Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5279

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
13/669037-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van een afpersing, één poging tot afpersing en een diefstal, tezamen en in vereniging gepleegd. GEV 14 MND. Schorsing v.h. niet opgeheven omdat verdachte zijn hoger beroep in vrijheid mag afwachten (onder dezelfde voorwaarden als bij schorsing)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669037-19

Datum uitspraak: 17 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tekst van de integrale - ter zitting gewijzigde - tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vijf de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, in die zin dat er sprake is van medeplegen. Zij komt hiertoe op grond van de aangiftes, de verklaringen van getuigen en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte die de aangiftes op een aantal punten ondersteunen. Ten aanzien van de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten stelt zij dat er steeds sprake is van dezelfde modus operandi.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde voert hij aan dat niet blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking, nu alle handelingen lijken te kunnen worden toegeschreven aan de medeverdachte. Verder kan niet worden vastgesteld dat er, ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde, daadwerkelijk een vuurwapen getoond is. Ook van het onder 3. en 4. ten laste gelegde dient vrijspraak te volgen omdat er geen sprake is van medeplegen. Verdachte was slechts aanwezig bij het incident en dat is onvoldoende. Tot slot is ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde niet komen vast te staan dat verdachte daarbij aanwezig was. De medeverdachte heeft dit niet bij zijn verhoor bij de politie verklaard. Hem werden twee vragen tegelijk gesteld en niet duidelijk is geworden waarop hij antwoordde.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 5. eerste en tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte van [aangever 1] , zijn aanvullende verklaring en de getuigenverklaringen, niet volgt dat [verdachte] aanwezig was bij de diefstal/afpersing van [aangever 1] . De officier van justitie baseert haar bewezenverklaring op de verklaring van [medeverdachte] bij de politie. Volgens haar bevestigt [medeverdachte] hierin dat [verdachte] ook aanwezig was bij het incident. De rechtbank ziet dit anders. Verbalisant vraagt [medeverdachte] : ‘In Amstelveen was je met [verdachte] zijn rol was de minste van de twee [voornaam] ?’ Hierop antwoord [medeverdachte] : ‘Dat klopt’. Volgens de rechtbank is hiermee niet komen vast te staan op welke van de twee door de verbalisant gestelde vragen [medeverdachte] antwoord geeft: was hij in Amstelveen (waar de onder 5. ten laste gelegde feiten niet hebben plaatsgevonden) met [verdachte] ? Of was zijn rol bij de beroving/afpersing van [aangever 1] de minste van de twee [voornaam] ? Ter zitting is [medeverdachte] als getuige beëdigd en heeft hij onder ede verklaard dat [verdachte] niet aanwezig was bij het onder 5. ten laste gelegde incident. Gelet op het bovenstaande spreekt de rechtbank [verdachte] van dit feit vrij.

4.3.2.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 21 januari 2019 vond er op een metrostation in Amstelveen een ontmoeting plaats tussen verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) enerzijds en anderzijds aangever [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ).2 Volgens [verdachte] ontstond er onenigheid tussen hem en [aangever 2] . Laatstgenoemde zwaaide wild met zijn armen en schold hem uit. Verder is er niets gebeurd.3

[aangever 2] heeft verklaard dat hij werd benaderd door twee jongens en dat de kleinste van de twee hem vertelde dat hij een vijf eurobiljet had laten vallen. Omdat hij zeker wist dat het niet van hem was liep hij door. Hierna kwamen de jongens op hem afrennen en werd hij ingesloten. Van de kleine jongen moest hij zijn geld laten zien en pas dan mocht hij naar huis. De grote jongen duwde hem en probeerde hem te slaan. Tegelijkertijd graaide de kleine jongen met zijn handen in de zakken van [aangever 2] . Het lukte hem om los te komen en weg te rennen waarna hij één van de jongens hoorde zeggen: ‘schiet op hem’. Hij draaide zich om en zag in de handen van de kleine jongen een zwartkleurig pistool. [aangever 2] is hierop hard weggerend.4

Kort daarna, op 16 februari 2019, lopen [medeverdachte] en [verdachte] , wederom op een metrostation in Amstelveen, aangever [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) tegen het lijf.5 [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat [aangever 2] iets liet vallen, dat hij hem daarop wees, dat zij normaal contact hadden en gezellig een gesprek voerden.6 [verdachte] heeft bij de politie aangegeven dat hij naar [aangever 3] toeliep, hem aantikte en tikte en als grap zei dat er iets op de grond lag.7

[aangever 3] stelt echter dat hij is beroofd. Hij werd aangesproken door twee jongens waarna hij doorliep en de jongens achter hem aanliepen. [aangever 3] werd vastgepakt en vastgehouden door de lange jongen en moest onder druk zijn portemonnee afgeven, wat hij heeft gedaan. De lange jongen vertelde dat hij een wapen bij zich had en dat hij dit zou gebruiken als [aangever 3] niet zou meewerken. De lange jongen heeft uit zijn portemonnee € 50,00, een bankpas en een ov-chipkaart gehaald.8

4.3.3.

Oordeel over het onder 1. en 2. ten laste gelegde

Hoewel [medeverdachte] en [verdachte] hebben bevestigd met [aangever 3] en [aangever 2] te hebben gesproken, lopen de lezingen over wat er is besproken en wat er gebeurd is, ver uiteen. Aan de hand van de signalementen en de verklaringen ter zitting gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte] ‘de lange jongen’ en [verdachte] ‘de kleine jongen’ is.

Bij de beoordeling van de vraag welke lezing geloofwaardig moet worden geacht – die van de verdachte, of die van de aangevers? – neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Allereerst ziet de rechtbank niet in waarom beide aangevers – uit het niets, terwijl zij noch elkaar noch verdachten kennen - aangifte zouden doen van beroving, indien er bij de ontmoetingen daadwerkelijk alleen maar sprake zou zijn geweest van een ‘normaal gesprek’ ( [aangever 3] ) en er verder helemaal ‘niets zou zijn gebeurd’ ( [aangever 2] ). Dat is voor de rechtbank al reden om vraagtekens te zetten bij de verklaringen van verdachte ten aanzien van wat er precies is voorgevallen op 21 januari en 16 februari 2019. Bovendien bevatten de aangiftes van [aangever 2] en [aangever 3] een aantal details die dusdanig overeenkomen dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een zogenoemde zelfde modus operandi. In beide gevallen werd de aangever kort na middernacht op een metrostation aangesproken met de boodschap dat hij iets had laten vallen, wat volgens beide aangevers niet het geval was. Hierna werden zij vastgepakt dan wel ingesloten en moesten zij hun portemonnee of hun geld afgeven. Ook werd in beide zaken gesproken over een (vuur)wapen. Tegen [aangever 3] werd immers gedreigd met een wapen en uit de aangifte van [aangever 2] volgt dat werd geroepen: ‘schiet op hem’. Tot slot vindt de aangifte van [aangever 3] met betrekking tot hetgeen zich op het perron van het metrostation heeft afgespeeld ondersteuning in de camerabeelden. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de lezing van de aangevers geloofwaardig, en niet die van de verdachte.

Bovendien is er ten aanzien van beide feiten sprake van medeplegen. [verdachte] is steeds de persoon die aangevers aanspreekt met het verzinsel dat zij iets zijn verloren. Hiermee legt hij het eerste contact. In de zaak van [aangever 3] tikt hij [aangever 3] zelfs aan en in de zaak van [aangever 2] blijft hij volhouden dat laatstgenoemde iets heeft laten vallen, terwijl dat niet het geval was. Na deze eerste contacten is het [medeverdachte] die [aangever 3] vastpakte en [aangever 2] insloot. Onder druk moesten beiden hun portemonnee/geld afgeven. [verdachte] graaide in de zakken van [aangever 2] en [medeverdachte] haalde de portemonnee van [aangever 3] leeg nadat hij deze afgaf. Verder oordeelt de rechtbank dat [medeverdachte] tegen [aangever 3] zei dat hij een wapen bij zich droeg en dat hij in het bijzijn van [aangever 2] tegen [verdachte] zei ‘schiet op hem’. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een vooropgezet plan en van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank spreekt verdachte, ten aanzien van het onder 2. tweede alternatief cumulatief ten laste, vrij van het daadwerkelijk tonen van een (vuur)wapen door [verdachte] . Hoewel zij de aangifte van [aangever 2] betrouwbaar acht, en vaststelt dat is geroepen ‘schiet op hem’, sluit de rechtbank niet uit dat iets anders is aangezien voor een vuurwapen. [aangever 2] verkeerde immers in angst, rende op dat moment hard weg en keek om. Bovendien betreft het een zwartkleurig voorwerp en was het donker buiten.

4.3.4.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder 3. en 4. ten laste gelegde

Op 17 februari 2019 kwam aangever [aangever 4] (hierna: [aangever 4] ), pizzabezorger, terug bij zijn scooter nadat hij in een flat in Amstelveen een pizza bezorgde. Naast zijn scooter stonden twee jongens: volgens het signalement van [aangever 4] een lange Marokkaanse jongen met een gezet postuur en een kleinere jongen.9 De Marokkaanse jongen haalde de sleutel uit zijn scooter, liep samen met de andere jongen richting de flat, en riep ‘kom, kom’. Hierna vroeg hij hem wat er in de warmhoud-box van de scooter zat. Nadat [aangever 4] hem vertelde dat daarin slechts een pizza en een bakje Ben Jerry’s ijs zat zei de Marokkaanse jongen: ‘Dus het enige dat erin zit is een ijsje? Geef mij geld, geef mij je wisselgeld.’ en ‘ik heb hier iets in mijn zak dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.’ [aangever 4] riep hierop naar een voorbijganger maar die reageerde niet. Hij zei dat hij 112 zou bellen, waarop beide jongens begonnen te lachen en zeiden dat dat toch niets zou uitmaken. Toen [aangever 4] daadwerkelijk de politie belde, kwam een andere man langs waarmee hij meeliep naar diens woning. Vanuit het raam zagen zij dat beide jongens de warmhoud-box van zijn scooter doorzochten.10 [aangever 4] miste later het bakje Ben Jerry’s ijs.11

[getuige] , de persoon met wie aangever naar binnen is gelopen, is gehoord als getuige. Hij zag de pizzabezorger, [aangever 4] , en de twee jongens staan en vond het er in eerste instantie niet uitzien als een overval. Wel had hij door dat er iets aan de hand was. Omdat het hem veiliger leek, heeft hij tegen [aangever 4] gezegd dat hij met hem mee naar zijn woning mocht.12 Vanuit daar zagen zij dat de jongens in de bak van de scooter keken en er iets uithaalden. Toen verbalisanten ter plaatse kwamen vonden zij een open gemaakt ijsbekertje en een dekseltje.13

[verdachte] heeft bij de politie gezegd dat [medeverdachte] [aangever 4] kende. Verder heeft hij verklaard: ‘We hebben de sleutels gepakt’ en ‘We hebben die sleutels teruggegeven’.14 Verder is er niets gebeurd.

4.3.5.

Oordeel over het onder 3. en 4. ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat ook ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde feit, de lezingen van [aangever 4] en [getuige] enerzijds en van [medeverdachte] en [verdachte] anderzijds, ver uit elkaar liggen. De verklaring van [aangever 4] vindt echter steun in de onafhankelijke getuigenverklaring van [getuige] . Hoewel het volgens hem in eerste instantie niet leek op een overval, had hij wel door dat er iets aan de hand was. Hij nam [aangever 4] mee zijn woning in. Beiden verklaren dat [medeverdachte] en [verdachte] in de warmhoud-box van de brommer zochten en daar iets uithaalden. De rechtbank begrijpt dat dit het bakje Ben & Jerry’s ijs moet zijn geweest. De rechtbank schuift de verklaring van [verdachte] , dat er niets meer is gebeurd dan het (af)pakken van de scootersleutels, als ongeloofwaardig terzijde en acht de verklaringen van [aangever 4] en [getuige] betrouwbaar. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [medeverdachte] en [verdachte] hebben geprobeerd [aangever 4] af te persen door tegen hem te zeggen: ‘Dus het enige dat erin zit is een ijsje? Geef mij geld, geef mij je wisselgeld.’ en ‘ik heb hier iets in mijn zak dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.’ Het onder 3. tweede alternatief cumulatief is daarmee bewezen.

[verdachte] bekent dat hij en [medeverdachte] de sleutel uit het contact van de scooter hebben gehaald. Op dat moment werden zij heer en meester over de sleutel. Daarmee is de diefstal bewezen, mede gelet op de uiterlijke verschijningsvormen en het hiervoor vastgestelde gegeven dat [medeverdachte] en [verdachte] dwongen tot afgifte van geld. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] en [verdachte] zich het Ben en Jerry’s ijs wederrechtelijk toe-eigenden. [aangever 4] heeft verklaard dat hij na afloop van het incident het Ben & Jerry’s ijs miste en hij en getuige [getuige] zagen [medeverdachte] en [verdachte] in de warmhoud-box van de scooter kijken en er iets uithalen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot afpersing en het tezamen en in vereniging plegen van een diefstal. Nadat [medeverdachte] en [verdachte] de sleutel uit de scooter haalden, liepen zij samen richting de flat en even later liepen zij samen terug naar de scooter. [verdachte] heeft verklaard dat ‘we’, dus hij en [medeverdachte] , de sleutel pakten en teruggaven. Samen lachten zij op het moment dat [aangever 4] aangaf de politie te willen bellen en beiden zeiden hem dat dat toch niks uitmaakt omdat zij dan toch al weg zouden zijn. Volgens [aangever 4] en [getuige] doorzochten beide jongens de warmhoud-box van de scooter en volgens [aangever 4] voelde hij zich door beide jongens bedreigd en waren beide jongens hem aan het beroven.

Dat [medeverdachte] mogelijk een grotere rol in het geheel vervulde doet niets af aan het oordeel dat er sprake is van medeplegen. Het enkel niet-distantiëren is onvoldoende om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking, maar gelet op het voorgaande zijn de gedragingen van [verdachte] volgens de rechtbank verder gegaan dan het niet-distantiëren. Hij is immers steeds meegelopen (naar de scooter, naar de flat, terug naar de scooter) en maakte hierdoor constant deel uit van de poging tot overval. [aangever 4] voelde zich ook daadwerkelijk door zowel [medeverdachte] als [verdachte] bedreigd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen ten laste van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

hij op 16 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en een bankbiljet van EUR 50 en een bankpas en een ov-chipkaart, dat toebehoorde aan [aangever 3] ,

door die [aangever 3] tot stoppen te dwingen en vast te pakken en te houden en die [aangever 3] met dreigende toon te gebieden zijn portemonnee af te geven en die [aangever 3] ten gehore te brengen dat er een wapen tegen hem gebruikt zou worden als hij niet zou meewerken;

ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

hij op 21 januari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een portemonnee, die toebehoorde aan [aangever 2] ,

die [aangever 2] tot stoppen hebben gedwongen en hebben geduwd en hebben getracht te slaan en in de zakken van die [aangever 2] hebben gegraaid en die [aangever 2] dreigend de woorden “laat je geld maar eerst zien dan mag je naar huis” en “Schiet op hem”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

hij op 17 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 4] te dwingen tot de afgifte (wissel)geld, dat toebehoorde aan [aangever 4] en/of zijn werkgever,

de sleutel van de scooter van die [aangever 4] uit het contact heeft/hebben gehaald en die [aangever 4] dreigend de woorden “dus het enige dat er in zit is een ijsje? Geef mij je geld, geef mij je wisselgeld.” en “ik heb hier iets in mijn zak, dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

hij op 17 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, een bak Ben & Jerry’s ijs en een scootersleutel, dat aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

Verdachte is erg geschrokken van detentie. Hij streeft geen criminele carrière na en een langdurige detentie zal negatieve gevolgen hebben. Verdachte is zeer ontvankelijk voor hulp en is, als gevolg van het locatieverbod, uit zijn woonplaats naar [plaats] verhuisd. Volgens de raadsman zou verdachte eerder de meeloper zijn en niet de initiatiefnemer. Hij verzoekt aansluiting te zoeken bij een voorwaardelijke straf met verplicht reclasseringscontact. De reclassering ziet geen herhalingsgevaar. De raadsman verzoekt de rechtbank geen gevangenisstraf, maar een taakstraf op te leggen.

Mocht de rechtbank toch overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf, verzoekt de raadsman niet de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen zodat verdachte het hoger beroep in vrijheid kan afwachten. De voorlopige hechtenis van verdachte is destijds geschorst omdat zijn persoonlijke belang zwaarder woog dan het algemeen belang hem in voorlopige hechtenis te houden. Dat is niet veranderd. Hechtenis komt pas in beeld nadat onherroepelijk is beslist.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan twee pogingen tot straatroof en één voltooide straatroof. Zij hebben voor de – volstrekt willekeurige - slachtoffers bedreigende situaties gecreëerd en hebben daarbij tegen hen fysiek geweld gebruikt en zware bedreigingen geuit. Uit het dossier volgt dat het handelen van verdachte en de medeverdachte hen veel angst heeft bezorgd. Dergelijke feiten versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juni 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De LOVS-oriëntatiepunten indiceren bij een straatroof met (licht) geweld en verbale bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank constateert dat enerzijds bij twee feiten sprake was van een poging, wat straf verminderend is, en anderzijds dat er sprake is van medeplegen en dat twee feiten in de nachtelijke uren plaatsvonden. Laatstgenoemde aspecten werken strafverzwarend.

Hoewel de verdediging heeft betoogd dat het van groot belang is dat aan verdachte geen gevangenisstraf opgelegd zou moeten worden, kan de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, niet anders dan volstaan met een gevangenisstraf van na te noemen duur. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding daarbij een voorwaardelijk deel te bepalen en daaraan (bijzondere) voorwaarden te verbinden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Uit de informatie van de reclassering blijkt dat de schorsing, waarbij als een van de voorwaarden is gesteld dat verdachte in [plaats] verblijft, goed verloopt en dat verdachte er op dit moment alles aan doet om zijn leven op de rit te krijgen. De maatschappij en verdachte zijn erbij gebaat als verdachte er in slaagt met de geboden begeleiding een leven buiten de criminaliteit op te bouwen. Alhoewel de ernst van de feiten zich er tegen verzet, zoals hiervoor is overwogen, om te komen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf korter dan of gelijk aan de duur van het voorarrest, is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid mag afwachten, onder dezelfde voorwaarden als dat hij eerder is geschorst.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2. eerste alternatief cumulatief, 3. eerste alternatief cumulatief en 5. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1., 2. tweede alternatief cumulatief, 3. tweede alternatief cumulatief en ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

- medeplegen van afpersing;

ten aanzien van het onder 2. tweede alternatief cumulatief en 3. tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde:

- medeplegen van een poging tot afpersing, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

- diefstal door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 17 juli 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019, PV verhoor verdachte [verdachte] , p. 153-157 en het PV van aangifte van [aangever 2] , p. 58-61

3 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

4 PV van aangifte van [aangever 2] , p. 58-59

5 Verklaring van verdachte [medeverdachte] ter zitting op 3 juli 2019, PV verhoor verdachte [verdachte] , p. 153-157 en het PV van aangifte van [aangever 3] , p. 1-4

6 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

7 PV verhoor verdachte [verdachte] , p. 156

8 PV van aangifte van [aangever 3] , p. 1 en 2

9 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 75

10 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 76

11 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 77

12 PV verhoor getuige, p. 87

13 PV van bevindingen, p. 79

14 PV verhoor verdachte [verdachte] , p. 154