Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5278

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
13/669036-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het medeplegen van twee afpersingen, één poging tot afpersing en twee diefstallen, tezamen en in vereniging gepleegd, waarvan één met geweld. GEV 20 MND m.a. waarvan 3 MND voorw. + alg en bijz voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669036-19 (Promis)

Datum uitspraak: 17 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam HvB] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berkel, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tekst van de integrale - ter zitting gewijzigde - tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vijf de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, in die zin dat er sprake is van medeplegen. Zij komt hiertoe op grond van de aangiftes, de verklaringen van getuigen en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte die de aangiftes op een aantal punten ondersteunen. Ten aanzien van de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten stelt zij dat er steeds sprake is van dezelfde modus operandi.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde voert hij aan dat er geen camerabeelden zijn van de ontmoeting tussen verdachte, zijn medeverdachte en aangevers [aangever 1] en [aangever 2] . Alleen aangevers [aangever 1] en [aangever 2] verklaren hierover. Er is geen geweld toegepast, aangevers zijn er slechts op aangesproken dat zij iets zouden hebben laten vallen, en uit niets blijkt dat er gebruik is gemaakt van een vuurwapen.

Getuige [getuige 1] heeft met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde verklaard dat hij niet het idee had dat er sprake was van een overval. Bovendien is hiervoor een aantal contra-indicaties. Zo kent verdachte aangever [aangever 3] , rennen verdachte en zijn medeverdachte niet weg nadat de politie is gebeld, maar lopen zij weg en tot slot hebben zij de brommersleutel terug gestopt in de scooter van aangever [aangever 3] . Dit maakt overigens ook dat er geen sprake is van diefstal. Ook het bakje Ben & Jerry’s ijs is niet gestolen, omdat aangever [aangever 3] dit uit eigen beweging aanbood. Verder dient ook vrijspraak te volgen van het onder 4. ten laste gelegde.

Ten aanzien het onder 5. ten laste gelegde stelt de raadsman dat de verklaring van verdachte deels overeenkomt met de verklaring van aangever [aangever 4] . Verdachte heeft immers verklaard dat hij op aangever afstapte en hem beetpakte. Daarna distantieerde hij zich echter van het geweld en heeft hij niets weggenomen van aangever [aangever 4] .

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 21 januari 2019 vond er op een metrostation in Amstelveen een ontmoeting plaats tussen verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) enerzijds en anderzijds aangever [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ).2 Nadat [verdachte] merkte dat er onenigheid was tussen [medeverdachte] en [aangever 2] , werd hij door laatstgenoemde uitgemaakt voor ‘kut Marokkaan’ en werd hem toegeroepen dat zijn moeder een hoer was. Verder is er niets gebeurd, aldus [verdachte] .3

[aangever 2] heeft verklaard dat hij werd benaderd door twee jongens en dat de kleinste van de twee hem vertelde dat hij een vijf eurobiljet had laten vallen. Omdat hij zeker wist dat het niet van hem was liep hij door. Hierna kwamen de jongens op hem afrennen en werd hij ingesloten. Van de kleine jongen moest hij zijn geld laten zien en pas dan mocht hij naar huis. De grote jongen duwde hem en probeerde hem te slaan. Tegelijkertijd graaide de kleine jongen met zijn handen in de zakken van [aangever 2] . Het lukte hem om los te komen en weg te rennen waarna hij één van de jongens hoorde zeggen: ‘schiet op hem’. Hij draaide zich om en zag in de handen van de kleine jongen een zwartkleurig pistool. [aangever 2] is hierop hard weggerend.4

Kort daarna, op 16 februari 2019, lopen [verdachte] en [medeverdachte] , wederom op een metrostation in Amstelveen, aangever [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) tegen het lijf.5 [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij begreep van [medeverdachte] dat [aangever 1] iets liet vallen en dat zij hem om die reden aanspraken.6 [medeverdachte] liep naar [aangever 1] toe en tikte hem aan. Omdat [aangever 1] hem negeerde, liep [verdachte] erop af, pakte hem en zei [aangever 1] dat [medeverdachte] hem iets wilde vragen.7 [aangever 1] vertelde [verdachte] in het Engels dat hij bang was, maar dat was volgens [verdachte] nergens voor nodig. Hij wilde daarom met [aangever 1] in gesprek gaan, waarna zij een hele normale conversatie hadden. Uit interesse vroeg hij waar [aangever 1] vandaan kwam en hoe het daar was.8 [medeverdachte] heeft bij de politie aangegeven dat hij als grap zei dat er iets op de grond lag.9

[aangever 1] stelt echter dat hij is beroofd. Hij werd aangesproken door twee jongens waarna hij doorliep en de jongens achter hem aanliepen. [aangever 1] werd vastgepakt en vastgehouden door de lange jongen en moest onder druk zijn portemonnee afgeven wat hij heeft gedaan. De lange jongen vertelde dat hij een wapen bij zich had en dat hij dit zou gebruiken als [aangever 1] niet zou meewerken. De lange jongen heeft uit zijn portemonnee € 50,00, een bankpas en een ov-chipkaart gehaald.10

4.3.2.

Oordeel over het onder 1. en 2. ten laste gelegde

Hoewel [verdachte] en [medeverdachte] hebben bevestigd met [aangever 1] en [aangever 2] te hebben gesproken, lopen de lezingen over wat er is besproken en wat er gebeurd is, ver uiteen. Aan de hand van de signalementen en de verklaringen ter zitting gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] ‘de lange jongen’ en [medeverdachte] ‘de kleine jongen’ is.

Bij de beoordeling van de vraag welke lezing geloofwaardig moet worden geacht – die van de verdachte, of die van de aangevers? – neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Allereerst ziet de rechtbank niet in waarom beide aangevers – uit het niets, terwijl zij noch elkaar noch verdachten kennen - aangifte zouden doen van beroving, indien er bij de ontmoetingen daadwerkelijk alleen maar sprake zou zijn geweest van een ‘normaal gesprek’ ( [aangever 1] ) en er verder helemaal ‘niets zou zijn gebeurd’ ( [aangever 2] ). Dat is voor de rechtbank al reden om vraagtekens te zetten bij de verklaringen van verdachte ten aanzien van wat er precies is voorgevallen op 21 januari en 16 februari 2019. Bovendien bevatten de aangiftes van [aangever 2] en [aangever 1] een aantal details die dusdanig overeen komen dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een zogenoemde zelfde modus operandi. In beide gevallen werd de aangever kort na middernacht op een metrostation aangesproken met de boodschap dat hij iets had laten vallen, wat volgens beide aangevers niet het geval was. Hierna werden zij vastgepakt dan wel ingesloten en moesten zij hun portemonnee of hun geld afgeven. Ook werd in beide zaken gesproken over een (vuur)wapen. Tegen [aangever 1] werd immers gedreigd met een wapen en uit de aangifte van [aangever 2] volgt dat werd geroepen: ‘schiet op hem’. Tot slot vindt de aangifte van [aangever 1] met betrekking tot hetgeen zich op het perron van het metrostation heeft afgespeeld ondersteuning in de camerabeelden. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de lezing van de aangevers geloofwaardig, en niet die van de verdachte.

Bovendien is er ten aanzien van beide feiten sprake van medeplegen. [medeverdachte] is steeds de persoon die aangevers aanspreekt met het verzinsel dat zij iets zijn verloren. Hiermee legt hij het eerste contact. In de zaak van [aangever 1] tikt hij [aangever 1] zelfs aan en in de zaak van [aangever 2] blijft hij volhouden dat laatstgenoemde iets heeft laten vallen, terwijl dat niet het geval was. Na deze eerste contacten is het [verdachte] die [aangever 1] vastpakte en [aangever 2] insloot. Onder druk moesten beiden hun portemonnee/geld afgeven. [medeverdachte] graaide in de zakken van [aangever 2] en [verdachte] haalde de portemonnee van [aangever 1] leeg nadat hij deze afgaf. Verder oordeelt de rechtbank dat [verdachte] tegen [aangever 1] zei dat hij een wapen bij zich droeg en dat hij in het bijzijn van [aangever 2] tegen [medeverdachte] zei ‘schiet op hem’. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een vooropgezet plan en van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank spreekt verdachte, ten aanzien van het onder 2. tweede alternatief cumulatief ten laste, vrij van het daadwerkelijk tonen van een (vuur)wapen door [medeverdachte] . Hoewel zij de aangifte van [aangever 2] betrouwbaar acht, en vaststelt dat is geroepen ‘schiet op hem’, sluit de rechtbank niet uit dat iets anders is aangezien voor een vuurwapen. [aangever 2] verkeerde immers in angst, rende op dat moment hard weg en keek om. Bovendien betreft het een zwartkleurig voorwerp en was het donker buiten.

4.3.3.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder 3. en 4. ten laste gelegde

Op 17 februari 2019 kwam aangever [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ), pizzabezorger, terug bij zijn scooter nadat hij in een flat in Amstelveen een pizza bezorgde. Naast zijn scooter stonden twee jongens: volgens het signalement van [aangever 3] een lange Marokkaanse jongen met een gezet postuur en een kleinere jongen.11 De Marokkaanse jongen haalde de sleutel uit zijn scooter, liep samen met de andere jongen richting de flat, en riep ‘kom, kom’. Hierna vroeg hij hem wat er in de warmhoud-box van de scooter zat. Nadat [aangever 3] hem vertelde dat daarin slechts een pizza en een bakje Ben Jerry’s ijs zat zei de Marokkaanse jongen: ‘Dus het enige dat erin zit is een ijsje? Geef mij geld, geef mij je wisselgeld.’ en ‘ik heb hier iets in mijn zak dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.’ [aangever 3] riep hierop naar een voorbijganger maar die reageerde niet. Hij zei dat hij 112 zou bellen, waarop beide jongens begonnen te lachen en zeiden dat dat toch niets zou uitmaken. Toen [aangever 3] daadwerkelijk de politie belde, kwam een andere man langs waarmee hij meeliep naar diens woning. Vanuit het raam zagen zij dat beide jongens de warmhoud-box van zijn scooter doorzochten.12 [aangever 3] miste later het bakje Ben Jerry’s ijs.13

[getuige 1] , de persoon met wie aangever naar binnen is gelopen, is gehoord als getuige. Hij zag de pizzabezorger, [aangever 3] , en de twee jongens staan en vond het er in eerste instantie niet uitzien als een overval. Wel had hij door dat er iets aan de hand was. Omdat het hem veiliger leek, heeft hij tegen [aangever 3] gezegd dat hij met hem mee naar zijn woning mocht.14 Vanuit daar zagen zij dat de jongens in de bak van de scooter keken en er iets uithaalden. Toen verbalisanten ter plaatse kwamen vonden zij een open gemaakt ijsbekertje en een dekseltje.15

[verdachte] heeft verklaard dat hij [aangever 3] kende omdat zij eerder collega’s waren. Hij wilde een geintje met hem uithalen en haalde de sleutels uit het contact van de scooter.16 [medeverdachte] heeft hierover bij de politie verklaard: ‘We hebben de sleutels gepakt’ en ‘We hebben die sleutels teruggegeven’.17 [aangever 3] herkende [verdachte] niet, maar hij kwam hem wel bekend voor. [aangever 3] bood hem en [medeverdachte] een pizza aan omdat de persoon die deze pizza had besteld, niet thuis was. [verdachte] weigerde de pizza waarna [aangever 3] hen een bakje Ben Jerry’s ijs aanbood. Omdat [aangever 3] er echt op stond, nam [verdachte] het ijs aan. Misschien had [aangever 3] het gevoel dat hij werd beroofd, maar van een overval was volgens hem absoluut geen sprake.18

4.3.4.

Oordeel over het onder 3. en 4. ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat ook ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde feit, de lezingen van [aangever 3] en [getuige 1] enerzijds en van [verdachte] en [medeverdachte] anderzijds, ver uit elkaar liggen. De verklaring van [aangever 3] , vindt echter steun in de onafhankelijke getuigenverklaring van [getuige 1] . Hoewel het volgens hem in eerste instantie niet leek op een overval, had hij wel door dat er iets aan de hand was. Hij nam [aangever 3] mee zijn woning in. Beiden constateren dat [verdachte] en [medeverdachte] in de warmhoud-box van de brommer zochten daar iets uithaalden. De rechtbank begrijpt dat dit het bakje Ben & Jerry’s ijs moet zijn geweest. Dit komt dus niet overeen met het standpunt van [verdachte] , dat hij het ijsje kreeg van [aangever 3] . De rechtbank schuift de verklaring van [verdachte] als ongeloofwaardig terzijde en acht de verklaringen van [aangever 3] en [getuige 1] betrouwbaar. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben geprobeerd [aangever 3] af te persen door tegen hem te zeggen: ‘Dus het enige dat erin zit is een ijsje? Geef mij geld, geef mij je wisselgeld.’ en ‘ik heb hier iets in mijn zak dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.’ Het onder 3. tweede alternatief cumulatief is daarmee bewezen.

Volgens [verdachte] was het allemaal een grap en had [aangever 3] misschien het gevoel dat hij hem beroofde. De wijze van handelen van [aangever 3] bevestigt het laatste. Nadat hij werd bedreigd, heeft hij tweemaal om hulp geroepen, waarna hij na de tweede keer door [getuige 1] werd geholpen, en hij voelde zich kennelijk dusdanig bedreigd dat hij de politie heeft gebeld.

[verdachte] bekent de sleutel uit het contact van de scooter te hebben gehaald. Met de verklaring dat hij dit voor de grap deed, stelt hij zich in juridische zin op het standpunt dat hij geen opzet had zich die sleutel wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank verwerpt dit verweer nu [verdachte] de sleutel uit de scooter haalde en zich op dat moment als heer en meester over de sleutel is gaan gedragen. Daarmee is de diefstal bewezen, mede gelet op de uiterlijke verschijningsvormen en het hiervoor vastgestelde gegeven dat [verdachte] en [medeverdachte] dwongen tot afgifte van geld. Verder stelt de rechtbank vast dat [verdachte] en [medeverdachte] zich het Ben en Jerry’s ijs wederrechtelijk toe-eigenden. Uit niets blijkt dat [aangever 3] dit vrijwillig aan hen gaf. Sterker nog, [aangever 3] heeft verklaard dat hij na afloop van het incident het Ben & Jerry’s ijs miste en hij en getuige [getuige 1] zagen [verdachte] en [medeverdachte] in de warmhoud-box van de scooter kijken en er iets uithalen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot afpersing en het tezamen en in vereniging plegen van een diefstal. Nadat [verdachte] de sleutel uit de scooter haalde, liepen [verdachte] en [medeverdachte] samen richting de flat en even later liepen zij samen terug naar de scooter. [medeverdachte] heeft verklaard dat ‘we’, dus hij en [verdachte] , de sleutel pakten en teruggaven. Samen lachten zij op het moment dat [aangever 3] aangaf de politie te willen bellen en beiden zeiden hem dat dat toch niks uitmaakt omdat zij dan toch al weg zouden zijn. Volgens [aangever 3] en [getuige 1] doorzochten beide jongens de warmhoud-box van de scooter en volgens [aangever 3] voelde hij zich door beide jongens bedreigd en waren beide jongens hem aan het beroven.

Dat [verdachte] mogelijk een grotere rol in het geheel vervulde doet niets af aan het oordeel dat er sprake is van medeplegen. Het enkel niet-distantiëren is onvoldoende om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking, maar gelet op het voorgaande zijn de gedragingen van [medeverdachte] volgens de rechtbank verder gegaan dan het niet-distantiëren. Hij is immers steeds meegelopen (naar de scooter, naar de flat, terug naar de scooter) en maakte hierdoor constant deel uit van de poging tot overval. [aangever 3] voelde zich ook daadwerkelijk door zowel [verdachte] als [medeverdachte] bedreigd.

4.3.5.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde

Op 12 december 2018 kwam aangever [aangever 4] (hierna: [aangever 4] ) [getuige 3] tegen bij station Amsterdam Lelylaan.19 Zij spraken onder meer over een ruzie die [aangever 4] met ene [persoon 1] zou hebben. Ook [getuige] en [getuige 2] , vriendinnen van [getuige 3] , waren hierbij aanwezig.20 Na een half uur zag [aangever 4] plots drie jongens komen aanlopen, die hij als volgt omschrijft. NN1: een licht getinte jongen, ongeveer 1.90 meter lang en een stevig postuur. NN2: een licht getinte jongen, ongeveer 1.75 meter lang. En NN3: een licht getinte jongen, maar wel de donkerste huidskleur van de drie, van ongeveer 1.80 meter lang.

NN1 pakte hem vervolgens vast en trok hem naar de muur, waarna hij van NN2 een klap met de vuist op zijn wang kreeg. NN1 pakte hem steviger vast en NN2 sloeg hem met de vlakke hand tweemaal in zijn gezicht waardoor zijn bril afviel. NN2 of NN3 gaf zijn bril aan één van de meisjes. Van NN1 mocht hij eerst niet zijn bril terug, maar deze kreeg hij daarna toch. Vlak daarvoor moest hij van NN1 zijn horloge afdoen en afgeven. NN1 voelde in de binnenzak van aangever en haalde zijn Airpods eruit. Hierna moest hij zijn jas uitdoen en zijn sjaal afdoen.21 Verder vroeg NN1 [aangever 4] of hij geld of pasjes bij zich had en hij beval hem zijn zakken leeg te halen. Hierin zat een geldbedrag van € 70,-. NN1 heeft verder gezegd: ‘Ik weet waar je school is. Ik waarschuw je. Als je aangifte doet, dan spring ik binnen twee dagen in je huis. Je krijgt een kogel, jij en je vader. Als je me ziet, ook niks zeggen, ook niks doen.' Na afloop van dit voorval miste [aangever 4] drie pasjes.22

Toen [aangever 4] op 25 februari 2019 nader werd verhoord, heeft hij verbalisant een foto gestuurd waarop NN1 te zien zou zijn.23

Aanwezig bij het voorval was een drietal getuigen. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij spraken over ene [persoon 1] en dat er toen drie jongens kwamen aanlopen. Zij zag dat ze met [aangever 4] gingen praten, dat de bril van [aangever 4] afviel en dat deze door [getuige 2] van de grond werd geraapt en dat zij de bril aan één van de jongens of aan [aangever 4] gaf.24 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat werd geroepen dat [aangever 4] zijn spullen moest afgeven. Hij moest zelfs zijn horloge afdoen en één van de jongens deed deze in zijn zak.25 Verder heeft getuige [getuige 2] gezien dat er jongens kwamen aanlopen en dat zij recht op [aangever 4] afliepen. Eén van hen pakte [aangever 4] vast en duwde hem tegen de muur. Ze sloegen hem en zijn bril viel. Die bril heeft [getuige 2] opgepakt van de grond en aan [aangever 4] gegeven.26

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij [aangever 4] niet kende, maar dat hij voor een vriend opkwam die ruzie met hem zou hebben. Hij wilde rustig met hem praten. Om die reden is hij meegegaan naar de ontmoeting. Daar aangekomen hoorde hij dat [aangever 4] bedreigende woorden over hem uitte, waarna hij op [aangever 4] afliep en hem beetpakte. Daarna liet hij hem weer los en zag hij dat een jongen [aangever 4] klappen gaf. [verdachte] is hiervan weggelopen omdat dat nooit de bedoeling van de ontmoeting was.27

4.3.6.

Oordeel over het onder 5. ten laste gelegde

De rechtbank constateert dat hoewel de getuigen [getuige] , [getuige 3] en [getuige 2] niet over het gehele incident waarvan [aangever 4] aangifte heeft gedaan verklaren (zij stellen namelijk niet alles te hebben gezien), zij over wat zij wél hebben gezien gedetailleerd verklaren en gelijk aan de verklaring van [aangever 4] . Volgens [getuige] raapte [getuige 2] de bril van [aangever 4] op van de grond en gaf zij deze aan één van de jongens. [getuige 2] bevestigt dit, en voegt daaraan toe dat de bril viel doordat [aangever 4] werd geslagen nadat één van de jongens op hem kwam aflopen, hem vastpakte en hem tegen de muur drukte. [getuige 3] zag dat [aangever 4] zijn spullen moest afgeven, waaronder ook zijn horloge. Stuk voor stuk details die rijmen met wat er volgens [aangever 4] is gebeurd. De rechtbank concludeert dan ook dat de aangifte van [aangever 4] betrouwbaar is en gaat verder uit van zijn lezing van het incident.

Volgens [aangever 4] is [verdachte] de persoon die hij in zijn aangifte NN1 noemt. NN1 was de eerste van de jongens die hem vastpakte, waarna het verdere geweld begon. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij de persoon was die als eerste op [aangever 4] afstapte en hem vastgreep. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] , NN1 is. Bovendien past [verdachte] in het door [aangever 4] als NN1 opgegeven signalement en past hij niet in de signalementen waarin NN2 en NN3 worden omschreven.

Gelet op het bovenstaande, namelijk dat de rechtbank [verdachte] beschouwt als NN1 in combinatie met het oordeel dat de verklaring van [aangever 4] betrouwbaar wordt geacht, houdt de rechtbank [verdachte] verantwoordelijk voor de diefstal van Airpods met geweld door [aangever 4] vast te pakken, te slaan en hem tegen een muur te zetten. Dreigend heeft [verdachte] tegen hem gezegd: ‘Ik wil alles van je met geld’ en ‘Heb je pasjes of geld bij je? Haal je zakken leeg.

Ook komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de afpersing van [aangever 4] door hem te dwingen tot afgifte van zijn horloge, jas, sjaal, pasjes en € 70,- door te zeggen: ‘Ik wil alles van je met geld’, ‘Heb je pasjes of geld bij je? Haal je zakken leeg’ en ‘Ik weet waar je school is. Ik waarschuw je. Als je aangifte doet, dan spring ik binnen twee dagen in je huis. Je krijgt een kogel, jij en je vader. Als je me ziet, ook niks zeggen, niks doen.

Tot slot zijn de diefstal met geweld en de afpersing tezamen en in vereniging gepleegd. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen volgt dat [verdachte] samen met twee anderen op [aangever 4] afliep. [verdachte] pakte hem vast, dwong hem tot afgifte van zijn spullen en één van de andere jongens sloeg hem. Hieruit volgt volgens de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen ten laste van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

hij op 16 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en een bankbiljet van EUR 50 en een bankpas en een ov-chipkaart, dat toebehoorde aan [aangever 1] ,

door die [aangever 1] tot stoppen te dwingen en vast te pakken en te houden en die [aangever 1] met dreigende toon te gebieden zijn portemonnee af te geven en die [aangever 1] ten gehore te brengen dat er een wapen tegen hem gebruikt zou worden als hij niet zou meewerken;

ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

hij op 21 januari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van een portemonnee, die toebehoorde aan [aangever 2] ,

die [aangever 2] tot stoppen hebben gedwongen en hebben geduwd en hebben getracht te slaan en in de zakken van die [aangever 2] hebben gegraaid en die [aangever 2] dreigend de woorden “laat je geld maar eerst zien dan mag je naar huis” en “Schiet op hem”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

hij op 17 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 3] te dwingen tot de afgifte (wissel)geld, dat toebehoorde aan [aangever 3] en/of zijn werkgever,

de sleutel van de scooter van die [aangever 3] uit het contact heeft/hebben gehaald en die [aangever 3] dreigend de woorden “dus het enige dat er in zit is een ijsje? Geef mij je geld, geef mij je wisselgeld.” en “ik heb hier iets in mijn zak, dat jou erg pijn gaat doen, je gaat het toch wel geven.”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

hij op 17 februari 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met een ander, een bak Ben & Jerry’s ijs en een scootersleutel, dat aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde:

op 12 december 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge en een jas en een sjaal en pasjes en EUR 70,00, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, door die [aangever 4] vast te pakken en te slaan en tegen een muur te zetten en dreigend ten gehore te brengen dat hij (slachtoffer) zijn horloge en sjaal af moest doen en zijn jas uit moest trekken en die [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik wil alles van je met geld” en “Heb je pasjes of geld bij je? Haal je zakken leeg.”;

en

hij op 12 december 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, Airpods die toebehoorde aan [aangever 4] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [aangever 4] vast te pakken en te slaan en tegen een muur te zetten en dreigend ten gehore te brengen dat hij (slachtoffer) zijn horloge en sjaal af moest doen en zijn jas uit moest trekken en die [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik wil alles van je met geld” en ‘Heb je pasjes of geld bij je? Haal je zakken leeg” en/of “Ik weet waar je school is. Ik waarschuw je. Als je aangifte doet, dan spring ik binnen twee dagen in je huis. Je krijgt een kogel, jij en je vader. Als je me ziet, ook niks zeggen, niks doen.”

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank overgaat tot een strafoplegging, verzoekt de raadsman rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Vooral zijn toekomstige schoolcarrière speelt een grote rol. In het rapport van de reclassering staat het voortzetten van het schooltraject heel belangrijk is. Wanneer hij zich niet op 4 september 2019 op school meldt, raakt hij zijn opleiding kwijt. De reclassering adviseert een straf met voorwaarden. De raadsman verzoekt in ieder geval een lagere straf op te leggen dan die door de officier van justitie is geëist.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan twee pogingen tot straatroof en twee voltooide straatroven. Zij hebben voor de – (deels) volstrekt willekeurige - slachtoffers bedreigende situaties gecreëerd en hebben daarbij tegen hen fysiek geweld gebruikt en zware bedreigingen geuit. Uit het dossier volgt dat het handelen van verdachte en de medeverdachte hen veel angst heeft bezorgd. Dergelijke feiten versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juni 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De LOVS-oriëntatiepunten indiceren bij een straatroof met (licht) geweld en verbale bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank constateert dat enerzijds bij twee feiten sprake was van een poging, wat straf verminderend is, en anderzijds dat er sprake is van medeplegen en dat twee feiten in de nachtelijke uren plaatsvonden. Laatst genoemde aspecten werken strafverzwarend.

Hoewel de verdediging heeft betoogd dat het van groot belang is dat verdachte in september 2019 kan starten met zijn opleiding, kan de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, niet anders dan volstaan met een gevangenisstraf van na te noemen duur. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden. Hiervan zal zij drie maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, met als doel verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank acht het verder van belang als bijzondere voorwaarde te bepalen een meldplicht en een behandelverplichting, zoals door de reclassering is geadviseerd. Verdachte heeft ter zitting zelf aangegeven hierbij baat te hebben.

Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2. eerste alternatief cumulatief en 3. eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1., 2. tweede alternatief cumulatief, 3. tweede alternatief cumulatief, 4., 5. eerste alternatief cumulatief en 5. tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde:

- medeplegen van afpersing;

ten aanzien van het onder 2. tweede alternatief cumulatief en 3. tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde:

- medeplegen van een poging tot afpersing, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

- diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het onder 5. eerste alternatief cumulatief ten laste gelegde:

- medeplegen van afpersing;

ten aanzien van het onder 5. tweede alternatief cumulatief ten laste gelegde:

- diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde zich moet melden bij Reclassering Nederland aan [adres 2] wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde adviezen geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel. Met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

- Ambulante behandeling

Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een behandeling bij [instelling] en/of I-psy of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

De rechtbank geeft de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de door de rechtbank bepaalde algemene en bijzondere voorwaarden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 17 juli 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019, PV verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 153-157 en het PV van aangifte van [aangever 2] , p. 58-61

3 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

4 PV van aangifte van [aangever 2] , p. 58-59

5 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019, PV verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 153-157 en het PV van aangifte van [aangever 1] , p. 1-4

6 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

7 PV verhoor verdachte [verdachte] , p. 134

8 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

9 PV verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 156

10 PV van aangifte van [aangever 1] , p. 1 en 2

11 PV van aangifte van [aangever 3] , p. 75

12 PV van aangifte van [aangever 3] , p. 76

13 PV van aangifte van [aangever 3] , p. 77

14 PV verhoor getuige, p. 87

15 PV van bevindingen, p. 79

16 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

17 PV verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 154

18 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019

19 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 14

20 PV verhoor getuige p. 37 en pv verhoor getuige p. 39

21 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 14

22 PV van aangifte van [aangever 4] , p. 15

23 PV van nader verhoor aangever [aangever 4] , p. 31-32

24 PV van verhoor getuige [getuige] , p. 37

25 PV van verhoor getuige [getuige 3] , p. 40

26 PV van verhoor getuige [getuige 2] , p. 42

27 Verklaring van verdachte [verdachte] ter zitting op 3 juli 2019