Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6996
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning ter legalisatie bestaande situatie terecht geweigerd. Geen bijzondere omstandigheden om van beleidsregel af te wijken. Geen strijd met vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/6996

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. F. Onrust),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. G. van Driel).

Procesverloop

Met het besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van installaties en afvoerpijpen aan de achterzijde en op de daken van de gebouwen aan de [adres 1] . Enkele omwonenden hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 juli 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [gemachtigde] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na een handhavingstraject heeft eiseres op 24 februari 2017 een legaliserende aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van installaties en afvoerpijpen ten behoeve van de [bedrijf 2] [bedrijf 1] aan de achterzijde en op de daken van de gebouwen op de locatie [adres 1] .

2. Met het primaire besluit heeft het college aan eiseres de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Enkele omwonenden hebben tegen het besluit bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van de omwonenden gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. In het bestreden besluit heeft het college – kort samengevat – overwogen dat enkele installaties de toegestane bouwhoogte overschrijden en dat het college op dit punt niet wil afwijken van het bestemmingsplan. Aan de voorwaarden van het afwijkingsbeleid wordt niet voldaan omdat niet is aangetoond dat inpandige plaatsing van de installaties aantoonbaar niet mogelijk zou zijn. Daarom heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.

De beoordeling van de rechtbank

4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Museumkwartier en Valeriusbuurt’ (het bestemmingsplan). Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan op onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan. De maximum bouwhoogte van 3 meter wordt namelijk met maximaal 1.37 meter overschreden door de installaties op de uitbouw achter [adres 2] en met maximaal 1.78 meter door de installaties op de uitbouw achter [adres 3] . De installaties op het dak van de hoofdbebouwing zijn niet in strijd met het bestemmingsplan. Tussen partijen is echter niet in geschil dat het bouwplan als één geheel moet worden beoordeeld.

5. Het college heeft op grond van artikel 25, onder a en 7, van de planregels de bevoegdheid om van de toegestane maximale bouwhoogten zoals neergelegd in het bestemmingsplan af te wijken.

6. De beslissing om af te wijken van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan heeft daarbij beoordelingsruimte. Ter invulling van deze ruimte kan het bestuursorgaan beleidsregels ontwikkelen. Heeft het bestuursorgaan beleid vastgesteld, dan moet hij ook in overeenstemming met zijn beleid besluiten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.1

7. Het college heeft zijn bevoegdheid om op grond van artikel 25 van de planregels af te wijken van het bestemmingsplan ingekaderd met beleidsregel 9 van het beleid ‘Omgevingsvergunning A2’ (hierna ook: het beleid). In beleidsregel 9 zijn de voorwaarden opgenomen waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend voor het bouwen van een voor het hoofdgebruik noodzakelijk ventilatiesysteem met afvoerpijpen en leidingkokers. Een van de voorwaarden om toepassing te geven aan deze beleidsregel is dat inpandige plaatsing van de installaties aantoonbaar niet mogelijk is. Volgens eiseres is inpandige plaatsing niet mogelijk. Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat “niet mogelijk” niet alleen ziet op technische, maar ook op praktische en financiële aspecten.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid. Eiseres heeft niet betwist dat inpandige plaatsing op zichzelf mogelijk is, maar erop gewezen dat dat alleen met een zeer ingrijpende (en dure) verbouwing kan. De voorwaarden van het beleid zijn echter duidelijk. “Niet mogelijk” is iets anders dan “slechts mogelijk met een ingrijpende verbouwing tegen aanzienlijke kosten”. Naar het oordeel van de rechtbank moet de toelichting op voornoemde beleidsregel (waar wordt vermeld dat het ventilatiesysteem “zo veel mogelijk” inpandig moet worden opgelost) ook in dat licht gelezen geworden. Het college heeft dus conform zijn beleid gehandeld door niet mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan.

9. Voor het overige vat de rechtbank de door eiseres genoemde omstandigheden op als een beroep om in dit geval wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken. Eiseres wijst in dit verband op het kostenaspect van de inpandige plaatsing van de installaties. De inpandige plaatsing vergt bovendien een totale verbouwing. Het [bedrijf 2] zal daarvoor tijdelijk gesloten moeten worden. Verder heeft een inpandige plaatsing van de installaties voor eiseres een omzetdaling tot gevolg, omdat daardoor minder ruimte overblijft voor het plaatsen van [artikelen] Tot slot wijst eiseres op de voorgeschiedenis en voert zij aan dat in de afgelopen jaren veel tijd en geld is geïnvesteerd in het aanpassen van de installaties op aanwijzingen van het college.

10. De door eiseres genoemde omstandigheden zijn in het geheel niet (met stukken) onderbouwd, zodat eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet heeft aangetoond dat toepassing van het beleid in dit geval tot onevenredige gevolgen voor haar leidt. Overigens zijn deze omstandigheden deels (voor zover het betreft de kosten van inpandige plaatsing) al meegewogen bij de totstandkoming van het beleid. Volgens vaste rechtspraak2 is de lange duur van de bestaande (illegale) situatie ook geen bijzondere omstandigheid. De rechtbank is al met al niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afwijken van zijn beleid en tot vergunningverlening had moeten overgaan.

11. Eerst ter zitting heeft eiseres nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij vertrouwde erop dat de omgevingsvergunning, gelet op de voorgeschiedenis van deze procedure, verleend zou worden en - naar de rechtbank begrijpt - in bezwaar in stand zou blijven. De rechtbank is echter niet gebleken van toezeggingen die zouden moeten leiden tot een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen.

12. De rechtbank oordeelt dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Aan de bespreking van de overige gronden komt de rechtbank daarom niet meer toe.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. J.W. Vriethoff en
mr. H.J. Schaberg, leden,in aanwezigheid van mr. R. Boerlage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier

voorzitter

De voorzitter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
25 februari 2015, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2015:532.