Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
13/730007-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan winkeldiefstallen, pogingen tot diefstal en witwassen. De verdachten zijn naar Nederland gekomen met als enig doel hier diefstallen te plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/730007-19

Datum uitspraak: 4 juli 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag 1] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. L.R. Rommy, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007) en [persoon 2] (geboren op [geboortedag 3] 2015) op 4 april 2019 te Amsterdam;

  2. diefstal in vereniging van etenswaren, een rolkoffer en een zonnebril op 4 april 2019 te Amsterdam;

  3. poging tot diefstal in vereniging van goederen toebehorende aan [persoon 3] op 4 april 2019 te Amsterdam;

  4. poging tot diefstal in vereniging van goederen toebehorende aan [persoon 4] en [persoon 5] op 4 april 2019 te Amsterdam;

  5. medeplegen van eenvoudig witwassen van geldbedragen met verschillende valuta in de periode van 4 april 2019 tot en met 8 april 2019 te Amsterdam en/of De Rijp

en/of

medeplegen van witwassen van een Sony Playstation 4, een Samsung Galaxy a7 en een Samsung Galaxy note 9 Ocean Blue in de periode van 4 april 2019 tot en met 8 april 2019 te Amsterdam en/of De Rijp.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 2 april 2019 ontving het Prio-team van de politie in Amsterdam een melding van de Zwitserse politie dat er een bekende Iraanse geldwisseltruccer met zijn gezin actief was in Amsterdam. Volgens de informatie zou het gezin actief zijn geweest en bekend met vermogensdelicten in Frankrijk, Spanje, Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland. Op de meegestuurde foto waarop een man, vrouw en een jong meisje stonden afgebeeld werd de Regulierdwarsstraat herkend.

Op 4 april 2019 omstreeks 17:15 uur werden de genoemde personen gezien op het Damrak in Amsterdam in gezelschap van een klein kind en een jonge man. De personen bleken later te zijn: [persoon 6] (hierna: [persoon 6] ), [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [persoon 7] (hierna: [persoon 7] ). Hierop hebben de verbalisanten de groep gevolgd. Zij hebben geverbaliseerd dat zij tussen 17:18 uur en 18:46 uur meerdere diefstallen en pogingen tot geldwisseltrucs hebben waargenomen, waarbij de kinderen [persoon 2] (toen drie jaar) en [persoon 1] (toen twaalf jaar) zelf een diefstal zouden hebben gepleegd en/of ter afleiding/afscherming aanwezig zijn geweest bij de diefstallen en geldwisseltrucs.

Uit het proces-verbaal van bevindingen en de verklaringen van meerdere slachtoffers blijkt dat de verdachten in een kort tijdsbestek 9 maal toeristen met een Aziatisch dan wel Arabisch uiterlijk aanspraken en hen vroegen waar ze vandaan kwamen en of ze geld uit het land van herkomst bij zich hadden. Hierop vroegen de verdachten of zij dit geld mochten zien en toonden zij de slachtoffers vervolgens hun eigen portemonnee. Drie slachtoffers, waarvan de heer [persoon 3] en één stel de heer en mevrouw [persoon 4] en [persoon 5] , hebben hiervan aangifte gedaan.

4.2

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 en 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

In zaken, waarin gedragingen gericht op uitbuiting in arbeid of diensten van een ander, anders dan seksuele uitbuiting van die ander, zijn ten laste gelegd, stelt de rechtbank voorop dat de vraag dient te worden beantwoord of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Die beantwoording is sterk verweven met de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte samen met de medeverdachten op 4 april 2019 binnen een tijdsbestek van een half uur wel 9 verschillende gesprekken met toeristen heeft aangeknoopt met de intentie deze toeristen geld afhandig te maken. De verdachten maakten hierbij steeds gebruik van dezelfde modus operandi. Zij spraken de toeristen aan, vroegen waar zij vandaan kwamen, welke valuta daar werd gebruikt en of zij dat geld mochten zien. Steeds waren de kinderen [persoon 1] en [persoon 2] daarbij aanwezig. Bij twee van de ten laste gelegde winkeldiefstallen was een van hen ook zelf degene die het goed wegnam.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachten het oogmerk hadden de kinderen [persoon 2] en [persoon 1] uit te buiten. Uit de wettige bewijsmiddelen is onvoldoende gebleken dat verdachte en de medeverdachten de kinderen doelbewust hebben ingezet met het oogmerk bij de toeristen vertrouwenwekkend over te komen en hen zo te verleiden geld uit hun portemonnee te laten zien. Wat betreft de tenlastegelegde winkeldiefstallen blijkt ook niet dat de verdachten de kinderen hiertoe hebben aangezet om voor de verdachte en de medeverdachten goederen te stelen. Verdachte zal daarom van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 5 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van eenvoudig witwassen, zoals onder 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste is gelegd, moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat de verschillende valuta uit enig eigen misdrijf afkomstig zijn. Er is weliswaar een aanzienlijk bedrag aan euro’s aangetroffen in de hotelkamer waar verdachte met zijn medeverdachte verbleef, maar bewijs dat deze euro’s zijn verkregen uit eigen misdrijf ontbreekt. De rechtbank sluit niet uit dat dit geld wel afkomstig is uit enig misdrijf, nu verdachten niet aannemelijk hebben gemaakt legale inkomsten te hebben. Immers uit het dossier blijkt dat verdachten in de maanden voorafgaand de ten laste gelegde feiten, verscheidene reisbewegingen door Europese landen hebben gemaakt en maar kortstondig en daadwerkelijk in hun verblijfplaats te Anzio, Italië, hebben verbleven om daar inkomen te genereren. Echter, ten aanzien van deze euro’s is alleen het zogeheten schuldwitwassen ten laste gelegd.

Bij de overige in de tenlastelegging genoemde buitenlandse valuta gaat het omgerekend om zulke kleine bedragen dat dit onvoldoende bewijs oplevert voor een onmiddellijke herkomst van deze valuta uit enig eigen misdrijf.

4.3

Ten aanzien van de overige feiten

De rechtbank acht het onder 2, 3, 4 en 5 tweede cumulatief/alternatief bewezen, zoals hierna vermeld. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Albert Heijn

Ten aanzien van de diefstal uit de Albert Heijn overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019 blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat verdachte, [persoon 7] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 6] in de Albert Heijn stonden. [persoon 6] stond in het midden van de Albert Heijn. Hij zag dat verdachte de vitrinedeur bij de dranken openhield. [persoon 7] , [persoon 1] en [persoon 2] stonden naast haar. De verbalisant kon niet goed zien wat ze deden, omdat iedereen rond verdachte stond. Wel zag hij handelingen die erop leken dat ze drinken uit de vitrine pakten. Hierna verliet iedereen de Albert Heijn één voor één, zonder iets bij de kassa af te rekenen. Ter hoogte van de Deli France stopten ze even en haalden ze een papieren zak op. De verbalisant zag dat verdachte haar zwarte schoudertas opende en dat zij daaruit drinkflesjes van de Albert Heijn haalde en deze in de papieren zak deed.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij de flesjes water en de zoetigheden heeft gepakt en deze niet heeft afgerekend. Verdachte droeg deze goederen in haar handtas bij zich.

De diefstal van goederen uit de Albert Heijn kan gelet op het voorgaande, te weten de aangifte, de observatie van de verbalisant en de verklaring van verdachte ter zitting, worden bewezen.

Er is echter onvoldoende bewijs dat de medeverdachten [persoon 7] en [persoon 6] hieraan een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Het enkel bij de uitvoeringshandelingen aanwezig zijn of hooguit een faciliterende rol daarbij spelen is immers onvoldoende om tot een veroordeling voor medeplegen te komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat medeplegen niet kan worden bewezen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook – anders dan door de officier van justitie is betoogd – worden vrijgesproken.

[winkel 1]

Ten aanzien van de diefstal van een rolkoffer uit de [winkel 1] overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019 blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] heeft gezien dat verdachte, [persoon 7] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 6] gezamenlijk de [winkel 1] in liepen. Hij zag dat ze vrijwel meteen samen naar de 1e etage liepen. Bovenaan de roltrap pakte [persoon 1] een rolkoffer waarmee ze weg liep. Vervolgens liep ze samen met de rest van de familie over de 1e etage. Hier spraken ze Aziatisch en Arabisch uitziende mensen aan. Verdachte, [persoon 7] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 6] liepen vervolgens naar beneden. Ze gingen gedeeltelijk uit elkaar, waarbij [persoon 1] voorop liep met de koffer. [persoon 1] verliet vervolgens de [winkel 1] zonder de koffer af te rekenen. Hierna verliet ook de rest van de familie de [winkel 1] . Eenmaal buiten hebben de familieleden de rolkoffer verschillende keren vastgehouden en ermee gelopen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het niet de bedoeling was van haar dochter iets te stelen. Pas toen zij later bij de Mac Donalds iets gingen eten merkte verdachte dat haar dochter de koffer bij zich had en kwam zij erachter dat de koffer nog niet was betaald.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De verdachten waren als volwassen gezinsleden verantwoordelijk voor de minderjarige [persoon 1] . De groep is bij binnenkomst in de [winkel 1] direct naar de afdeling met koffers gelopen. Zij zijn constant bij elkaar in de buurt geweest en moeten ervan hebben geweten dat [persoon 1] de koffer niet heeft afgerekend. Geen van de gezinsleden heeft [persoon 1] hierop aangesproken of zich hiervan gedistantieerd. Sterker nog eenmaal buiten hebben de verdachten de koffer allemaal op enig moment vastgehouden. Gezien de gezagsverhouding tussen ouder en dochter was verdachte bij uitstek degene die had kunnen en moeten ingrijpen, door haar eenvoudig de koffer af te pakken en deze weer terug te zetten. Dat hij zich desondanks niet distantieerde van haar handelen, geeft zijn bijdrage aan het wegnemen van de koffer extra gewicht.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Dit maakt dat de rechtbank – anders dan de raadsman en met de officier van justitie – de diefstal in vereniging bewezen acht.

[winkel 2]

Anders ligt dat ten aanzien van de diefstal van de zonnebril. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019 blijkt dat [persoon 2] een witte bril uit het rek pakte en deze op zijn hoofd zette. Vervolgens liep [persoon 7] naar [persoon 2] toe en liep met hem de winkel uit. De verbalisant zag vervolgens dat [persoon 7] [persoon 2] een schouderklopje gaf. Vervolgens verlieten ook verdachte en [persoon 6] de winkel, zonder de zonnebril te betalen bij de kassamedewerker. De rechtbank is van oordeel dat het vragen oproept dat verdachte en [persoon 6] , die als ouders verantwoordelijk voor hem zijn, geen actie hebben ondernomen toen zij hun zoon met een zonnebril zagen die niet van hem is. Desondanks is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte een wezenlijke bijdrage aan het wegnemen van de zonnebril heeft geleverd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het wegnemen van de zonnebril ter plaatse heeft waargenomen en wordt ook niet duidelijk of verdachte al direct na het incident er achter kwam dat haar zoontje de bril had meegenomen zonder te betalen. Het bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking bij het wegnemen van de bril ontbreekt dan ook. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019 blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat verdachte, [persoon 7] , [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 6] de Bershka inliepen en daar een man en een vrouw benaderden en aanspraken. Deze man bleek [persoon 3] uit Singapore te zijn. Verdachte en [persoon 7] voerden het woord. Er werd gepraat en gelachen en er werd contact gezocht. Vervolgens werd er gewezen naar de portemonnee. [persoon 7] pakte zijn portemonnee en hield deze voor zich en liet zijn geld zien. De verbalisanten zagen dat er door [persoon 7] bij [persoon 3] werd aangedrongen om zijn portemonnee te pakken, wat [persoon 3] uiteindelijk ook deed. Hierop bracht [persoon 7] zijn hand naar de portemonnee van [persoon 3] en keek hierin. [persoon 7] raakte hierbij met zijn hand het geld ook daadwerkelijk aan. [persoon 3] was hier echter niet van gediend en trok hierop zijn portemonnee terug. [persoon 6] liep er tijdens het gesprek omheen en hield de omgeving in de gaten. [persoon 3] heeft hierop aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij werd aangesproken door een vrouw met een kind. Zij vroeg hem waar hij vandaan kwam en of hij geld had. De man vroeg of hij het geld mocht zien, waarop [persoon 3] zijn portemonnee pakte. Vervolgens greep de man naar zijn geld.

Verdachte heeft verklaard dat [persoon 3] het gesprek begon. Hij zei dat zij een leuk meisje bij zich hadden en dat ze wel Nederlands leek. Ook spraken ze met elkaar over kleding. Verdachte heeft verklaard dat zij geen vragen hebben gesteld over waar aangever vandaan kwam en welke valuta hij bij zich had.

Volgens bestendige rechtspraak is sprake van een strafbare poging, als de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvormen moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Dit criterium voor een begin van uitvoering brengt mee dat uit de gedraging de criminele intentie kan worden afgeleid en dat de gedraging dicht tegen het misdrijf aanzit, want gericht is op de voltooiing van het misdrijf. Het hangt van het voorgenomen misdrijf in kwestie af of een bepaalde handeling als zodanig moet worden beschouwd (zie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3566).

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld dat de verdachten in het tijdsbestek van ongeveer een half uur 9 toeristen hebben aangesproken aan wie zij steeds dezelfde vragen hebben gesteld, te weten waar ze vandaan kwamen, of zij geld uit hun land van herkomst bij zich hadden en of zij dit aan verdachten wilden tonen, waarbij verdachten telkens hun eigen portemonnee eerst toonden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat uit deze handelingen en gedragingen van de verdachten de criminele intentie blijkt, nu gelet op de uiterlijke verschijningsvormen zij zijn gericht op het wegnemen van het geld van de aangevers. De verklaring van verdachte wordt terzijde geschoven nu deze gelet op het voorgaande volstrekt ongeloofwaardig is. De rechtbank acht de poging tot diefstal bewezen.

Wel zal de rechtbank partieel vrijspreken van het ten laste gelegde ‘pakken van de portemonnee’, omdat de politie observeert dat [persoon 7] het geld met zijn handen aanraakt zonder de portemonnee vast te pakken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019 blijkt dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zagen dat verdachte [persoon 4] en [persoon 5] afkomstig uit Dubai aansprak. [persoon 6] stond erbij en [persoon 2] zat op de gestolen koffer van de [winkel 1] . [persoon 1] stond tussen verdachte en [persoon 6] in. [persoon 7] stond in de deuropening van de Febo en keek toe op de situatie. Tevens was te zien dat verdachte een portemonnee van [persoon 6] kreeg aangereikt om deze vervolgens te tonen aan [persoon 4] en [persoon 5] . Uit de verklaringen van aangevers [persoon 4] en [persoon 5] blijkt dat er een gezin bestaande uit vijf personen op hen af kwam lopen en dat zij werden aangesproken door de vader en de moeder. Zij vroegen waar zij vandaan kwamen, waarop zij antwoordden dat zij uit Dubai kwam. Vervolgens vroegen zij of de aangevers hier bewijs van hadden en met wat voor geld daar werd betaald. De man vroeg of aangever zijn portemonnee wilde pakken. Aangever [persoon 4] wilde dit niet, waarop de man opdringerig werd. Hierop liet de man plotseling zijn eigen portemonnee met inhoud zien. Vervolgens zijn de aangevers weggelopen.

Ook hier is de rechtbank, gelet op het voorgaande en wat is overwogen onder het ‘ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde’ van oordeel dat uit de vastgestelde handelingen en gedragingen van de verdachten de criminele intentie blijkt, nu gelet op de uiterlijke verschijningsvormen zij zijn gericht op het wegnemen van het geld van aangevers. De rechtbank acht – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – de poging tot diefstal bewezen.

Ten aanzien van het onder 5 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank overweegt dat verdachte in het bezit was van een Samsung Galaxy a7. Deze telefoon is onder verdachte aangetroffen bij de fouillering na de aanhouding op 4 april 2019. Een factuur van de aanschaf van de telefoon bij de Mediamarkt in Duitsland is aangetroffen; de telefoon heeft € 258,99 gekost.

Niet is gebleken dat verdachte of de medeverdachten beschikten over een legale bron van inkomsten. Als er al ooit sprake van een dienstverband bij verdachte of medeverdachten is geweest, dan is het niet aannemelijk dat hiermee de kosten voor het vele reizen door de verschillende Europese landen, het levensonderhoud en de Samsung Galaxy konden worden betaald. De verdachten hebben immers langere perioden in de voorafgaande maanden aan de aanhouding achtereen gereisd en konden gedurende die perioden niet werken. Zij hadden dan ook geen inkomen uit arbeid.

Tegenover de politie hebben verdachte en de beide medeverdachten zich tijdens hun verhoren begin juni 2019 bij vragen over de herkomst en financiering van onder hen aangetroffen goederen beroepen op hun zwijgrecht. Eerst ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij deze telefoon van haar echtgenoot, medeverdachte [persoon 6] , heeft gekregen op 14 februari 2019.

Het is niet aannemelijk dat de telefoon is aangeschaft met geld dat uit legale bron afkomstig is nu verdachten niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij over de middelen konden beschikken. [persoon 6] heeft bij de politie verklaard dat zij arm zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van verdachte mag worden verlangd dat zij een min of meer verifieerbare, concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Verdachte heeft op zitting voor het eerst verklaard dat het geld waarvan zij en haar man van leefden onder meer afkomstig was van een erfenis. Verdachte heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt door deze stelling bijvoorbeeld met stukken te onderbouwen en is dermate laat met deze verklaring gekomen dat van het Openbaar Ministerie niet hoeft te worden verlangd dat zij dit nog gaan verifiëren. De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – van oordeel dat nu de verklaring die verdachte heeft gegeven over de herkomst van het geld als ongeloofwaardig terzijde moet worden gelegd, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van de telefoon die bij de fouillering van de medeverdachte [persoon 7] is aangetroffen kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze zelf voorhanden had.

Voor wat betreft de spelcomputer, daarover heeft verdachte ter zitting verklaard dat [persoon 1] deze met het geld dat zij voor haar verjaardag heeft gekregen zelf heeft gekocht. Verdachte zal hiervan daarom partieel worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

2.

op 4 april 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen etenswaren, drie flesjes AH water, een flesje Spa Reine, een Snickers reep,

een KitKat, toebehorende aan Albert Heijn

en

op 4 april 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rolkoffer ( [winkel 1] ) toebehorende aan [winkel 1] .

3.

op 4 april 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen, toebehorende aan [persoon 3] , waarbij zij en haar mededaders

- dichtbij die [persoon 3] zijn gaan staan en

- de omgeving en de handelingen van de mededaders in de gaten hebben gehouden en

- die [persoon 3] gevraagd waar hij vandaan kwam en of hij zijn geld wilde laten zien

- en vervolgens greep naar het geld dat zich in de portemonnee bevond

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

op 4 april 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen, toebehorende aan [persoon 4] en [persoon 5] , waarbij zij en haar mededaders

- dichtbij die [persoon 4] en [persoon 5] zijn gaan staan en

- de omgeving en de handelingen van de mededaders in de gaten hebben gehouden en

- die [persoon 4] en [persoon 5] gevraagd waar hij vandaan kwam en of hij zijn geld wilde laten zien

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.

op 4 april 2019, in de gemeente Amsterdam, een voorwerp, te weten Samsung Galaxy a7 voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3, 4 en 5 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

8.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de tenlastegelegde feiten rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis verdachte zwaar valt. Verdachte is door de detentie gescheiden van haar kinderen. Verdachte is nog nooit met de justitiële autoriteiten in contact gekomen. Indien verdachte van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken dat is de situatie als bedoeld in artikel 67a derde lid van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan winkeldiefstallen, pogingen tot diefstal en witwassen. De verdachten zijn naar Nederland gekomen met als enig doel hier diefstallen te plegen. Verdachte heeft onder meer door middel van een wisseltruc geprobeerd geld van toeristen weg te nemen. Dit is een kwetsbare groep, nu zij over het algemeen het land niet kennen en de taal niet spreken. Deze diefstallen dan wel pogingen daartoe en de modus operandi vertonen duidelijk kenmerken van mobiel banditisme. Er is immers sprake van het doelbewust in georganiseerd verband in korte tijd bij daarvoor speciaal uitgezochte winkels en slachtoffers (proberen te) stelen van goederen of geld. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte samen met de medeverdachten in een aantal maanden direct voorafgaand aan 4 april 2019 veelvuldig verschillende Europese landen hebben bezocht en daar kortstondig hebben verbleven, terwijl niet is gebleken van verdiensten uit legale inkomsten. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan. De rechtbank zal bij de strafmaat rekening houden met de richtlijnen voor mobiel banditisme.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan witwassen. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt namelijk onderliggende strafbare feiten af en realiseert de mogelijkheid van een geldelijke beloning voor die strafbare feiten.

De rechtbank houdt bij de strafmaat in positieve zin rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de tenlastegelegde mensenhandel en het eenvoudig witwassen niet bewezen. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest opleggen. Dit houdt in dat aan verdachte een gevangenisstraf van 77 dagen zal worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslaggenomen goederen verbeurd moeten worden verklaard.

De raadsman is van mening dat de inbeslaggenomen goederen terug moeten naar verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoon, een Samsung Galaxy a7, die aan verdachte toebehoort, wordt verbeurd verklaard en daarvoor vatbaar is, aangezien die telefoon geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte is verkregen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 57, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2:

diefstal

en

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3 en 4:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5 tweede cumulatief/alternatief:

witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 77 (zevenenzeventig dagen).

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

8 1.00 STK Zaktelefoon

SAMSUNG galaxy a7

5732696

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 Geld Euro 150.00

5732257 IBG 4-4-19

2 Geld buitenlands

5732286 IBG 4-4-19 200 indiaase roep incour

3 Geld buitenlands

5732280 IBG 4-4-19 20 + 1 arabische valuta

4 Geld buitenlands

5732274 IBG 4-4-19 1100 chinese valuta

5 Geld buitenlands

5732264 IBG 4-4-19 250 rusische roebel

6 Geld buitenlands

5732261 IBG 4-4-19 20 turkse valuta

7 Geld buitenlands

5732263 20 + 1 usd ibg 4-4-19

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.V. Essenburg, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2019.

Bijlage

[...]