Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5084

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4735
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak.

Wmo 2015, hulp bij het huishouden, pgb, advies IAB, puntenberekening. De rechtbank is van oordeel dat met behulp van het stappenplan en het HHM rapport verweerder in beginsel in staat moet worden geacht om tot maatwerk te kunnen komen bij het vaststellen van de behoefte aan hulp bij het huishouden. Dat betekent concreet dat het stappenplan tot uiting dient te komen in het advies van het IAB en de daarop gebaseerde besluitvorming. Daarbij is het afsprakenoverzicht en het HHM rapport een hulpmiddel dan wel het uitgangspunt om tot een omvang in tijd te komen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het advies van het IAB, dat op zich volgens vigerende jurisprudentie van de CRvB als objectief en deugdelijk orgaan kan worden aangemerkt, met de daarbij behorende puntenberekening onvoldoende inzichtelijk is. De enkele verwijzing naar de puntenberekening is onvoldoende om de vragen die rijzen naar aanleiding van het advies te ondervangen. De rechtbank overweegt dat verweerder de vrijheid en de ruimte heeft om nader in te vullen hoe tot maatwerk te komen. Verweerder heeft gekozen voor een systeem dat het IAB advies wordt onderbouwd met een puntenberekening. Die keuze staat verweerder vrij, maar dat systeem dient wel voldoende inzichtelijk te zijn, zodat de burger zich ertegen gericht kan verweren als hij het daarmee niet eens is. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat daar sprake van is. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4735 T

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit en mr. C. Splunder).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 voor een bedrag van € 56,55 per week (3 uur en 15 minuten) vanaf 19 januari 2018 tot en met 18 januari 2019.

Bij besluit van 2 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard, in die zin dat aan eiseres een pgb van € 69,60 per week (4 uur) wordt toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019, gelijktijdig met de zaak AMS 18/4843. Eiseres is verschenen met haar [dochter] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiseres, geboren op [geboortedatum] , ervaart ruim 30 jaar klachten van spieren en gewrichten. Eiseres heeft meerdere operaties gehad aan haar schouders en knieën. Daarnaast is eiseres bekend met een aandoening van het evenwichtsorgaan waardoor zij regelmatig last heeft van duizeligheid. Eiseres had voorheen een indicatie voor hulp bij het huishouden van 3,5 uur per week in de vorm van een pgb.

1.2.

Naar aanleiding van een verzoek om verlenging van het pgb heeft verweerder advies gevraagd aan het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB). In het advies overweegt het IAB dat eiseres is aangewezen op de voorziening huishoudelijke hulp met betrekking tot een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone was. Het gaat daarbij om een gehele overname. Het IAB heeft een afsprakenoverzicht ingevuld en daarop aangekruist welke activiteiten moeten worden overgenomen en de frequentie daarvan per week. Bij het advies is een puntenberekening gevoegd, waarmee het aantal gescoorde punten wordt berekend. In totaal gaat het om 645 punten op jaarbasis, gedeeld door 52 weken is 13 punten per week. Omdat 1 punt 15 minuten vertegenwoordigt, ontvangt eiseres 3 uur en 15 minuten hulp bij het huishouden per week.

1.3.

In navolging van het advies van het IAB heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres de voorziening hulp bij het huishouden toegekend in de vorm van een pgb waarmee eiseres 3 uur en 15 minuten zorg per week kan inkopen (13 punten). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarfase is naar voren gekomen dat eiseres allergisch is voor huisstofmijt en dat eerder is vastgesteld dat daarom dubbel stofzuigen en bed verschonen noodzakelijk is. In dat kader heeft verweerder het IAB om een nadere toelichting gevraagd en een aangepaste puntenberekening. Per e-mail heeft het IAB vervolgens aan een medewerker van verweerder een aangepaste puntenberekening doen toekomen. Het advies van het IAB is hierop niet aangepast.

1.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar de aangepaste puntenberekening – zich op het standpunt gesteld dat in plaats van 13 punten per week aan eiseres 16 punten per week moeten worden toegekend, zodat eiseres hiermee 4 uur zorg per week kan inkopen. Voor het schoonmaken van bed en vloerbedekking is een extra factor toegekend en vanwege een schouderoperatie dient het afwassen volledig te worden overgenomen. Verder worden aan verschillende activiteiten hogere weegfactoren toegekend. Dit brengt het totale aantal punten per week op 16. Wat betreft de boodschappen en het bereiden van maaltijden, is een boodschappen- dan wel maaltijdenservice voorliggend. Voor het overige stelt verweerder zich op het standpunt dat het IAB een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat daarmee de aard, omvang en frequentie van de huishoudelijke ondersteuning is afgestemd op de situatie van eiseres. Wat betreft de inzichtelijkheid hoe de tijd per taak is toegekend, merkt verweerder op dat het niet mogelijk is om elke specifieke handeling in het huishouden te benoemen. Bij het vaststellen van de normtijden is voldoende rekening gehouden met alle voorkomende werkzaamheden voor een schoon en leefbaar huis, aldus verweerder.

Het juridisch kader

2.1.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college er voor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert maatwerkvoorziening als op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van – voor zover hier van belang – de zelfredzaamheid.

2.2.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 geeft voorschriften voor het onderzoek dat door het college dient te worden verricht naar aanleiding van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

2.3.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt beslist, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

2.4.

Op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college, indien de cliënt dit wenst, hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten (…) die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

2.5.

Op grond van artikel 4.8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden, en problemen die zich voordoen bij gebruikelijke hulp en mantelzorg.

2.6.

Onder 4.9, onder a, van de Nadere Regels van de gemeente Amsterdam is de productbeschrijving gegeven voor hulp bij het huishouden:

“Hulp bij het huishouden (Hbh) is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten bij Amsterdammers die deze niet of niet meer zelf kunnen (regelen).

De gemeente Amsterdam onderscheidt vijf te bereiken resultaten: een schoon en leefbaar huis, beschikken over schone was, (…). Voor meer informatie zie ook bijlage 1, maatstaf hulp bij het huishouden (…).

Een schoon en leefbaar huis

Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke) overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden alle structurele basis schoonmaakactiviteiten en incidentele schoonmaakactiviteiten, inclusief de uitvoeringsfrequentie, voor een schoon en leefbaar huis, omschreven. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald wat daadwerkelijk gedaan moet worden.

Beschikken over schone was

Elke Amsterdammer moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Amsterdammer, inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen. Ook wordt aangeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten worden uitgevoerd.

In beginsel wordt ervan uitgegaan dat een ieder kan beschikken over strijkvrije bovenkleding. Op grond hiervan maakt strijken alleen bij uitzondering deel uit van het resultaat schone was.”

2.7.

In bijlage 1 van de Nadere Regels is de Maatstaf hulp bij het huishouden Amsterdam (de maatstaf) opgenomen:

“De voorliggende ‘maatstaf Hulp bij het huishouden Amsterdam’ is opgesteld na onderzoek door de combinatie van bureau HHM en KPMG Plexus. (…) De maatstaf omvat de activiteiten die verricht moeten worden voor een verantwoord niveau van schoon voor een huishouden en de frequentie waarmee deze activiteiten verricht moeten worden.”

De rapportage, Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam, van Bureau HHM (het HHM rapport) van 28 februari 2017 ligt ten grondslag aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere Regels. Het HHM rapport omvat, naast het noemen van de activiteiten en de frequentie, tevens het benodigd aantal minuten per activiteit.

Beoordeling rechtbank

Onderzoek en puntenberekening

Beroepsgronden eiseres

3.1.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij recht heeft op een hoger pgb dan € 69,60 per week. Daartoe betoogt zij dat met name onvoldoende is meegewogen dat eiseres last heeft van een (huis)stof(mijt)allergie, waardoor het hele huis minstens twee keer per week moet worden gestofzuigd/gedweild en ook moet worden afgenomen nat/droog. Eiseres ziet geen extra punten voor stoffen en opruimen. Niet inzichtelijk is hoe rekening is gehouden met de stofallergie van eiseres. Ook indien wordt uitgegaan van het wekelijks afnemen van stof, is de factor die is toegekend onvoldoende. Er dient nog een correctie plaats te vinden met betrekking tot het stof afnemen hoog van één keer per twee weken in de woonkamer en één keer per zes weken in de slaapkamer. Met betrekking tot dweilen in de slaapkamer geldt dat ook bij wekelijks dweilen dit niet correct is weergegeven. Immers, in verband met stoffen en dweilen is factor 10 toegekend, terwijl hierbij geen rekening is gehouden dat standaard wordt uitgegaan van dweilen één keer per vier weken. Ook met betrekking tot de incidentele activiteiten, waaronder gordijnen, radiatoren en trap stofzuigen geldt dat met de standaard toekenning onvoldoende tegemoet is gekomen aan de huisstofmijtallergie. Tot slot lijkt met de te verrichten incidentele activiteiten (waaronder keukenkastjes binnenzijde, deuren nat af doen, koelkast, trap en oven) ten onrechte helemaal geen rekening te zijn gehouden.

Standpunt verweerder

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de stofallergie al rekening is gehouden bij het bepalen van de omvang van de indicatie die aan eiseres is toegekend. Dit is terug te zien in de puntenberekening. Het is een kwestie van inschatting door de adviseur van het IAB. Wat betreft de incidentele activiteiten, blijkt uit het HHM rapport dat deze zijn verwerkt in de standaard normtijden per ruimte. Zo is bij de hal tevens de trap stofzuigen inbegrepen. Verweerder ziet geen aanleiding om de indicatie verder uit te breiden.

Voorts wordt met de gehanteerde puntenberekening niet afgeweken van de gemiddeld benodigde inzet die door HHM is vastgesteld in haar onderzoeksrapportage. Dit beoordelingsinstrument wordt juist ingezet om per cliënt maatwerk te kunnen bieden. Het werkt als volgt.

De noodzakelijke inzet van huishoudelijke hulp wordt bepaald op basis van onderzoek door het IAB. Het IAB benoemt de activiteiten en de frequentie in een afsprakenoverzicht tijdens een huisbezoek. In het advies staan de te behalen doelen, resultaten en activiteiten, de duur en de frequentie van de ondersteuning. Het IAB verwerkt het afsprakenoverzicht en het advies in een puntenberekening. Basis voor de puntenberekening is de maatstaf in de Nadere regels, welke is gebaseerd op het HHM rapport. Bij het resultaat een schoon en leefbaar huis wordt het aantal punten berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per activiteit per jaar te vermenigvuldigen met de weegfactor per activiteit. De weegfactor bedraagt 0 bij geen overname, 1 bij gedeeltelijke overname, 2 bij halve overname, 3 bij grotendeelse overname, 4 bij gehele overname of meer bij beïnvloedende factoren. Bij de resultaten beschikken over schone was, beschikken over boodschappen en beschikken over maaltijden wordt het aantal punten berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per activiteit per jaar te vermenigvuldigen met de frequentie per activiteit per week en de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met factor 4, omdat één punt gelijk staat aan vijftien minuten. Het tarief voor het pgb is € 4,35 per punt. Eén punt staat gelijk aan 15 minuten, dus het uurtarief bedraagt € 17,40.

Oordeel rechtbank

3.3.

Tussen partijen is in geschil of het onderzoek en de daarbij behorende puntenberekening door verweerder als voldoende zorgvuldig en inzichtelijk moet worden aangemerkt.

3.4.

Bij het oordeel van de rechtbank staan de volgende uitgangspunten voorop.

3.5.

Uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzes van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college van burgemeester en wethouders voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst.1

3.6.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit rechtspraak van deze rechtbank2 en van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)3 blijkt dat het HHM rapport is beoordeeld als een deugdelijk onderzoek dat onafhankelijk en objectief is uitgevoerd. Nu het HHM rapport ten grondslag ligt aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere regels, bestaat inzicht in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schoon en leefbaar huis.4

3.7.

Voorts neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de CRvB in zijn uitspraak van 21 maart 20185 heeft geoordeeld dat uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat verweerder voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij verweerder melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning verweerder allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 1 mei 20176).

3.8.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB7 moet een besluit dat berust op het deskundig oordeel en advies van een medisch adviseur inzichtelijk zijn gemotiveerd, zodat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Op grond van artikel 3:9 van de Awb dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het advies van de medisch adviseur zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het inhoudelijk concludent is.

3.9.

Het voorgaande in gedachte hebbende, overweegt de rechtbank dat met het in 3.7. genoemde stappenplan van de CRvB waarmee verweerder de behoefte aan hulp bij het huishouden in een individueel geval in kaart kan brengen, in combinatie met de in het HHM rapport genoemde normtijden voor schoonmaakactiviteiten, verweerder in beginsel in staat moet worden geacht om tot maatwerk te kunnen komen bij het vaststellen van de behoefte aan hulp bij het huishouden. Dat betekent concreet dat het stappenplan tot uiting dient te komen in het advies van het IAB en de daarop gebaseerde besluitvorming. Daarbij is het afsprakenoverzicht en het HHM rapport een hulpmiddel dan wel het uitgangspunt om tot een omvang in tijd te komen.

3.10.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in onderhavig geval heeft gebaseerd op het advies van het IAB, de aangepaste puntenberekening en het afsprakenoverzicht. De puntenberekening is door verweerder ontworpen om, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, daarmee een maatstaf/model te creëren waarmee de omvang in tijd in een concreet geval kan worden berekend.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van het IAB, dat op zich volgens vigerende jurisprudentie van de CRvB als objectief en deugdelijk orgaan kan worden aangemerkt, met de daarbij behorende puntenberekening onvoldoende inzichtelijk is. De rechtbank stelt vast dat in het advies van het IAB – kort gezegd – weliswaar is gekeken naar de hulpvraag (stap 1), de beperkingen van eiser (stap 2) en wat zijn sociale netwerk kan doen (stap 4), echter de derde stap lijkt overgeslagen, dan wel is niet inzichtelijk gemaakt welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van eiser. Deze stap dient te worden gezet, nog voordat wordt gekeken naar onder andere het sociale netwerk van stap 4. Bij stap 3 dienen de beïnvloedende factoren te worden betrokken, zoals in eiseres’ geval dat bijvoorbeeld sprake is van huisstofmijtallergie.

Niet duidelijk vloeit uit het advies voort wat dit betekent voor de frequentie van de huishoudelijke hulp per week voor een schoon en leefbaar huis en daarmee samenhangend de benodigde indirecte tijd. Verweerder gaat uit van een gemiddelde hoeveelheid indirecte tijd (ongeacht de frequentie). Verweerder heeft ter zitting naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende kunnen uitleggen waarom dit zo is. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegelicht dat de frequentie blijkt uit de toekenning van een bepaalde factor, bijvoorbeeld factor 6, 8, 10 of 12, in de puntenberekening. Immers, gehele overname is factor 4, dus dubbele overname is factor 8, aldus verweerder. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen, nu de weegfactor in eerste instantie wordt gebruikt voor de mate van overname van schoonmaakactiviteiten, terwijl wanneer de weegfactor hoger wordt dan 4 deze staat voor de frequentie waarin de schoonmaakactiviteiten moeten worden overgenomen. Ook is onduidelijk waarom in het puntenoverzicht soms is gekozen voor factor 4 en andere keren voor factor 6, 8, 10 of 12. Het bestreden besluit biedt hier geen duidelijkheid over, aangezien daarin wordt volstaan met de opmerking dat in overleg met het IAB vanwege de huisstofmijtallergie voor schoonmaken van bed en vloerbedekking een extra factor zal worden toegekend, zonder dat duidelijk wordt waarop de toegekende (hogere) factor is gebaseerd en waarom deze in hoogte varieert. Ook de e-mailconversatie tussen het IAB en de afdeling Juridische Zaken van verweerder biedt hierover geen duidelijkheid en kan naar het oordeel van de rechtbank niet in de plaats komen van een advies van het IAB dat aan onder 3.8 genoemde eisen voldoet.

De rechtbank acht het begrijpelijk dat verweerder met de puntenberekening tot een bepaalde uniformering van maatwerk probeert te komen (weegfactor 0 tot en met 4) en dat zich regelmatig situaties voordoen dat moet worden afgeweken van deze uniformering door een hogere weegfactor toe te kennen. Voor welke factor dan wordt gekozen en waarom, is echter onvoldoende duidelijk en inzichtelijk in het advies.

3.12.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarop de toegekende 4 uur hulp bij het huishouden is gebaseerd, nu het advies als onvoldoende inzichtelijk moet worden beoordeeld. De enkele verwijzing naar een puntenberekening is onvoldoende om de vragen die rijzen naar aanleiding van het advies te ondervangen. De rechtbank overweegt dat verweerder weliswaar de vrijheid en de ruimte heeft om nader in te vullen hoe tot maatwerk wordt gekomen, echter de rechtbank ziet niet de toegevoegde waarde van de puntenberekening bovenop wat er al is. Een puntenberekening zou mogelijk een waardevolle aanvulling kunnen zijn, echter dat moet wel op een inzichtelijke manier zodat de burger zich ertegen gericht kan verweren als hij het daarmee niet eens is.

3.13.

Gelet op het voorgaande is niet voldoende duidelijk op grond waarvan de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Verweerder mocht zich daarom niet baseren op het advies van het IAB en de overgelegde e-mailconversatie tussen het IAB en verweerder (welke evenmin voldoet aan de gestelde eisen), zodat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiseres een pgb voor 4 uur hulp bij het huishouden is toegekend. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek.

Conclusie

4.1.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken en verweerder in de gelegenheid te stellen de onder 3.11 en 3.12 genoemde motiveringsgebreken te herstellen. Verweerder kan de motiveringsgebreken herstellen met het geven van een aanvullende motivering of met het nemen van een aanvullend of nieuw besluit op bezwaar al dan niet met intrekking van het primaire besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Nu nog niet op het beroep is beslist, merkt de rechtbank op dat de aan eiseres toegekende hulp bij het huishouden van 4 uur per week gewoon doorloopt.

4.2.

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de reactie en het mogelijk herstel van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

4.3.

Het geding, zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 20138.

5. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen vier weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de motiveringsgebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, voorzitter, mr. A.K. Mireku en mr. M.M.L.A.T. Doll, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 CRvB, 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, rov. 5.6.2

2 Rechtbank Amsterdam, 5 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8687

3 CRvB, 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3838

4 CRvB, 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1491

5 CRvB, 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819

6 CRvB, 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477

7 O.a. CRvB 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113, rov. 4.4.2 en CRvB, 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:846

8 ECLI:NL:RVS:2013:CA2877