Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:5017

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
C/13/669151 / KG ZA 19-751 AB/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op vordering van de Staat (de AIVD) wordt het een journalist verboden een aantal gegevens op te nemen in zijn binnenkort te publiceren boek.

De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat door publicatie daarvan een bron van de AIVD in levensgevaar kan komen.

Onder die omstandigheden is deze beperking op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd. Omdat het in deze zaak om zeer vertrouwelijke gegevens gaat is het gepubliceerde vonnis sterk ingekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/669151 / KG ZA 19-751 AB/MV

Vonnis in kort geding van 12 juli 2019

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 9 juli 2019,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag,

tegen

1
1.[gedaagde sub 1],

wonende te [X],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
UITGEVERIJ PODIUM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook de Staat, [gedaagde sub 1] en Podium worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 11 juli 2019 heeft de Staat gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde sub 1] en Podium hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van de Staat [X], [Y] met mr. Veldhuis en zijn kantoorgenoot mr. S.M. Kingma;

aan de zijde van gedaagden [gedaagde sub 1] en [Z] van Podium met

mr. Wildeman en haar kantoorgenoot mr. L. Oranje.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
1.2. Op verzoek van de Staat is de zaak achter gesloten deuren behandeld, dit in het belang van de veiligheid van de Staat, als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.3.

Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] toegezegd vrijwillig aan vordering II. te zullen voldoen in het geval vordering I. wordt toegewezen. Podium heeft ter zitting verklaard geen gegevens onder zich te hebben die onder vordering II. kunnen vallen. Daarop heeft de Staat vordering II. ingetrokken.

2 De feiten

2.1. [

gedaagde sub 1] werkt als journalist voor De Volkskrant. Podium is een uitgeverij. Volgens haar website wordt in september 2019 het door [gedaagde sub 1] geschreven boek “Het is oorlog maar niemand die het ziet” gepubliceerd.

2.2.

Op 23 mei 2019 heeft [gedaagde sub 1] het manuscript van het boek aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) gegeven, opdat de dienst het boek kon lezen en kon beoordelen op het mogelijk schenden van lopende operaties of het in gevaar brengen van personen.

2.3.

In een gesprek op het hoofdkantoor van de AIVD op 5 juni 2019 is [gedaagde sub 1] verteld dat zijn boek op een tiental punten staatsgeheime/staatsgevoelige informatie bevat die naar de mening van de AIVD uit het boek moet worden verwijderd of moet worden veralgemeniseerd.

2.4.

Bij e-mail van 6 juni 2019 aan de AIVD heeft [gedaagde sub 1] zich bereid verklaard aan een aantal bezwaren van de AIVD tegemoet te komen.

2.5.

Bij brief van 12 juni 2019 aan [gedaagde sub 1] heeft de directeur-generaal van de AIVD onder meer het volgende meegedeeld:
[deze tekst is verwijderd] De gedetailleerde beschrijving in het manuscript leidt tot herleidbaarheid van onze bronnen én operaties. Het publiceren van deze eveneens staatsgeheime informatie zal naar mijn stellige overtuiging betrokkenen in gevaar brengen. De noodzakelijke aanpassing in het manuscript betreft dan zowel het verwijderen van de [deze tekst is verwijderd] als de herleidbare informatie over de bron. In het gesprek van 5 juni hebben wij de pagina’s van het manuscript aan u overhandigd en gemarkeerd welke wijzigingen dit betreft.
2.6. In een brief van 13 juni 2019 aan de AIVD heeft [gedaagde sub 1] zich bereid getoond de voornamen van AIVD-medewerkers niet te noemen. Verder staat in die e-mail:
Aanvullend vraagt de AIVD (…) om [deze tekst is verwijderd] herleidbare informatie naar AIVD-bron te verwijderen. Na een zorgvuldige afweging [deze tekst is verwijderd] ben ik tot de afweging gekomen om daar niet aan te voldoen. In de betreffende passage staan [deze tekst is verwijderd]. Zij worden dus niet in gevaar gebracht door deze publicatie.
De informatie over [deze tekst is verwijderd] is maatschappelijk relevant. Zonder die informatie is het niet mogelijk [deze tekst is verwijderd] te beschrijven. Bovendien is deze dusdanig algemeen en ontdaan van precieze tijdsaanduiding dat er, zonder verdere identiteitsgegevens, geen vrees hoeft te zijn voor het in gevaar brengen van personen.

2.7.

Als productie 1A heeft de Staat een aantal pagina’s van het manuscript van het boek overgelegd. Op twee daarvan heeft de advocaat van de Staat dertien woorden onderstreept.

3 Het geschil

3.1.

De Staat vordert:
I. [gedaagde sub 1] en Podium te verbieden de in productie 1A met onderstreping aangeduide informatie geheel of gedeeltelijk in de openbaarheid te brengen, te verspreiden of anderszins aan derden ter beschikking te stellen, door publicatie in het boek, of op welke manier dan ook, mondeling, digitaal of schriftelijk;
II. deze vordering is ter zitting ingetrokken (zie hiervoor onder 1.3).
III. [gedaagde sub 1] en Podium te verbieden mededelingen te doen aan derden over processtukken, producties en over alle informatie die in dit kort geding aan de orde is gekomen, waaronder de strekking en de inhoud van de vorderingen van de Staat en de inhoud van de sommaties;
IV. een en ander op straffe van een dwangsom van € 250.000,- per overtreding; en
V. [gedaagde sub 1] en podium hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De Staat stelt daartoe dat het hier gaat om informatie die als “zeer geheim” (de zwaarste categorie van geheimhouding) kan worden gekwalificeerd. Het is informatie aan de hand waarvan de identiteit en de verblijfplaats van een AIVD-bron kan worden achterhaald, waardoor deze bron in levensgevaar wordt gebracht. De eigen inschatting van [gedaagde sub 1] dat dit niet zo is, is onjuist. Ook wil de Staat voorkomen dat zijn veiligheidsbelangen en die van zijn bondgenoten worden geschaad. Publicatie van de informatie zal de relatie met inlichtingendiensten van bondgenoten ernstig schaden. [gedaagde sub 1] handelt onrechtmatig jegens de Staat indien hij overgaat tot publicatie van de informatie. Het onder zich houden en verspreiden van staatsgeheimen is strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Omdat in dit geval is voldaan aan de vereisten van artikel 10 lid 2 EVRM kan de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde sub 1] en Podium worden beperkt. Die beperking is overigens zeer gering. De Staat heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van de vorderingen. Aannemelijk is dat de staatsgeheime informatie in de aanloop naar de publicatie van het boek al aan derden ter beschikking wordt gesteld.

3.3. [

gedaagde sub 1] en Podium hebben aangevoerd dat de pers zijn rol van publieke waakhond moet kunnen uitoefenen. Ook het publiceren over de AIVD hoort bij de journalistieke taak. [gedaagde sub 1] gaat hierbij steeds uiterst zorgvuldig te werk. Om die reden heeft hij het manuscript van het boek tijdig ter inzage gegeven aan de AIVD. Hij erkent dat een preventieve maatregel gerechtvaardigd is als publicatie van het boek zou leiden tot het schaden van lopende operaties van de AIVD, of tot het in levensgevaar brengen van bronnen. Hij betwist echter dat dit laatste nu nog het geval is. [gedaagde sub 1] heeft al een aantal wijzigingen aangebracht, nadat de AIVD hem voor de noodzaak daarvan met inhoudelijke argumenten had kunnen overtuigen. Daarin is de AIVD niet geslaagd voor zover het gaat om de dertien woorden waar de vordering op ziet. De AIVD stelt weliswaar dat hierdoor een bron in levensgevaar komt, maar dit is onvoldoende onderbouwd. Op dit punt speelt de AIVD powerplay, wat ook blijkt uit het feit dat men strafrechtelijk aangifte wilde doen tegen [gedaagde sub 1] en dat de Staat in dit geding een dwangsom vordert van maar liefst € 250.000,-. [gedaagde sub 1] is van mening dat met deze dertien woorden slechts enkele gegevens in de openbaarheid komen die niet bijzonder onderscheidend zijn en waarvan de AIVD in een eerder stadium ook zelf heeft erkend dat ze op zichzelf niet tot identificatie van de bron kunnen leiden. Het zijn hooguit puzzelstukjes die in combinatie met andere informatie en al dan niet na nader onderzoek ertoe kunnen leiden dat de bron mogelijk wordt achterhaald. Zo heeft de directeur-generaal van de AIVD het ook verwoord in een gesprek met [gedaagde sub 1]. Het belang van [gedaagde sub 1] bij het publiceren van de dertien woorden is echter groot. Het draagt bij aan de geloofwaardigheid en de zeggingskracht van het boek. Als journalist moet [gedaagde sub 1] verantwoording kunnen afleggen aan zijn lezers dat hij weet waarover hij schrijft. Deze informatie is hiervoor essentieel.

4 De beoordeling

4.1.

Toewijzing van het door de Staat gevorderde publicatieverbod zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 1] en Podium op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien is voldaan aan de vereisten gesteld in lid 2 van dat artikel, dat als volgt luidt:
Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
4.2. Een beperking is bij wet voorzien, als publicatie onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Om uit te maken of dat het geval is, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [gedaagde sub 1] en Podium is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van de Staat is gelegen in de bescherming van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, het beschermen van de gezondheid en het voorkomen van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen. Bij deze belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

4.3.

De Staat wil bepaalde passages laten verbieden voordat het boek is gepubliceerd. Dat komt neer op preventieve censuur. Een dergelijk verbod kan alleen worden gegeven als de publicatie tot onherstelbare schade zal leiden en, indien die publicatie pas achteraf onrechtmatig zou worden geacht, de nadelige gevolgen van de openbaarmaking niet meer kunnen worden hersteld door middel van een op dat moment uit te spreken veroordeling tot rectificatie of vergoeding van schade.

4.4.

Partijen zijn het erover eens dat een preventieve maatregel zoals gevorderd gerechtvaardigd is, als aannemelijk is dat publicatie van de passages waar het hier om gaat het leven van de bron in gevaar brengt. De vraag is dus of dat zo is.

4.5.

De woorden die de Staat verwijderd wil zien staan in een stuk dat gaat over een bron die de AIVD zou runnen. [deze tekst is verwijderd]

Volgens de Staat worden met publicatie van deze gegevens te veel schakels in de informatieketen bekend, aan de hand waarvan, in combinatie met de rest van het stuk en andere, al eerder bekende, gegevens mogelijk de identiteit en de verblijfplaats van de bron kunnen worden achterhaald.

4.6.

Dat standpunt is goed te volgen. Door vermelding van [deze tekst is verwijderd] wordt het aantal personen die het zouden kunnen zijn waarschijnlijk aanzienlijk teruggebracht. Een [deze tekst is verwijderd] is louter voor intern gebruik en kan, in combinatie met andere gegevens, ook een nadere aanwijzing vormen om wie het zou moeten gaan. Als de systematiek achter de [deze tekst is verwijderd] uit de doeken wordt gedaan, zijn de gebeurtenissen, ook weer in combinatie met andere, al bekende, gegevens, terug te brengen tot een bepaalde periode, wat de kans op ontmaskering vergroot.

Hetzelfde geldt voor de wetenschap in welk land de bron moet worden gezocht.

Natuurlijk valt niet met zekerheid te zeggen hoe groot de kans is dat juist deze gegevens het leven van de bron in gevaar zullen brengen, maar die kans is in ieder geval niet op voorhand verwaarloosbaar, [deze tekst is verwijderd]

4.7.

Dit betekent dat het belang van [gedaagde sub 1] en Podium om het boek door vermelding van deze gegevens zoveel mogelijk zeggingskracht en geloofwaardigheid te geven moet wijken voor het belang van de Staat om te waken voor de veiligheid van deze bron. Vordering I is dan ook toewijsbaar, waarbij de dwangsom zal worden teruggebracht tot normale proporties.

4.8.

De zitting was met gesloten deuren, zodat het [gedaagde sub 1] en Podium op grond van artikel 28 lid 1 onder a Rv al is verboden aan derden mededelingen te doen over het daar verhandelde. Overtreding van dit verbod is strafbaar (artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht). Dat verbod ziet ook op gegevens die zijn opgenomen in de processtukken.

Het is niet nodig om daarnaast en naast de toewijzing van vordering I nog een verbod als gevorderd onder III op te leggen.

4.9. [

gedaagde sub 1] en Podium zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Staat worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.718,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde sub 1] en Podium met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de in productie 1A met onderstreping aangeduide informatie geheel of gedeeltelijk in de openbaarheid te brengen, te verspreiden of anderszins aan derden ter beschikken te stellen, door publicatie in het boek, of op welke manier dan ook, mondeling, digitaal of schriftelijk,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] respectievelijk Podium om aan de Staat een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor iedere keer dat een van hen niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en Podium in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.718,01, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en Podium in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.1

1 type: MV coll: mb