Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5085

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam heeft onvoldoende gemotiveerd wat de basis is die bepaalt hoeveel uur huishoudelijke hulp Amsterdammers krijgen op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4843

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Splunder en mr. J.C. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 voor een bedrag van € 65,25 per week

(3 uur en 45 minuten) vanaf 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019.

Bij besluit van 9 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, in die zin dat aan eiser een pgb van € 69,60 per week (4 uur per week) is toegekend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019, gelijktijdig met de zaak met nummer AMS 18/4735. Eiser is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam moeder] (moeder van eiser), [naam 1] van Cliëntenbelang Amsterdam en [naam 2] (Stichting MEE). Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] , is alleenwonend en ontvangt mantelzorg van zijn moeder die naast hem woont. Eiser is bekend met een slaapaandoening, hoofdpijnaanvallen, een verstandelijke handicap en een sociaal-emotionele ontwikkelingsstoornis. Eiser heeft een IQ van 50 en heeft moeite met structuur toepassen en met het communiceren met anderen. Eiser lijdt tevens aan verzameldrang. Eiser ontvangt 13 uur ambulante begeleiding per week. Ook ontvangt eiser hulp bij het huishouden.

1.2.

Over de periode van 27 februari 2013 tot en met 25 februari 2018, ontving eiser een pgb voor hulp bij het huishouden voor 5 uur per week. Dit was gebaseerd op de oude Wmo 2007. Na invoering van de Wmo 2015 en het daartoe ontwikkelde beleid, is eisers pgb voor hulp bij het huishouden verlaagd naar 2 uur en 25 minuten per week. Naar aanleiding van eisers bezwaarprocedure werd dat verhoogd naar 3 uur en 30 minuten. In navolging van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en deze rechtbank heeft verweerder het beleid moeten terugdraaien en tijdelijk weer het eerdere pgb van 5 uur per week aan eiser toegekend (in afwachting van nieuw beleid). Op 5 april 2017 heeft de gemeenteraad dat nieuwe beleid vastgesteld.

1.3.

Op verzoek van verweerder heeft het Indicatieadvies Bureau (IAB) eisers recht op een pgb opnieuw onderzocht. Op 31 januari 2018 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Het IAB heeft tijdens het huisbezoek een afsprakenoverzicht ingevuld en daarop aangekruist welke activiteiten moeten worden overgenomen. De frequentie van de ondersteuning per week/weken is niet ingevuld. Het IAB heeft een advies opgesteld en daarbij een puntenberekening gevoegd waarmee het aantal gescoorde punten wordt berekend. In totaal gaat het om 767 punten op jaarbasis, gedeeld door 52 weken is 15 punten per week. Omdat

1 punt 15 minuten vertegenwoordigt, ontvangt eiser 3 uur en 45 minuten hulp bij het huishouden per week. In het advies overweegt het IAB dat eiser is aangewezen op de voorziening huishoudelijke hulp met betrekking tot een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone was. Het gaat daarbij om een gehele overname. Verder moet rekening worden gehouden met de verzameldrang van eiser waardoor sprake is van een hogere frequentie in opruimen en afnemen.

1.4.

In navolging van het advies van het IAB heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiser de voorziening hulp bij het huishouden toegekend in de vorm van een pgb waarmee eiser 3 uur en 45 minuten zorg per week kan inkopen (15 punten).

1.5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het gewijzigde standpunt gesteld dat in plaats van 15 punten per week aan eiser 16 punten per week moeten worden toegekend, zodat eiser hiermee 4 uur zorg per week kan inkopen. Het afnemen en opruimen moet immers volledig worden overgenomen van eiser. Voor de woonkamer, slaapkamer en hal is een factor 8 toegekend, terwijl voor de keuken een factor 7 was toegekend. Omdat nergens uit bleek waarom enkel voor de keuken factor 7 was toegekend, is vervolgens ook voor de keuken factor 8 toegekend. Dit brengt het totale aantal punten per week op 16. Voor het overige stelt verweerder zich op het standpunt dat het IAB een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het advies onpartijdig, objectief en inzichtelijk is. Eiser kan zelf zijn afval buitenzetten, maar het overige huishoudelijke werk moet worden overgenomen. Verder kost het opruimen en afnemen bij hem twee keer zoveel tijd als gemiddeld. Normaal gesproken wordt factor 4 toegekend, maar eiser krijgt daarom factor 8. Wat betreft het strijken voert verweerder het beleid dat bovenkleding slechts in uitzonderingssituaties wordt gestreken. Niet is gebleken dat in eisers situatie een dergelijke uitzondering moet worden gemaakt, aldus verweerder.

Het juridisch kader

2.1.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college er voor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert maatwerkvoorziening als op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van – voor zover hier van belang – de zelfredzaamheid.

2.2.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 geeft voorschriften voor het onderzoek dat door het college dient te worden verricht naar aanleiding van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

2.3.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt beslist, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

2.4.

Op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college, indien de cliënt dit wenst, hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten (…) die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

2.5.

Op grond van artikel 4.8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden, en problemen die zich voordoen bij gebruikelijke hulp en mantelzorg.

2.6.

Onder 4.9, onder a, van de Nadere Regels van de gemeente Amsterdam is de productbeschrijving gegeven voor hulp bij het huishouden:

“Hulp bij het huishouden (Hbh) is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke

activiteiten bij Amsterdammers die deze niet of niet meer zelf kunnen (regelen).

De gemeente Amsterdam onderscheidt vijf te bereiken resultaten: een schoon en

leefbaar huis, beschikken over schone was, (…). Voor meer informatie zie ook bijlage 1,

maatstaf hulp bij het huishouden (…).

Een schoon en leefbaar huis

Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke)

overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd

en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. In de maatstaf hulp bij het

huishouden in bijlage 1 worden alle structurele basis schoonmaakactiviteiten en

incidentele schoonmaakactiviteiten, inclusief de uitvoeringsfrequentie, voor een schoon

en leefbaar huis, omschreven. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald

wat daadwerkelijk gedaan moet worden.

Beschikken over schone was

Elke Amsterdammer moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt

verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Amsterdammer, inclusief textiel

zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In de maatstaf hulp

bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat

horen. Ook wordt aangeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten

worden uitgevoerd.

In beginsel wordt ervan uitgegaan dat een ieder kan beschikken over strijkvrije bovenkleding. Op grond hiervan maakt strijken alleen bij uitzondering deel uit van het resultaat schone was.”

2.7.

In bijlage 1 van de Nadere Regels is de Maatstaf hulp bij het huishouden Amsterdam (de maatstaf) opgenomen:

“De voorliggende ‘maatstaf Hulp bij het huishouden Amsterdam’ is opgesteld na

onderzoek door de combinatie van bureau HHM en KPMG Plexus. (…) De maatstaf omvat de activiteiten die verricht moeten worden voor een verantwoord niveau van schoon voor een huishouden en de frequentie waarmee deze activiteiten verricht moeten worden.”

De rapportage, Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam, van Bureau HHM (het HHM rapport) van 28 februari 2017 ligt ten grondslag aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere Regels. Het HHM rapport omvat, naast het noemen van de activiteiten en de frequentie, tevens het benodigd aantal minuten per activiteit.

Beoordeling rechtbank

Onderzoek en puntenberekening

Beroepsgronden eiser

3.1.

Eiser voert aan dat geen sprake is van een passende bijdrage in de zin van de Wmo 2015. Het is voor eiser niet begrijpelijk dat bij gelijkblijvende omstandigheden en behoefte aan ondersteuning het aantal uren aan ondersteuning toch kan worden teruggebracht. In dat kader voert eiser aan dat de werkwijze van verweerder zich niet verhoudt tot de Wmo 2015. De juiste werkwijze is volgens eiser als volgt. Eerst moet een melding voor een verzoek om maatschappelijke ondersteuning bij verweerder worden gedaan, waarna een onderzoek door verweerder zal plaatsvinden. Pas daarna kan een pgb aanvraag worden ingediend. Deze volgorde wordt door verweerder echter niet gehanteerd. Er wordt ten onrechte gestart met een pgb aanvraag. Voorts is het stappenplan dat volgt uit de uitspraak van de CRvB1 niet in acht genomen bij het onderzoek. De derde stap (van de vier stappen) is overgeslagen; de omvang van de ondersteuning is niet in kaart gebracht. Pas bij de vaststelling van het pgb (het sluitstuk) is de omvang (tijd) aan de orde gekomen, en niet bij de bepaling van de aard en omvang van de maatwerkvoorziening (de derde stap). Daarnaast is de frequentie van de activiteiten niet genoemd. Ook voert eiser aan dat de puntenberekening die verweerder hanteert afwijkt van de normtijdensystematiek in het HHM rapport. Volgens recente rechtspraak van de CRvB kan dit niet door de beugel.2 In het HHM rapport staat bijvoorbeeld dat de indirecte tijd rondom hulp bij het huishouden 24,3 uur per jaar (bij wekelijks hulp) en 13,8 uur per jaar (bij tweewekelijks hulp) is. Verweerder gaat uit van 19 uur per jaar. Bovendien komt eiser daarmee tekort, nu hij twee keer per week hulp nodig heeft. Een ander voorbeeld is dat in het HHM rapport strijken in de berekening is meegenomen, echter verweerder ziet daar volledig van af. De wijze waarop verweerder tot de tijdsnormering komt, behoort overigens tot de essentialia van de Wmo en behoort om die reden in de Verordening te worden opgenomen in plaats van in de Nadere regels. Tenslotte is het de vraag of het IAB wel onafhankelijk is, omdat zij door de gemeente afspraken en regels opgelegd krijgt.

Standpunt verweerder

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de gehanteerde puntenberekening niet wordt afgeweken van de gemiddeld benodigde inzet die door HHM is vastgesteld in haar onderzoeksrapportage. Dit beoordelingsinstrument wordt juist ingezet om per cliënt maatwerk te kunnen bieden. Het werkt als volgt.

De noodzakelijke inzet van huishoudelijke hulp wordt bepaald op basis van onderzoek door het IAB, dat door de CRvB als een objectief en deskundig orgaan is beoordeeld. Verweerder stelt alleen kaders op, waar het IAB van af mag wijken. Het IAB benoemt de activiteiten en de frequentie in een afsprakenoverzicht tijdens een huisbezoek. In het advies staan de te behalen doelen, resultaten en activiteiten, de duur en de frequentie van de ondersteuning. Het IAB verwerkt het afsprakenoverzicht en het advies in een puntenberekening. Basis voor de puntenberekening is de maatstaf in de Nadere regels, die is gebaseerd op het HHM rapport. Bij het resultaat een schoon en leefbaar huis wordt het aantal punten berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per activiteit per jaar te vermenigvuldigen met de weegfactor per activiteit. De weegfactor bedraagt 0 bij geen overname, 1 bij gedeeltelijke overname, 2 bij halve overname, 3 bij grotendeelse overname, 4 bij gehele overname of meer bij beïnvloedende factoren. Bij de resultaten beschikken over schone was, beschikken over boodschappen en beschikken over maaltijden wordt het aantal punten berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per activiteit per jaar te vermenigvuldigen met de frequentie per activiteit per week en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met factor 4, omdat één punt gelijk staat aan vijftien minuten. Het tarief voor het pgb is € 4,35 per punt. Eén punt staat gelijk aan 15 minuten, dus het uurtarief bedraagt € 17,40.

Voorts stelt verweerder wat betreft de indirecte tijd, zich op het standpunt dat de cliënt na toekenning met de hulp afspraken maakt hoe vaak de hulp langskomt. Dit kan één of twee keer per week zijn, dat is niet aan verweerder. Om die reden gaat verweerder uit van de gemiddeld benodigde indirecte tijd per huishouden op jaarbasis (19 uur) zoals weergegeven in het HHM rapport. Verder wordt er vanuit gegaan dat een ieder kan beschikken over strijkvrije bovenkleding, dan wel gebruik kan maken van een strijkservice, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank

3.3.

Tussen partijen is in geschil of het onderzoek en de daarbij behorende puntenberekening door verweerder als voldoende zorgvuldig en inzichtelijk moet worden aangemerkt.

3.4.

Bij het oordeel van de rechtbank staan de volgende uitgangspunten voorop.

3.5.

Uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzes van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college van burgemeester en wethouders voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst.3

3.6.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit rechtspraak van deze rechtbank4 en van de CRvB5 blijkt dat het HHM rapport is beoordeeld als een deugdelijk onderzoek dat onafhankelijk en objectief is uitgevoerd. Nu het HHM rapport ten grondslag ligt aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere regels, bestaat inzicht in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schoon en leefbaar huis.6

3.7.

Voorts neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de CRvB in zijn uitspraak van

21 maart 20187 heeft geoordeeld dat uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat verweerder voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij verweerder melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning verweerder allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 1 mei 20178).

3.8.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB9 moet een besluit dat berust op het deskundig oordeel en advies van een medisch adviseur inzichtelijk zijn gemotiveerd, zodat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Op grond van artikel 3:9 van de Awb dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het advies van de medisch adviseur zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het inhoudelijk concludent is.

3.9.

Gelet op het voorgaande, overweegt de rechtbank dat met het in 3.7. genoemde stappenplan van de CRvB waarmee verweerder de behoefte aan hulp bij het huishouden in een individueel geval in kaart kan brengen, in combinatie met de in het HHM rapport genoemde normtijden voor schoonmaakactiviteiten, verweerder in beginsel in staat moet worden geacht om tot maatwerk te kunnen komen bij het vaststellen van de behoefte aan hulp bij het huishouden. Dat betekent concreet dat het stappenplan tot uiting dient te komen in het advies van het IAB en de daarop gebaseerde besluitvorming. Daarbij is het afsprakenoverzicht en het HHM rapport een hulpmiddel dan wel het uitgangspunt om tot een omvang in tijd te komen.

3.10.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in onderhavig geval heeft gebaseerd op het advies van het IAB, de daarin opgenomen puntenberekening en het afsprakenoverzicht. De puntenberekening is door verweerder ontworpen om, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, een maatstaf/model te creëren waarmee de omvang in tijd in een concreet geval kan worden berekend.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van het IAB, dat op zich volgens vigerende jurisprudentie van de CRvB als objectief en deugdelijk orgaan kan worden aangemerkt, met de daarbij behorende puntenberekening onvoldoende inzichtelijk is. De rechtbank stelt vast dat in het advies van het IAB – kort gezegd – weliswaar is gekeken naar de hulpvraag (stap 1), de beperkingen van eiser (stap 2) en wat zijn sociale netwerk kan doen (stap 4), echter de derde stap lijkt te zijn overgeslagen, omdat niet inzichtelijk is gemaakt welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van eiser. Deze stap dient te worden gezet, nog voordat wordt gekeken naar onder andere het sociale netwerk van stap 4. Bij stap 3 dienen de beïnvloedende factoren te worden betrokken, zoals in eisers geval dat bijvoorbeeld sprake is van verzameldrang. Niet duidelijk vloeit uit het advies en het afsprakenoverzicht, noch uit de puntenberekening voort wat dit betekent voor de frequentie van de huishoudelijke hulp per week voor een schoon en leefbaar huis en een schone was. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de frequentie blijkt uit de toekenning van factor 8 in de puntenberekening. Immers, gehele overname is factor 4, dus dubbele overname is factor 8, aldus verweerder. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen, nu de weegfactor in eerste instantie wordt gebruikt voor de mate van overname van schoonmaakactiviteiten, terwijl wanneer de weegfactor hoger wordt dan 4 deze staat voor de frequentie waarin de schoonmaakactiviteiten moeten worden overgenomen. Daarmee samenhangend blijkt eveneens niet duidelijk wat de benodigde indirecte tijd is in eisers geval. Verweerder gaat uit van een gemiddelde hoeveelheid indirecte tijd (ongeacht de frequentie). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kunnen uitleggen waarom in het geval van eiser een gemiddelde hoeveelheid indirecte tijd toereikend is.

De rechtbank acht het begrijpelijk dat verweerder met de puntenberekening tot een bepaalde uniformering van maatwerk probeert te komen (weegfactor 0 tot en met 4) en dat zich regelmatig situaties voordoen dat moet worden afgeweken van deze uniformering door een hogere weegfactor toe te kennen. Voor welke factor dan wordt gekozen en waarom, is onvoldoende duidelijk en inzichtelijk in het advies. Ook blijkt niet uit het advies of met eiser is besproken dat strijkvrije bovenkleding de norm is en of is onderzocht dat in het geval van eiser al dan niet een uitzondering moet worden gemaakt.

3.12.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarop de toegekende 4 uur hulp bij het huishouden is gebaseerd, nu het advies als onvoldoende inzichtelijk moet worden beoordeeld. De enkele verwijzing naar de puntenberekening is onvoldoende om de vragen die rijzen naar aanleiding van het advies te ondervangen. De rechtbank overweegt dat verweerder de vrijheid en de ruimte heeft om nader in te vullen hoe tot maatwerk te komen. Verweerder heeft gekozen voor een systeem dat het IAB advies wordt onderbouwd met een puntenberekening. Die keuze staat verweerder vrij, maar dat systeem dient wel voldoende inzichtelijk te zijn, zodat de burger zich ertegen gericht kan verweren als hij het daarmee niet eens is. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat daar sprake van is.

3.13.

Gelet op het voorgaande is onvoldoende duidelijk op grond waarvan de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Verweerder mocht zich daarom niet baseren op het advies van het IAB en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiser een pgb voor
4 uur hulp bij het huishouden is toegekend.

Conclusie

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb en aansluiting te zoeken bij de laatste niet in geschil zijnde indicatie van eiser onder de Wmo 2007. De rechtbank zal beslissen dat eiser vanaf

1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 in aanmerking komt voor 5 uur per week hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb. Nu het beroep reeds op grond van het voorgaande gegrond is, komt de rechtbank niet meer toe aan de overige gronden van eiser.

5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    verstrekt aan eiser 5 uur per week hulp bij het huishouden van 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- (zegge: zesenveertig euro) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,- (zegge: duizend vierentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, voorzitter, en mr. A.K. Mireku en

mr. M.M.L.A.T. Doll, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 CRvB, 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, te vinden via www.rechtspraak.nl

2 CRvB, 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3838

3 CRvB, 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, rov. 5.6.2

4 Rechtbank Amsterdam, 5 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8687

5 CRvB, 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3838

6 CRvB, 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1491

7 CRvB, 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819

8 CRvB, 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477

9 O.a. CRvB 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113, rov. 4.4.2 en CRvB, 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:846