Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5206

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
13/169896-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tweemaal bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling, taakstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/169896-18

Datum uitspraak: 22 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. F.T.C. Dölle naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich op 7 juli 2018 in Aalsmeer heeft schuldig gemaakt aan

1. bedreiging van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] ;

2. bedreiging van [persoon 1] en [persoon 3] ;

3. mishandeling van [persoon 1] ;

4. voorhanden hebben van een gasdrukwapen en een zakmes.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kunnen de vier feiten wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) bedreigd door een vuurwapen en een mes te tonen en te roepen dat hij ze ‘kankerdood’ zou maken. Deze wapens heeft hij voorhanden gehad en als dreigmiddel gebruikt. Bovendien heeft hij [persoon 1] mishandeld door hem op de grond te duwen, te slaan en zijn keel dicht te knijpen. Vervolgens heeft hij een audiobericht gestuurd in een groepsapp waarin hij dreigende woorden jegens [persoon 1] en [persoon 3] uit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft het audiobericht niet rechtstreeks naar [persoon 3] gestuurd, maar naar een groepsapp. Het opzet van verdachte was er niet op gericht dat [persoon 3] het audiobericht te horen zou krijgen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het zakmes. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat het zakmes voor geen ander doel bestemd was dan om te dreigen. Verdachte draagt vaak een zakmes bij zich omdat hij deze nodig heeft voor zijn werk. Het mes was dus wel degelijk voor een ander doel bestemd.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 geen verweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Er is voldoende bewijs voor twee bedreigingen, mishandeling en het voorhanden hebben van een gasdrukwapen en een zakmes. De rechtbank legt hieronder per feit uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

Bedreiging (feit 1)

Op basis van de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte kan bewezen worden dat verdachte [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft gedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een zakmes en geroepen dat hij hen ‘kankerdood’ zou maken.

Bedreiging (feit 2)

De rechtbank leidt uit het proces-verbaal van bevindingen af dat terwijl [persoon 3] een getuigenverklaring aflegde er een audiobericht binnenkwam op haar telefoon. In het bericht worden dreigende woorden geuit jegens [persoon 3] en [persoon 1] . De stem wordt herkend als de stem van verdachte. Verbalisanten hebben opgeschreven dat de app binnenkwam op de groepsapp genaamd ‘Gezelligheid.2018’. De rechtbank leidt hieruit af dat [persoon 3] deelnemer was van deze groepsapp en dat de app dus (mede) aan haar was verzonden. De bedreiging was bovendien van dien aard, mede gelet op de omstandigheid dat [persoon 3] op het moment dat ze het bericht ontving aangifte deed tegen verdachte, dat bij haar in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

Niet is komen vast te staan dat [persoon 1] daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van wat als bedreiging ten laste is gelegd. Dit betekent dat het ten laste gelegde reeds daarom ten aanzien van hem niet kan worden bewezen.

Mishandeling (feit 3)

Op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte kan worden bewezen dat verdachte [persoon 1] heeft mishandeld. Hij heeft [persoon 1] op de grond geduwd, hem meerdere malen geslagen en bij zijn keel gegrepen.

Voorhanden hebben van gasdrukwapen en zakmes (feit 4)

Verdachte droeg een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een zakmes. Hij heeft met het wapen geschoten en heeft het wapen op [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] gericht. Uit het wapenrapport blijkt dat het gebruikte voorwerp een gasdrukwapen is. Verdachte heeft het mes vastgehouden en is op [persoon 1] afgelopen. Het mes was daarmee voor geen ander doel bestemd dan om mee te dreigen. Verdachte heeft het gasdrukwapen en het zakmes voorhanden gehad en daarmee is er voldoende bewijs voor hetgeen tenlastegelegd is.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 7 juli 2018 te Aalsmeer, [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- in het bijzijn van die [persoon 1] meerdere malen geschoten en

- die [persoon 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp laten zien en hem daarbij dreigend de woorden: “Ik maak je kankerdood” toegevoegd,

- die [persoon 1] een zwart zakmes laten zien en hem daarbij dreigend de woorden: “Ik maak je kankerdood” toegevoegd,

- die [persoon 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp laten zien en haar daarbij dreigend de woorden: “Ik maak je kankerdood” toegevoegd,

- ( nadat hij was weggereden met zijn auto en weer uitstapte) die [persoon 2] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp laten zien en hem daarbij dreigend de woorden: “Ik maak je kankerdood” toegevoegd;

ten aanzien van feit 2

op 7 juli 2018 te Aalsmeer, [persoon 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend telefonisch, middels een spraakbericht in een whatsappgroep genaamd ‘Gezelligheid 2018’ gezegd “dat hij [persoon 1] en [persoon 3] allebei gaat vermoorden, afmaken, in stukjes hakken”;

ten aanzien van feit 3

op 7 juli 2018 te Aalsmeer, [persoon 1] heeft mishandeld door hem opzettelijk

- op de grond te duwen en;

- op zijn hoofd en pols en benen te slaan en

- zijn keel dicht te knijpen;

ten aanzien van feit 4

op 7 juli 2018 te Aalsmeer, een wapen van categorie IV, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukwapen dat zodanig geleek op een vuurwapen dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, voorhanden heeft gehad en een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, te weten een zwart zakmes, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

5 De strafbaarheid van de feiten en verdachte

De bewezen geachte feiten 1 tot en met 3 zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank zal verdachte ter zake van feit 4 ontslaan van alle rechtsvervolging omdat de Wet wapens en munitie het voorhanden hebben van de onderhavige categorieën wapens niet strafbaar stelt, zodat het bewezenverklaarde niet als een strafbaar feit kwalificeert.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een taakstraf van 240 uren wordt opgelegd. Voor feit 4, een overtreding, heeft de officier niet afzonderlijk geëist.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met het opleggen van een (voorwaardelijke) taakstraf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Hij is naar zijn ex-vriendin [persoon 3] en haar nieuwe vriend, [persoon 1] , toegegaan en heeft hen en de vader van [persoon 1] , [persoon 2] , bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes. Hij heeft vervolgens [persoon 3] bedreigd in een audiobericht dat hij telefonisch heeft verstuurd in een groepsapp. Volgens verdachte zijn deze strafbare feiten voortgekomen uit problemen in de relationele sfeer en de daaruit ontstane emoties. Ter zitting heeft verdachte erkend dat hij buitenproportioneel heeft gereageerd.

De feiten hebben diepe indruk gemaakt op de slachtoffers en op de terechtzitting van 8 mei 2019 is gebleken dat zij daar nog langere tijd last van hebben gehad.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. De gepleegde feiten rechtvaardigen volgens de rechtbank oplegging van een taakstraf. De rechtbank ziet, in tegenstelling tot de officier van justitie, geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen. Al met al is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf van 200 uren dient te worden opgelegd.

8 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 140,- aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is door de raadsvrouw van verdachte betwist. Zij heeft aangevoerd dat de door de benadeelde partij gestelde schade mede het gevolg is van de gedragingen die aan hem zijn toe te rekenen en daarom moet de vordering worden afgewezen.

De rechtbank is met de raadsvrouw van verdachte van oordeel dat er mogelijk sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij aan het ontstaan van de situatie die leidde tot het bewezen verklaarde. Uit het dossier en de verklaring van verdachte blijkt dat de benadeelde partij kort voor het incident provocerende berichten naar verdachte heeft gestuurd. Bovendien heeft de benadeelde partij deelgenomen aan het gevecht met verdachte en hem geslagen. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van eigen schuld en in welke mate, zou de behandeling van de strafzaak moeten worden aangehouden. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 2.362,31,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kosten voor de medicatie (€ 20,17), de reiskosten (€ 21,60) en de parkeerkosten (€ 5,34) zijn niet betwist. De gevorderde schadevergoeding voor deze posten komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

De kosten voor de inhuur van [persoon 4] en de kosten voor camerabewerking zijn betwist. De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat onvoldoende is aangetoond dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het strafbare feit. Nu het verband tussen het strafbare feit en de gestelde schade betwist is en dit verband niet zonder meer kan worden aangenomen terwijl in deze procedure geen ruimte is voor verder onderzoek, zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 47,11 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018).

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Door de raadsvrouw van verdachte is betwist dat er sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in oktober 2018 onder behandeling is geweest wegens PTSS klachten. Gelet op de klachten en gelet op het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij dit geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het strafbare feit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018).

In het belang van [persoon 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[persoon 3]

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat er sprake is van geestelijk letsel. Door de raadsvrouw van verdachte is betwist dat dit geestelijk letsel het gevolg is van de bedreigingen. De rechtbank stelt vast dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden op 7 juli 2018 en dat de benadeelde partij in oktober 2018 onder behandeling was. Zij had zich aangemeld wegens PTSS klachten na een geweldsincident. De rechtbank acht, gelet op dit tijdsverloop, bewezen dat de benadeelde partij het geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het strafbare feit en dit wordt niet teniet gedaan door het enkele feit dat de benadeelde partij (tevens) begeleiding ontvangt in het kader van een lichte verstandelijke beperking. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018).

In het belang van [persoon 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 tot en met 4 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in rubriek 4 onder feit 4 bewezene niet strafbaar omdat dit feit niet als strafbaar feit kwalificeert en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

De benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van [persoon 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [persoon 2] van een bedrag van € 547,11 (vijfhonderdzevenenveertig euro en elf cent), bestaande uit € 47,11 (zevenenveertig euro en elf cent) materiële schade, en € 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018).

Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 2] van een bedrag van € 547,11 (zevenenveertig euro en elf cent), bestaande uit € 47,11 (zevenenveertig euro en elf cent) materiële schade, en € 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat [persoon 2] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Wijst de vordering van [persoon 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [persoon 3] van een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018).

Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [persoon 3] van een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (7 juli 2018), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat [persoon 3] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. A.F. van Hoorn en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2019.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]