspraak: 5 juli 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2019 door Bacau Court-of-Law (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van criminal sentence no. 2121 of 14.12.2017, modified and

final by the criminal decision no. 813 of 11.06.2017 (de rechtbank begrijpt: 2018) pronounced by Bacãu Court-of-Appeal (file no. 3047/180/2017).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, twee maanden en 20 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en 20 dagen met aftrek van de detentie en huisarrest van 1 februari 2017 tot 20 april 2017. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 11 juni 2018.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

In het EAB en de aanvullende informatie van 7 juni 2019 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg die tot het vonnis heeft geleid.

Tevens volgt uit bovengenoemde aanvullende informatie van 7 juni 2019 dat de opgeëiste persoon in persoon hoger beroep heeft ingediend, maar dat hij niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep (813/11.06.2018). Wel was een door de opgeëiste persoon gemachtigd raadsman aanwezig die namens hem het woord heeft gevoerd, hetgeen door de opgeëiste persoon ter zitting is bevestigd.

Gelet op het bovenstaande is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.

4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat voor één feit hieraan is voldaan.

Dat feit levert naar Nederlands recht op:

mishandeling

Het feit met betrekking tot het overtreden van de bij vonnis opgelegde straf om niet binnen 100 meter van het slachtoffer te komen, is in het Nederlands recht niet strafbaar gesteld. De overlevering ten aanzien van dit feit moet dus worden geweigerd.

5 Detentieomstandigheden

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sinds 2016 sprake is van structurele gebreken en overbevolking in de penitentiaire inrichtingen in Roemenië en er geen uitzicht op een structurele oplossing is. De brief van

30 januari 2019 van de Roemeense autoriteiten is een standaardbrief waar de rechtbank op

26 februari 2019 in een andere zaak al over heeft geoordeeld dat dit niet leidt tot het wegnemen van het reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling (ECLI:NL:RBAMS:2019:1825).

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Blijkens de brief van 30 januari 2019 zouden er voldoende cellen zijn die voldoen aan de afmetingen genoemd in het arrest Muršić, maar uit de brief van 24 mei 2019 volgt dat de opgeëiste persoon voor een deel van zijn straf wordt geplaatst in een semi-open inrichting waar hij 2 m2 tot zijn beschikking heeft en dat is onder de norm.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (zie bijv. EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië), stelt de rechtbank vast dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Deze conclusie is inmiddels vaste rechtspraak van de rechtbank Amsterdam.

Met het oog op de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk gevaar bestaat, heeft het Openbaar Ministerie, reeds voor de behandeling ter zitting, navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd.

De rechtbank heeft een brief ontvangen van de Roemeense autoriteiten van 30 januari 2019, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“If the decreasing trend concerning the number of persons accommodated in the penitenciary system continues and the timetable for the implementation of measures 2018-2024 to resolve the issue of prison overcrowding and conditions of detention is complied with, we think that a minimum individual space of 3 m2 can be ensured for all categories of detainees. “

De brief van 24 mei 2019 van de Head Commissary of the penitentiairies Cristian Plesa, General Manager of the National Administration of the Penitentiairies, houdt onder meer de volgende antwoorden in:

- de opgeëiste persoon zal na zijn overlevering gedurende 21 dagen in quarantaine worden geplaatst in de gevangenis in Boekarest-Rahova. In deze gevangenis zal hij ten minste 3 m2 ‘individual space’ ter beschikking hebben;

- de opgeëiste persoon zal na de quarantaineperiode zijn straf hoogstwaarschijnlijk aanvankelijk uitzitten in het semi-open regime. Gelet op de woonplaats van de opgeëiste persoon zal hij zijn straf in de gevangenis in Vaslui uitzitten;

- na het ondergaan van een vijfde van de straf wordt opnieuw beoordeeld welk detentieregime van toepassing is en wanneer hij in aanmerking komt voor het open regime zal hij hoogstwaarschijnlijk worden overgebracht naar Iasi Pententiairy;

- gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon ten minste 2 m2 ‘personal space’ zal hebben in het semi-open regime.

Nu uit de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Vaslui in een meermanscel minder dan 3 m2 ‘personal space’ ter beschikking zal staan, bestaat het ernstige vermoeden dat de opgeëiste persoon daar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven (EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016, 7334/13 (Muršić/Kroatië), § 124).

Een dergelijk vermoeden kan normaal gesproken alleen worden weerlegd als de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn (Muršić/Kroatië), § 132). Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:

1.‘short, occasional and minor reductions of personal space’;

2.‘sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities’;

3.‘confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility’.

Deze toetsing geldt ook voor het semi-open regime (Rb. Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2579).

Toetsing aan deze drie factoren leidt in de onderhavige zaak echter niet tot de conclusie dat het ernstige vermoeden van schending van artikel 4 Handvest is weerlegd.

De eerste factor houdt in dat de beperking van het aantal m2 ‘personal space’ kort van duur, incidenteel en van ondergeschikte betekenis is. Nu de opgeëiste persoon ten minste een vijfde deel van de straf in het semi-open regime zal moeten ondergaan, kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat de beperking van de ‘personal space’ kort van duur en incidenteel is.

Nu de uitkomst van de toetsing aan de eerste cumulatieve factor negatief is, komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen al om die reden het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd (vgl. Rb. Amsterdam 16 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1274). In geval van overlevering aan Roemenië loopt de opgeëiste persoon dus een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest.

Overeenkomstig het besliskader dat het Hof van Justitie van de Europese Unie uiteen heeft gezet (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru)), moet de rechtbank de beslissing over de overlevering daarom uitstellen. Indien het bestaan van het gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit te beslissen of de overleveringsprocedure moet worden beëindigd. In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat reeds nu onvoldoende concreet zicht bestaat op overlevering binnen een redelijke termijn. Daarvoor is het volgende van belang.

Uit de informatie van 30 januari 2019 blijkt dat de Roemeense autoriteiten doende zijn het gevangenissysteem aan te passen. Op dit moment is echter nog geen informatie beschikbaar die het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon uitsluit.

Voorts geeft het standpunt van de officier van justitie de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat komende maanden nog nadere informatie over of ontwikkelingen in de gevangenis Vaslui te verwachten zijn, waarmee het reële gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.

In deze situatie past het niet de zaak aan te houden teneinde verdere vragen te stellen dan wel ontwikkelingen af te wachten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de overleveringsprocedure dient te worden beëindigd.

Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3.3 en 5.4.3 van de uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414), leidt dit ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

6 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het overtreden van de bij vonnis opgelegde straf om niet binnen 100 meter van het slachtoffer te komen.

VERKLAART de officier van justitie voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW van 10 mei 2019.


HEFT op het bevel tot overleveringsdetentie.


Aldus gedaan door

mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2019.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.