Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5143

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
13/684036-19 (Promis) + 13/237946-18 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 37-jarige man die gereedschapskoffers en kleding stal in Amsterdam en ruim 65 gram hasj in zijn bezit had, is veroordeeld tot een voorwaardelijke opname van twee jaar in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684036-19 (Promis) + 13/237946-18 (TUL)

Datum uitspraak: 19 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfsplaats,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2019.

Verdachte is ter terechtzitting bijgestaan door M.A. Kwasnik-Waardenburg, tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.W.P. Beijen naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat deskundige R. Nuyens, verbonden aan GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. diefstal van twee gereedschapskoffers toebehorende aan de Praxis op 19 februari 2019 te Amsterdam;

2. opzettelijk aanwezig hebben van 65,9 gram hasjiesj op 19 en 20 februari 2019 te Amsterdam;

3. diefstal van kledingstukken toebehorende aan de Perry Sport op 13 mei 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde diefstal bij de Praxis bewezen op grond de aangifte, het proces-verbaal waarin de camerabeelden zijn beschreven en de bekennende verklaring van verdachte.

De onder 2 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van 65,9 gram hasjiesj acht de officier van justitie bewezen op grond van het proces-verbaal waarin de fouillering van verdachte is beschreven en de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie acht de onder 3 ten laste gelegde diefstal bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van getuige [naam getuige] en de bekennende verklaring van verdachte.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op 19 februari 2019 twee gereedschapskoffers toebehorende aan de Praxis te Amsterdam wederrechtelijk heeft weggenomen. Zij acht dit feit bewezen op grond van de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven en de bekennende verklaring van verdachte.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte op 19 en 20 februari 2019 te Amsterdam opzettelijk 65,9 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad. Zij acht dit feit bewezen op grond van het proces-verbaal van bevindingen waarin de fouillering van verdachte is beschreven, het verslag van het Laboratorium Forensische Opsporing waaruit blijkt dat de in beslag genomen middelen tezamen inderdaad 65,9 gram hasjiesj betreffen en de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de hasjiesj aanwezig had voor eigen gebruik.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat verdachte op 13 mei 2019 kledingstukken toebehorende aan de Perry Sport te Amsterdam wederrechtelijk heeft weggenomen. Zij acht dit feit bewezen op grond van aangifte, de verklaring van getuige [naam getuige] en de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de kledingstukken voor zichzelf heeft weggenomen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 19 februari 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee gereedschapskoffers (totale waarde 108,98 euro), toebehorende aan winkelbedrijf Praxis;

2.

in de periode van 19 februari 2019 tot en met 20 februari 2019 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 65,9 gram hasjiesj;

3.

op 13 mei 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kledingstukken (ter waarde van 149,97 euro), toebehorende aan winkelbedrijf Perry Sport (locatie [adres] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 (Voorwaardelijke) ISD-maatregel

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest. Verdachte voldoet aan de harde en zachte ISD-criteria. Vanwege het ontbreken van een GBA-adres stagneerde de aanmelding voor een detox-traject en verdachte heeft zich niet aan de meldplicht gehouden, waardoor het toezicht niet uitvoerbaar was.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht niet de ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft in Engeland op vrijwillige basis een behandeling gehad voor zijn alcoholverslaving. Meer is over deze behandeling niet bekend. De ISD-maatregel dient te worden opgelegd als ultimum remedium. Er zijn geen eerdere interventies binnen een justitieel kader aan verdachte opgelegd. In de strafzaak uit 2017 is geen behandelverplichting aan verdachte opgelegd. In de onderhavige zaak is verdachte op 5 maart 2019 door de rechter-commissaris geschorst met als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting, maar deze was ten tijde van het delict van 13 mei 2019 buiten verdachtes schuld nog niet aangevangen. De raadsman is zodoende van mening dat er niet aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en verdachte in het kader daarvan op te laten nemen in een verslavingskliniek. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden en de reclassering te doen onderzoeken of verdachte vanuit detentie rechtstreeks bij een verslavingskliniek terecht zou kunnen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft twee winkeldiefstallen gepleegd. Winkeldiefstallen zorgen voor veel overlast en hinder voor de gedupeerde winkeliers. Daar komt bij dat verdachte 65,9 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad.

De rechtbank heeft kennis genomen van het e-mailbericht van 15 mei 2019 van [naam 1] van de reclassering Inforsa. Dit e-mailbericht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in: sinds 22 maart 2019 heeft [naam 1] contact met verdachte. Op de eerste twee meldplichtafspraken is verdachte met zijn vriendin verschenen. Op een derde afspraak is verdachte, zonder tegenbericht, niet verschenen. De reclassering heeft geprobeerd om via de huisarts van betrokkene een detox-opname te realiseren, maar dit was niet mogelijk omdat verdachte niet over een Nederlandse zorgverzekering beschikte. Vervolgens is verdachte aangemeld bij Jellinek, maar verdachte heeft kort daarop gerecidiveerd, waardoor een opname niet van de grond is gekomen. Verdachte staat op dit moment op een wachtlijst bij FAZ (Forensische Ambulante Zorg) van Inforsa.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van

26 juni 2019, opgemaakt door R. Nuyens. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: verdachte woont bij zijn vriendin en werkt als kok in een restaurant. Verdachte kampt met alcoholverslaving, schulden en depressies. Het bevel tot voorlopige hechtenis is op 5 maart 2019 door de rechter-commissaris geschorst. Vanwege het ontbreken van een GBA-adres stagneerde toen een aanmelding voor een detox-traject. De meldplicht werd door verdachte niet nagekomen. Verdachte zit sinds 13 mei 2019 in detentie. Na zijn recidiveren werd het schorsingstoezicht door de reclassering geretourneerd. Verdachte voldoet aan de harde en zachte ISD-criteria. Eerdere drangkaders stagneerden als gevolg van recidive. De reclassering adviseert de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Gedurende de ISD-maatregel kan verdachte deelnemen aan een verslavingsbehandeling en trainingen om zijn verslaving te doorbreken.

Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting reclasseringswerker R. Nuyens, verbonden aan GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam, als deskundige gehoord. Zijn verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: er zijn voor verdachte geen mogelijkheden buiten het kader van de ISD-maatregel. Verdachte is in zijn schorsing de gemaakte afspraken niet nagekomen. Hij kon na zijn schorsing niet meteen geplaatst worden bij een verslavingskliniek. Verdachte kampt al jaren met verslavingsproblematiek, die ten grondslag ligt aan zijn delictgedrag. Verdachte dient daarom langdurig te worden begeleid om het delictpatroon te kunnen doorbreken. Volgens de reclassering is op dit moment een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enige manier om dat te kunnen bewerkstelligen. De taalbarrière zou wel een probleem kunnen gaan vormen. Veel trainingen binnen de ISD-maatregel zijn in groepsverband en zullen in het Nederlands worden gegeven. Het is onduidelijk of de behandelaars en medegedetineerden voldoende Engels spreken om verdachte daaraan te kunnen laten deelnemen. Dit geldt tevens voor een dergelijke behandeling buiten het ISD-traject om. Het is onbekend op welke termijn verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden terecht zou kunnen bij een kliniek van Jellinek. Het is tevens onduidelijk of dat aansluitend op detentie zou kunnen plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 11 juni 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 13 mei 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. De rechtbank stelt vast dat er aan de harde ISD-criteria is voldaan.

De rechtbank ziet echter aanleiding om een voorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Zoals blijkt uit de eerdere rapportages heeft verdachte niet in een minder ingrijpend drangkader de kans gekregen een ambulante dan wel klinische behandeling voor zijn verslavingsproblematiek te ondergaan. Verdachte is weliswaar op 5 maart 2019 door de rechter-commissaris geschorst met een behandelverplichting, maar deze behandeling was op 13 mei 2019, het moment van recidiveren, nog niet van de grond gekomen. Verdachte was de meldplichtafspraken nagekomen. De derde meldplichtafspraak ging niet door vanwege de aanhouding van verdachte. Het niet aanvangen van een behandeling heeft deels gelegen in het feit dat verdachte niet over een Nederlandse zorgverzekering beschikte. Vervolgens was in een kliniek van Jellinek niet direct plaats. Het is dus niet geheel aan de schuld van verdachte te wijten dat de behandeling niet van start heeft kunnen gaan. De rechtbank betreurt het dat verdachte heeft gerecidiveerd maar moet ook vaststellen dat verdachte in die periode kampte met onbehandelde verslavingsproblematiek. De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de mogelijkheden om het delictgedrag te doorbreken in een minder ingrijpend kader zijn uitgeput. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen en daaraan onder meer de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich dient te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek. Gezien de opbouw van justitiële documentatie is dit een laatste kans voor verdachte om buiten het kader van de ISD-maatregel aan zijn verslavingsproblematiek te werken.

Indien verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden, zal een onvoorwaardelijke ISD-maatregel vermoedelijk volgen. Om de recidive van verdachte te beëindigen en de oplossing van zijn verslavingsproblematiek alle kansen te geven, en de samenleving optimaal te beschermen zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren worden opgelegd. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

8 Tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 25 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/237946-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 december 2018 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is verstrekt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van 13/237946-18 te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen

38m, 38n, 38p, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht en 3 en 11 van de Opiumwet

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 3

diefstal, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Legt op de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 (twee) jaar gestelde proeftijd de volgende voorwaarden niet is nagekomen:

Als algemene voorwaarden geldt dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

4. zich meldt bij Reclassering Inforsa, Team West, [adres 1] en zal zich telkens weer melden zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen van genoemde reclasseringsinstelling zolang deze instelling dat noodzakelijk acht;

Alcoholverbod

5. zich voor de duur van de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en andere verdovende middelen en zal ter handhaving van dit verbod zijn medewerking verlenen aan urinecontroles zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

Behandelverplichting

6. zich bij FAZ (Forensische Ambulante Zorg) van Inforsa zal laten behandelen voor

zijn alcoholprobleem en eveneens, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zal meewerken aan een opname in een verslavingskliniek. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de regels en de aanwijzingen die door de behandelaar/zorginstelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 13/237946-18 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. S. Djebali en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli 2019.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.