Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:508

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
13/684235-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van vier weken voor een diefstal, een poging tot diefstal door middel van verbreking en schuldheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummer: 13/684235-18

Datum uitspraak: 25 januari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. van der Willigen.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij:

  1. op 1 juni 2018 in Amsterdam een fiets van [naam bedrijf] heeft gestolen;

  2. op 30 juni 2018 in Amsterdam geprobeerd heeft een fiets te stelen door met een knijptang het slot van de fiets door te knippen en/of los te wrikken. Dit is subsidiair ten laste gelegd als de vernieling van dat slot; en

  3. op 12 oktober 2018 een fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze fiets van misdrijf afkomstig was.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 ziet dat op het primair tenlastegelegde.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De diefstal van de fiets (feit 1)

Op 1 juni 2018 zagen verbalisanten verdachte op de Buiksloterweg in Amsterdam lopen, terwijl hij schichtig om zich heen keek. Ze hielden hem in de gaten en zagen hem een fietsenstalling ingaan. Verdachte verschoof steeds wat fietsen en keek daarbij telkens om zich heen. Op een gegeven moment pakte hij een fiets, stapte erop en fietste weg. Verbalisanten hielden verdachte staande en zagen dat de fiets een zwarte herenfiets was met een opdruk ‘www. [naam bedrijf] .nl – pont buikslotermeer – ingang IJ-promenade’. De fiets was voorzien van een ringslot waarin een sleutel zat met de code [nummer] . De eigenaar van [naam bedrijf] heeft de fiets herkend als een fiets van zijn bedrijf en heeft aangifte gedaan van diefstal.

Gelet op de bevindingen van de verbalisanten en de aangifte is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

De poging tot diefstal van de fiets (feit 2 primair)

Op 30 juni 2018 kregen verbalisanten de melding te gaan naar het IJ-plein in Amsterdam. Daar zou een man een fiets aan het stelen zijn. Ter plaatse zagen zij verdachte die op een fiets zat en twee medewerkers van [naam] . Een van de medewerkers, [persoon] , sprak verbalisanten aan en verklaarde dat hij zag dat verdachte met een onbekend voorwerp bezig was met het kabelslot van een damesfiets. Op het moment dat verdachte [persoon] zag, pakte hij een andere herenfiets. Bij nadere inspectie van het betreffende kabelslot door een van de verbalisanten bleek dat de kabel voor een groot deel was doorgeknipt. In de tas van verdachte werd een knijptang aangetroffen.

Op grond van de verklaring van [persoon] , de bevindingen aan het kabelslot en het aantreffen van de knijptang bij verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van verbreking, het primair tenlastegelegde.

De schuldheling (feit 3)

Op 12 oktober 2018 zagen verbalisanten verdachte op het Koningsplein in Amsterdam lopen. Hij had een nieuw uitziende witte fiets bij zich die verbalisanten onmiddellijk herkenden als een fiets van het merk Van Moof. De fiets was niet voorzien van een hoefijzerslot en de in de fabriek ingebouwde slotkabel in de middenstang was doorgeknipt en ontbrak. Bij controle van de fiets bleek dat deze als gestolen stond gesignaleerd. Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij de fiets voor € 75,- via Marktplaats had gekocht.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte in het bezit was van een gestolen fiets van een duur merk. De rechtbank is van oordeel dat de door de verbalisanten aan de fiets waargenomen uiterlijke kenmerken ook voor verdachte zichtbaar geweest moesten zijn. Verdachte had op grond daarvan redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fiets van diefstal afkomstig was. Zijn verklaring over de koop via Marktplaats is niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan schuldheling.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

  1. op 1 juni 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een fiets, merk Paris, toebehorende aan [naam bedrijf] ;

  2. op 30 juni 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets, toebehorende aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, en die weg te nemen fiets onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking, immers heeft hij, verdachte, met een knijptang in het kabelslot van voornoemde fiets geknipt; en

  3. op 12 oktober 2018 te Amsterdam een goed, te weten een fiets, merk Van Moof, type F5, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van vier weken gevorderd, met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt diefstal, een poging tot diefstal en schuldheling. Dit zijn vervelende feiten die hinder en overlast met zich meebrengen.

Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van reclassering Inforsa van 21 oktober 2018, opgemaakt door M. Staphorst. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte al jarenlang kampt met een harddrugsverslaving. Hij heeft geen dagbesteding en pleegt vermoedelijk delicten om in zijn gebruik te kunnen voorzien. Inmiddels voldoet hij volgens de reclassering aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria. Hij zit ten tijde van uitbrengen van de rapportage niet vast. De reclassering acht een langdurige behandeling gericht op het middelengebruik geïndiceerd, maar omdat verdachte zich zorgmijdend opstelt en niet openstaat voor reclasseringsbemoeienis wordt het volgen van behandeling onder toezicht van de reclassering niet geadviseerd. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Uit het strafblad van verdachte van 11 december 2018 blijkt dat hij al meerdere keren eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Gelet op de recidive van verdachte en het advies van reclassering Inforsa ziet de rechtbank geen reden af te wijken van de eis van de officier van justitie. Gelet op de eerdere veroordelingen en de mate waarin verdachte zich schuldig maakt aan overlastgevende feiten als hier aan de orde, kan geen andere straf aan de orde zijn dan een gevangenisstraf. Zij zal verdachte dan ook een gevangenisstraf van vier weken opleggen, met aftrek van het voorarrest.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 310, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; en

ten aanzien van feit 3:

schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,
mrs. B. Vogel en M.F. Ferdinandusse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2019.

[...]