Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5189

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
C/13/667495 / FA RK 19-3476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging en aanvaardbare termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaakgegevens : C/13/667495 / FA RK 19-3476 en C/13/655547/ FA RK 18/6511 en C/13/667149/ JE RK 19/499

datum uitspraak: 24 juli 2019

beschikking betreffende verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag en verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak C/13/667495 / FA RK 19-3476 van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING AMSTERDAM, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Amsterdam,

betreffende een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,

in welke zaak als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B.M. Voogd, te Amsterdam;

[pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders, wonende op een geheim adres, advocaat mr. S. van Helvert te Nijmegen;

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam;

en in de zaak C/13/655547/ FA RK 18/66511 van:

de pleegouders, betreffende een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] ,

in welke zaak als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de moeder,

de Raad en

de GI.

en in de zaak C/13/667149/ JE RK 19/499 van:

de GI, betreffende het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] ,

in welke zaak als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de moeder en

de pleegouders.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

In de zaak C/13/655547/ FA RK 18/6511:

- het verzoek met bijlagen van de pleegouders strekkende tot beëindiging van het gezag van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank Midden-Nederland, op 18 juni 2018;

- het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 19 september 2018;

- de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 28 september 2018, waarin deze zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank Amsterdam;

- het proces-verbaal van de zitting van 10 december 2019.

Blijkens het proces-verbaal is de behandeling van de zaak - gelet op de hiërarchie van artikel 1:267 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) - in afwachting van schriftelijk bericht van de Raad over een eventueel in te dienen verzoek tot gezagsbeëindiging pro forma aangehouden tot 13 mei 2019. De zaak is tevens verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

In de zaak C/13/667495 / FA RK 19-3476:

- het verzoek met bijlagen van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder van 28 mei 2019, binnengekomen op 31 mei 2019;

- het verweerschrift van de moeder van 8 juli 2019.

In de zaak C/13/667149/ JE RK 19/499:

- de verzoeken met bijlagen van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van 27 mei 2019, binnengekomen op 28 mei 2019.

Op 11 juli 2019 heeft de rechtbank deze zaken met gesloten deuren tezamen behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en haar advocaat;

- de pleegouders en namens hun advocaat, advocaat mr. M. Kok;

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam vertegenwoordigster 1] en

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster 2] .

De datum van de beschikking is bepaald op heden.


De feiten


[minderjarige] is erkend door zijn vader [de vader] . Met de vader is de laatste drie jaar geen contact geweest.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van de kinderrechter van 30 juli 2015 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken. Op 7 augustus 2015 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend door de kinderrechter. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 29 juli 2019.

[minderjarige] is direct na zijn geboorte in het gezin van de huidige pleegouders geplaatst en woont daar nog steeds.

Op verzoek van de GI heeft het onderzoeksbureau Wegwijzer voor psychodiagnostiek en behandeling de moeder en [minderjarige] geobserveerd. Uit het onderzoeksverslag van psycholoog [naam psycholoog] van september 2017 volgt het advies om de omgangsregeling (toen een keer per maand twee uur bij de pleegouders thuis) uit te breiden, met het perspectief dat [minderjarige] op termijn bij moeder thuis komt wonen.

William Schrikker Pleegzorg is op 10 april 2018 een perspectiefonderzoek gestart (hierna; het perspectiefonderzoek). Uit het eindverslag van 11 oktober 2018 volgt - samengevat - het advies dat de omgangsregeling (een keer per maand twee uur bij of in de buurt van pleegouders thuis) uitgebreid wordt in de thuissituatie bij moeder met behulp van opvoedhulp.

Vanaf januari 2019 is de omgangsregeling uitgebreid van een keer per maand twee uur, naar drie keer per maand twee uur, de ene keer bij of in de buurt van pleegouders thuis en de andere keer bij de gespecialiseerde peutergroep [naam] .

Het verzoek van de Raad


De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

De Raad is een onderzoek gestart naar aanleiding van de melding van de GI van 14 december 2018, met de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel passend is.

Volgens de Raad is gezagsbeëindiging nodig. [minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte in het huidige pleeggezin. Er is eenmaal per drie weken omgang tussen de moeder en [minderjarige] , beurtelings bij de pleegouders en bij het specialistische kinderdagcentrum waar [minderjarige] heen gaat ( [naam] ). De oma (mz) ondersteunt moeder hierin en gaat mee. De moeder woont alleen en de vader van [minderjarige] is al drie jaar niet in beeld.

De conclusie van het perspectiefonderzoek is dat er enige twijfel is of een thuisplaatsing een succes zal worden omdat er een risico is dat het de moeder niet zal lukken de zorg voor [minderjarige] op lange termijn vol te houden.

De pleegouders hebben op 18 juni 2018 een verzoek tot gezagsbeëindiging ingediend. Zij willen dat de voogdij bij de GI komt te liggen. Het kost hen teveel tijd om de praktische zaken van [minderjarige] te regelen. Het verzoek van de pleegouders is - na verwijzing door de rechtbank Midden-Nederland - in december 2018 op zitting behandeld en toen is besloten dat de GI de Raad zou verzoeken een onderzoek naar de gezagsbeëindiging te doen.

[minderjarige] laat op alle gebieden een ontwikkelingsachterstand zien. Het is nog onbekend wat dit veroorzaakt. Het is nodig dat hier door middel van medisch onderzoek en observaties meer duidelijkheid over komt. Hij krijgt logopedie, fysiotherapie en ergotherapie. Hij heeft een grote achterstand in taalontwikkeling en problemen met zijn prikkelverwerking. Hij heeft daarom speciale aandacht nodig van zijn opvoeders en baat bij rust, structuur/ritme en voorspelbaarheid. Het advies is dat hij naar speciaal basisonderwijs zal gaan. Hij heeft een genmutatie en een dysharmonisch intelligentieprofiel. Het is onduidelijk of de genmutatie de oorzaak is van zijn ontwikkelingsproblemen.

De moeder heeft een TIQ van 85 en zit op de grens van moeilijk en gewoon lerend. De begeleiders van [het opvanghuis] , waar moeder tot de zomer 2018 verbleef, hebben destijds aangegeven dat de moeder last heeft van stress, vermoeidheid en incidentele paniekaanvallen, kwetsbaar is voor foute mannen en afhankelijk is van haar netwerk.

De moeder woont sinds de zomer van 2018 zelfstandig in een woning van het Leger des Heils en is zelf in staat haar huishouden en financiën te organiseren. De moeder ontvangt nog wel ambulante ondersteuning. De coach van de moeder, [naam coach] , geeft aan dat de moeder een steunend netwerk heeft en een doorzetter is. De moeder heeft traumabehandelingen gehad, die positief zijn afgerond. De moeder en [minderjarige] hebben altijd omgang met elkaar gehad, eerst één keer per maand twee uur en sinds kort één keer per drie weken twee uur. De moeder heeft een nieuwe vriend bij wie zij steun ervaart. Zij staat open voor hulpverlening, komt haar afspraken na en stelt zich begeleidbaar op.

De moeder heeft vanaf dat [minderjarige] anderhalf jaar oud is dus persoonlijke groei en ontwikkeling laten zien. Het onderzoek van psychologe [naam psycholoog] in september 2017 was positief over de moeder. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de opvoedvaardigheden van de moeder voldoende zijn en met opvoedondersteuning zouden kunnen worden versterkt. Geadviseerd werd de omgang uit te breiden. Dit onderzoek was volgens de GI te summier. Er is volgens de GI onvoldoende gekeken naar wat [minderjarige] nodig heeft van zijn opvoeders om zich zo adequaat en optimaal mogelijk te ontwikkelen. Er zou eerst beter moeten worden gekeken naar de betekenis van het gedrag en de opvoedingsbehoeften van [minderjarige] voordat gesteld kan worden dat de opvoedingsvaardigheden van de moeder daarbij voldoende aansluiten en of overgegaan kan worden tot een gefaseerde thuisplaatsing. Pleegzorg kon in zijn uitgebreid perspectiefonderzoek van oktober 2018 deze vraag niet goed beantwoorden en het advies was de omgang uit te breiden, om meer duidelijkheid over het perspectief te krijgen. Dit is niet gebeurd. Gelet op de prikkelverwering van [minderjarige] en zijn behoefte aan structuur en gewenning, zou dit maanden of zelfs jaren kunnen duren. De onzekerheid van [minderjarige] over zijn toekomstperspectief duurt al ruim drie en een half jaar. Gelet op de theorieën over de aanvaardbare termijn, heeft de GI ervoor gekozen nu de knoop door te hakken en te beslissen dat het opvoedperspectief bij de pleegouders ligt. [minderjarige] is namelijk goed gehecht in het pleeggezin. Het al dan niet uitbreiden van de omgangsregeling – waaruit mogelijk zou volgen dat moeder over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt om voor [minderjarige] te zorgen – maakt dat om die reden niet anders.

Daarnaast leidt het gezag van moeder ook tot praktische problemen. De moeder geeft altijd haar toestemming als die haar gevraagd wordt, maar het is onduidelijk of zij echt begrijpt en inzicht heeft in wat nodig is. Doordat de toestemming van de moeder nodig is, raken de observaties en controles regelmatig vertraagd. Iedere verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing levert gedoe op tussen de GI, de moeder en de pleegouders. Gelet op ook deze omstandigheden is de Raad van mening dat het gezag beëindigd dient te worden.

Kortom, de Raad is er onvoldoende van overtuigd dat de moeder de volledige zorg op zich zal kunnen nemen. Volgens de Raad is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om in onzekerheid te blijven over zijn toekomstperspectief verstreken en ligt het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders. Het is niet in het belang van [minderjarige] om hem uit zijn veilige opvoedomgeving te halen en hem te plaatsen bij de moeder. Het is belangrijk dat hij verder kan opgroeien in een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. Als er niets verandert, dan blijft onduidelijk waar hij op zal groeien. Deze onduidelijkheid maakt dat de moeder en de pleegouders een steeds slechtere band met elkaar krijgen, wat zijn weerslag heeft op [minderjarige] .

Ondanks dat moeder zich inzet, de afspraken trouw nakomt en de omgang tussen [minderjarige] en de moeder positief verloopt, meent de Raad dat een gezagsbeëindiging veel duidelijkheid voor de betrokkenen zal geven. De betrokkenen zullen rust ervaren aangezien zij niet meer geconfronteerd worden met de verlengingszittingen bij de kinderrechter.

Volgens de Raad dient de GI met de voogdij over [minderjarige] belast te worden. De GI kan een bemiddelende rol spelen met betrekking tot de omgang en kan de omgangsregeling monitoren en waar mogelijk uitbreiden. De Raad heeft ook overwogen om te adviseren om de voogdij bij de derden (zoals pleegouders, oma en vader) neer te leggen. Gezien de complexe problematiek van [minderjarige] , de spanning tussen de moeder en de pleegouders en het feit dat vader al drie jaar uit beeld is, is de Raad van mening dat de GI vanuit een neutrale rol het beste tegemoet kan komen aan de belangen van [minderjarige] .

Indien de gezagsbeëindiging wordt uitgesproken blijft de moeder de ouderrol op afstand vervullen. Zij blijft de moeder en het is van belang dat [minderjarige] goed contact heeft met zijn moeder.

De Raad heeft zijn verzoek ter zitting gehandhaafd.

Het verweer van de moeder

De moeder verweert zich tegen de beëindiging van het gezag. Volgens de moeder staat niet vast dat zij de zorg en de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] niet op zich kan nemen en wordt er niet aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging voldaan.

De moeder wijst er (onder meer) op:

  • -

    dat in de beschikking tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van 21 juli 2017 staat dat de moeder een positieve ontwikkeling doormaakte, dat onderzocht moest worden of zij op emotioneel vlak kon aansluiten bij [minderjarige] en of zij over pedagogische vaardigheden beschikt om [minderjarige] met zijn specifieke problematiek de structuur en duidelijkheid te bieden die hij nodig heeft;

  • -

    dat uit het onderzoek van september 2017 naar voren komt dat de moeder voor de veiligheid van [minderjarige] kan zorgen, haar opvoedvaardigheden voldoende zijn en dat het positief is dat zij een steunend netwerk heeft. Het advies is de omgangregeling uit te breiden met het perspectief dat [minderjarige] op termijn bij de moeder komt wonen.

  • -

    dat het perspectiefonderzoek vervolgens pas op 10 april 2018 is gestart;

  • -

    dat in de beschikking van 20 juli 2018 betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing staat dat de Raad vorig jaar (2017) de GI al heeft meegegeven om het opgroeiperspectief van [minderjarige] grondig te onderzoeken en eventueel een verzoek tot een verderstrekkende maatregel in te dienen. In deze beschikking staat ook dat de GI dit echter heeft verzuimd te doen en pas recent is gestart met dit onderzoek. In deze beschikking is ook het belang van de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder benadrukt;

  • -

    dat uit het perspectiefonderzoek van oktober 2018 naar voren komt dat de moeder aan zes van de zeven door de jeugdzorgmedewerker gestelde bodemeisen voldoet. Er is enige twijfel of een thuisplaatsing een succes zal worden, vooral of de moeder de zorg kan volhouden op termijn. Juist om dit aspect te kunnen beoordelen is het advies de bezoekregeling verder uit te breiden in de thuissituatie bij de moeder met behulp van opvoedhulp.

De GI heeft in weerwil van de adviezen en de genoemde uitspraken de omgang met de moeder niet willen uitbreiden. De moeder heeft nog steeds een minimale omgang met [minderjarige] . De moeder reageert altijd snel op verzoeken van de GI en zet haar handtekening als deze wordt gevraagd. De moeder vindt het perspectiefonderzoek ook eenzijdig, nu de situatie bij de pleegouders niet is geobserveerd. Dat [minderjarige] na omgang met de moeder een paar dagen lastig en moeilijk hanteerbaar is, is geen reden haar gezag nu te beëindigen.

Beëindiging van het gezag van de moeder zou een inbreuk op het recht op familieleven van de moeder met [minderjarige] betekenen. Deze inbreuk is niet gerechtvaardigd, als niet eerst alle middelen zijn benut en onsuccesvol zijn gebleken. Enkel tijdsverloop kan een inbreuk op het familieleven niet rechtvaardigen, in het bijzonder niet als dit tijdsverloop door de hulpverlening zelf is veroorzaakt.

Het standpunt van de GI

De GI is het eens met het verzoek van de Raad. Een nader onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder zou gelet op de specifieke problematiek waarmee [minderjarige] kampt te lang duren, terwijl de aanvaardbare termijn al is verstreken. Het is niet in zijn belang om nog langer te wachten met het beëindigen van het gezag. Het uitbreiden van de omgangsregeling staat wat betreft de GI los van de vraag of het gezag beëindigd moet worden.

Het standpunt van de pleegouders

De pleegouders zijn het eens met het verzoek van de Raad.

De beoordeling

Het verzoek van de pleegouders

Uit artikel 1:267, eerste lid, van het BW volgt dat pleegouders slechts dan een verzoek tot beëindiging van het gezag kunnen doen, indien de Raad hiertoe niet overgaat. Nu de Raad bij verzoek van 31 mei 2019 een verzoek heeft ingediend, dat evenals als het verzoek van de pleegouders strekt tot gezagsbeëindiging van de moeder, zijn de pleegouders in hun verzoek niet-ontvankelijk. Dat de Raad zijn verzoek pas na de pleegouders heeft gedaan doet hier niet aan af, nu de Raad niet eerder door de GI is gevraagd om een onderzoek naar de wenselijkheid van de beëindiging van het gezag te doen.

Het verzoek van de Raad

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Volgens de Raad is de aanvaardbare termijn verstreken, gelet op de lange duur dat [minderjarige] in het pleeggezin verblijft. Dat de moeder zich positief heeft ontwikkeld en dat het perspectiefonderzoek uit 2018 niet volledig kon worden uitgevoerd, doet hier niet aan af.

De rechtbank heeft er oog voor dat [minderjarige] al sinds zijn geboorte in het pleeggezin woont, dat hij goed is gehecht aan het pleegezin en dat hij gebaat is bij een stabiele thuissituatie. Dit dient bij de beoordeling derhalve zwaar te wegen. Toch hoeft dit niet zonder meer te betekenen dat de aanvaardbare termijn is verstreken.

De rechtbank verstaat onder aanvaardbare termijn de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wordt het kind ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en is een uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding dan dient de verzoeker aandacht te besteden aan twee cruciale vragen:

  1. wat is voor dit kind, in deze specifieke context een aanvaardbare termijn om in onzekerheid te blijven over de vraag waar hij opgroeit? En

  2. is de verwachting gerechtvaardigd dat de ouders binnen die termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen?

Op basis van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geldt dat voldoende moet zijn geïnvesteerd in de band tussen kind en ouders teneinde een terugkeer naar huis te bewerkstelligen voordat een verderstrekkende maatregel mag worden overwogen. Beëindiging van het gezag is alleen toegestaan, na een zorgvuldige en frequente evaluatie van de mogelijkheden tot thuisplaatsing. Dit betekent dat het noodzakelijk is eerst deugdelijk onderzoek te verrichten naar het opvoedperspectief van de minderjarigen alvorens een verderstrekkende maatregel gelegitimeerd is. De rechtbank is van oordeel dat dat in het geval van [minderjarige] en zijn moeder in onvoldoende mate is gebeurd.

De rechtbank stelt vast dat uit het perspectiefonderzoek blijkt dat de moeder zich positief ontwikkelt en dat zij aan zes van de zeven door de jeugdzorgmedewerker gestelde bodemeisen voldoet. Deze zijn:

  • -

    dat zij kan aansluiten bij het spel van [minderjarige] ;

  • -

    dat zij na het bezoek kan vertellen wat er goed is gegaan en wat er minder goed is gegaan;

  • -

    dat zij een netwerk heeft dat haar intensief kan ondersteunen in het ouderschap;

  • -

    dat zij woonruimte heeft met minimaal twee kamers waar [minderjarige] een eigen bed/ruimte heeft;

  • -

    dat zij bekend is met de financiële zaken rondom de verzorging van een kind;

  • -

    dat zij structurele begeleiding en opvoedondersteuning heeft na terugplaatsing.

De bodemeis waar de moeder mogelijk niet aan voldoet is dat zij [minderjarige] kan troosten (kalmeren) wanneer hij overprikkeld raakt. Dit kon niet onderzocht worden, omdat [minderjarige] geen specifiek huilgedrag heeft laten zien of overprikkeld is geraakt tijdens de observaties. Volgens de onderzoeker is er enige twijfel of een thuisplaatsing een succes zal worden omdat er een risico is dat het de moeder niet zal lukken om de zorg voor [minderjarige] vol te houden op de langere termijn. Om dit duidelijk te krijgen is het advies de omgang verder uit te breiden in de thuissituatie bij de moeder met behulp van opvoedondersteuning. Vaststaat dat dit niet is gebeurd.

Nu dit advies niet is opgevolgd en de omgang niet verder is uitgebreid en geobserveerd, kan op basis van het perspectiefonderzoek niet worden geconcludeerd dat het perspectief definitief niet meer bij de moeder ligt.

De omstandigheid dat [minderjarige] na de omgang met de moeder meerdere dagen lastig gedrag vertoont, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat [minderjarige] is gebaat bij veel structuur en voorspelbaarheid en moeite heeft met prikkelverwerking. Gebleken is ook dat zijn problemen met prikkelverwerking zich zeer veelvuldig voordoen en niet specifiek gekoppeld zijn aan de omgang met de moeder. Zo hebben de pleegouders ter zitting toegelicht dat [minderjarige] problemen heeft met onverwachte gebeurtenissen en dat hij bijvoorbeeld bij een bezoek aan de supermarkt of de kinderboerderij al ontregeld kan raken.

Duidelijk is ook dat [minderjarige] aan alles lang, meer dan een gemiddeld kind, moet wennen. Zo volgt uit het perspectiefonderzoek dat het twee jaar heeft geduurd voordat [minderjarige] in het pleeggezin was gewend en gehecht. Dat – zoals de pleegouders hebben aangevoerd – de aanvaardbare termijn al na zes maanden na de geboorte van [minderjarige] zou zijn verstreken, kan in dit geval dan ook niet worden geconcludeerd. De aanvaardbare termijn is geen harde termijn en gelet op de specifieke problematiek van [minderjarige] zijn er redenen om aan te nemen dat de termijn in dit geval van (substantieel) langere duur is. Daarnaast is het niet ondenkbaar, zo de Raad en de GI ter zitting ook hebben erkend, dat het gedrag dat [minderjarige] na de omgang vertoont juist komt doordat hij de moeder zo weinig ziet en zij dus geen deel uit maakt van zijn reguliere structuur. Ook vindt de rechtbank het relevant dat ter zitting duidelijk is geworden dat de pleegouders en de moeder hem niet belasten met de vraag waar hij verder op gaat groeien. Het is voor [minderjarige] in het geheel geen issue. De pleegouders hebben toegelicht dat [minderjarige] ’s besef van tijd niet verder dan gaat dan wat er gisteren is gebeurd en morgen zal gebeuren. In die zin verkeert hij dus niet in onzekerheid over zijn toekomstperspectief. Van het overschrijden van een termijn die het kind niet meer kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen is dan ook nog geen sprake. Evenmin is vast komen te staan dat [minderjarige] verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling oploopt, omdat de pleegouders en moeder zelf in onzekerheid verkeren. Dat de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing spanningen teweegbrengt tussen de moeder en de pleegouders, rechtvaardigt nog geen gezagsbeëindiging.

De rechtbank kan de Raad verder niet volgen in zijn standpunt dat, zolang de moeder belast is met het gezag, de beslissingen die over [minderjarige] moeten worden genomen, door haar doen of nalaten vertraging oplopen. De moeder heeft dit punt ter zitting gemotiveerd weersproken. Uit niets blijkt dat de moeder ooit heeft geweigerd haar toestemming te verlenen wanneer dit haar werd gevraagd.

De Raad heeft toegelicht dat het verzoek mede is ingegeven in de hoop dat de moeder zal accepteren dat [minderjarige] bij de pleegouders zal opgroeien. De rechtbank kan de Raad hier evenmin in volgen. Nu het onderzoek onvolledig is geweest en het met deze stand van zaken onduidelijk zal blijven of de moeder de zorg voor [minderjarige] voor de lange duur op zich zal kunnen nemen, acht de rechtbank de kans reëel dat een gezagsbeëindiging de weerstand van de moeder juist zal vergroten en haar acceptatie van een perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin zal bemoeilijken. De mogelijkheden tot terugplaatsing van [minderjarige] zijn immers niet grondig onderzocht. De rechtbank acht het juist in verband met de acceptatie van de moeder, van belang dat het advies van het perspectiefplan zal worden opgevolgd en dat de omgang met de moeder zal worden uitgebreid en geobserveerd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de moeder de afgelopen jaren hard aan zichzelf heeft gewerkt om haar leven op orde te krijgen. Daarbij heeft zij een grote leerbaarheid laten zien, heeft zij betrokken mensen om zich heen, kan zij goed aangeven wanneer zij iets lastig vindt en is dan niet bang om hulp te vragen. In september 2017 is al geadviseerd de omgang uit te breiden, eind 2018 is dat weer geadviseerd. Hieraan is telkens geen gevolg gegeven, met uitzondering van een minimale uitbreiding in de frequentie begin 2019. Gezien het bovengenoemde beperkte tijdsbesef van [minderjarige] (maximaal drie dagen) kan dit echter niet als een reële uitbreiding van de omgang worden gezien. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank slecht voorstelbaar dat een gezagsbeëindiging tot meer acceptatie van de situatie bij de moeder zal leiden.

Gelet op al het voorgaande volgt de rechtbank de Raad niet in zijn standpunt dat in dit specifieke geval de aanvaardbare termijn al is verstreken. De rechtbank merkt daarbij wel op dat niet uitgesloten kan worden dat – mede gelet op de duur van de uithuisplaatsing en de aanstaande schoolgang van [minderjarige] – gezagsbeëindiging vanwege het overschrijden van de aanvaardbare termijn op enig moment wel aan de orde kan zijn. Om die reden dient het onderzoek naar het opvoedperspectief dan ook op zo kort mogelijke termijn in zijn volledigheid te worden afgerond.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat op dit moment niet aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder afwijzen.

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij de pleegouders te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De rechtbank stelt vast dat de moeder zich niet verweert tegen verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de uithuisplaatsing. Zij wil het liefst dat [minderjarige] bij haar komt wonen.

De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van de [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen, nu de moeder zich hiertegen niet heeft verweerd en de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] nodig acht.

De GI heeft in zijn verzoek geen doelen vermeld waaraan gedurende de ondertoezichtstelling gewerkt zou moeten worden. De rechtbank acht het evenwel belangrijk dat er in ieder geval aan de volgende doelen wordt gewerkt:

  • -

    het opgroeiperspectief van [minderjarige] wordt duidelijk;

  • -

    de omgang tussen de moeder en [minderjarige] wordt uitgebreid naar (minimaal) één keer per week;

  • -

    de moeder krijgt opvoedondersteuning, ook bij invulling van de omgang met [minderjarige] .

Nu [minderjarige] reeds vanaf zijn geboorte bij de pleegouders woont en het – zoals hierboven is vermeld – onduidelijk is of de moeder de zorg en de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] voor de lange duur op zich kan nemen, zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing eveneens verlengen. De rechtbank vindt het belangrijk dat direct zal worden gestart met de uitbreiding van de omgang en dat deze zal worden geobserveerd, zodat het opvoedingsperspectief van [minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk zal worden. Gelet op de prikkelgevoeligheid van [minderjarige] acht de rechtbank het daarbij vooralsnog niet in zijn belang dat deze omgang bij de moeder thuis zal plaatsvinden, nu dit met name vanwege de reisafstand te veel van hem zal vragen. Gezocht zal moeten worden naar een manier waarop de moeder een reële kans krijgt te laten zien waartoe zij in staat is, zonder dat dit teveel wordt voor [minderjarige] . Het is aan de GI om hier samen met de moeder, de pleegouders en de pleegzorgbegeleiding afspraken over te maken. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk de voortgang te kunnen monitoren, mede gelet het feit dat de GI geen uitvoering heeft gegeven aan de adviezen van mevrouw Van Erp en het perspectiefonderzoek. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende verzoek, zoals hieronder in het dictum van deze beschikking staat aangegeven.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing


De rechtbank:

in de zaak C/13/667495 / FA RK 19-3476:

- wijst het verzoek af;

in de zaak C/13/655547 / FA RK 18-6511:

- verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek;

in de zaak C/13/667149 / JE RK 19/499:

- verlengt de ondertoezichtstelling tot 29 juli 2020;

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij pleegouders tot 29 januari 2020, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot een nader te bepalen zitting bij voorkeur met dezelfde zittingscombinatie vóór 29 januari 2020. De GI, de moeder en de pleegouders dienen de rechtbank uiterlijk twee weken voor deze zitting schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen en worden hierbij opgeroepen dan te verschijnen.

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Beunk, voorzitter tevens kinderrechter, mr. E.M. Devis en mr. M. van der Kaay, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.W. van der Weel, griffier, op 24 juli 20191.

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.