Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4923

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
13/751769-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Uitleveringsverzoek VS; tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751769-18

RK nummer: 18/6517

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 20 september 2018, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie ontvangen verzoek van de Amerikaanse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) op [geboortedag] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres], [woonplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting van 13 juni 2019

De rechtbank heeft op 13 juni 2019 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. C. Scheurwater, advocaat te Den Haag en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord.

De behandeling is vervolgens aangehouden tot de zitting van 25 juni 2019 vanwege onvoldoende voorbereidingstijd van de raadsman.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat bovengenoemde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar wel de Amerikaanse nationaliteit heeft.

Zitting van 25 juni 2019

De behandeling van de vordering is voortgezet op de zitting van 25 juni 2019. De opgeëiste persoon is op die zitting verschenen, opnieuw bijgestaan door mr. Scheurwater. De opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie zijn ter openbare zitting gehoord.

2 Het verzoek tot uitlevering

Op de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek zijn van toepassing:

 het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, gesloten te ‘s-Gravenhage op 24 juni 1980 en op 15 september 1983 in werking getreden (Trb. 1980, 111, Trb. 1983, 133 en Trb. 2004, 299) (hierna te noemen: het Verdrag);

 de Uitleveringswet (hierna te noemen: UW).

De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan het vereiste in artikel 9 lid 3 onder a en lid 6 van het Verdrag, nu bij de stukken een origineel of gewaarmerkt afschrift van het arrestatiebevel is overgelegd.

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in het aanhoudingsbevel van de Arrondissementsrechtbank Oostelijk District van Kentucky, Zuidelijke Divisie London (Verenigde Staten van Amerika).

3 Standpunten van de partijen

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt van de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard. Er is sprake van een redelijk vermoeden van schuld en de stukken zijn genoegzaam. Daarnaast is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Het beschermde rechtsgoed is dat ook de moeder van het kind in staat wordt gesteld om omgang te hebben met haar kind, en dat zij haar bezoekrecht kan effectueren. Dat recht is door de opgeëiste persoon belemmerd.
Het is niet aan de uitleveringsrechter om rekening te houden met de civiele procedure die op dit moment in Nederland loopt.

3.2

Standpunt van de raadsman

Volgens de raadsman dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard. Op 24 maart 2014 kreeg de opgeëiste persoon bij court order het eenhoofdig gezag (‘sole custody’) over zijn dochter. Van de op 18 juli 2016 tijdelijk afgegeven emergency order, waarin plotseling sole custody werd toegekend aan de moeder, raakte de opgeëiste persoon pas op de hoogte toen deze maatregel zijn werking reeds had verloren. Na 72 uur kreeg de opgeëiste persoon automatisch weer sole custody.

3.2.1

Geen sprake van dubbele strafbaarheid

Volgens de raadsman is er niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, nu het handelen van de opgeëiste persoon naar Nederlands recht niet strafbaar is. Het betreft een zuiver civielrechtelijk geschil. De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd voor overtreding van Title 18 United States Code Section 1204 (international parental kidnapping). Als start van het strafbare handelen van de opgeëiste persoon wordt in de beëdigde verklaring (affidavit) genoemd 31 augustus 2015, de dag dat de opgeëiste persoon zijn dochter mee naar Turkije en vervolgens naar Nederland zou hebben genomen. Voor zover het uitleveringsverzoek betrekking heeft op het verwijderen van de dochter uit de Verenigde Staten, levert dit naar Nederlands recht niet het misdrijf op van artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr), terwijl het ook niet in enige andere wetsbepaling strafbaar is gesteld. Aan de opgeëiste persoon is sole custody, ofwel eenhoofdig gezag toegewezen, met een nader overeen te komen bezoekregeling. In artikel 279 Sr gaat het specifiek om wettig gezag, niet om het bredere begrip ‘ouderlijke rechten’ zoals genoemd in artikel 1204 van de U.S. Code. Nu de moeder op 31 augustus 2015 geen wettig gezag of opzicht had, kan niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon zijn dochter heeft onttrokken aan het wettelijk gezag als bedoeld in artikel 279 Sr.

3.2.2

Onvoldoende bewijsmateriaal gepresenteerd

De raadsman heeft verder aangevoerd, dat er onvoldoende bewijsmateriaal is gepresenteerd. Volgens de raadsman eist het Verdrag in geval van vervolgingsoverlevering dat wordt overgelegd “het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zouden rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd’ (artikel 9 lid 3 onder b) van het Verdrag). In de affidavit worden de woorden sole custody niet genoemd. Gekozen wordt voor de woorden primary custody, hetgeen lijkt te impliceren dat de vrouw eveneens (een vorm van) custody heeft. Dit is niet het geval.

Op 21 juni 2019 ontving de verdediging een door de Verenigde Staten verstrekte Marital Settlement Agreement, gedateerd op 23 december 2013. In de court order wordt niet specifiek naar dit document verwezen. Bovendien blijkt uit het stuk dat dit niet ‘entered of tendered’ is, maar slechts ‘filed’. In de court order wordt verwezen naar een stuk dat daadwerkelijk ‘entered’ zou zijn. In de brief van 17 juni 2019 wordt eveneens verwezen naar een ‘entered Marital Settlement Agreement’.

Kortom: uit de stukken blijkt geen concreet recht van de moeder dat zou zijn geschonden.

In de affidavit worden volgens de raadsman voorts onvoldoende bewijsmiddelen uiteengezet waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon voornemens was om de rechtmatige ouderlijke rechten van de moeder te belemmeren. Uit de affidavit blijkt niet waar en wanneer de moeder haar rechten tevergeefs wilde effectueren en wat de reikwijdte van sole custody naar Amerikaans recht is. Op basis van de informatie in de affidavit zou naar Nederlands recht onvoldoende redelijk vermoeden van schuld zijn om over te gaan tot aanhouding/dagvaarding.

In United States Code Section 1204 worden bovendien drie verweren opgenomen die strafbaarheid uitsluiten. Als affirmative defense wordt namelijk opgenomen: ‘the defendant acted within the provisions of a valid court order granting the defendant legal custody or visitation rights and that order was obtained pursuant to the Uniform Child Custody Jurisdiction Act of the Uniform Child Custody Jurisdiction and Enforcement Act and was in effect at the time of the offense.’ De opgeëiste person heeft gehandeld binnen de bepalingen van een valid court order, namelijk de court order van 24 maart 2014 waarin hij de sole custody over zijn dochter toegewezen heeft gekregen. Het had - aldus de raadsman - op de weg van de Amerikaanse autoriteiten gelegen om uit te leggen waarom de opgeëiste persoon ondanks zijn sole custody - de meest vergaande vorm van gezag - niet het recht had om zich met zijn dochter buiten de Verenigde Staten te vestigen. De affidavit geeft hierover onvoldoende duidelijkheid.

Over de (tijdelijke) emergency court order zijn er zoveel vragen ten aanzien van de rechtmatigheid (en duur) dat deze niet kan worden gebruikt als bewijsmiddel ter onderbouwing van de eis van artikel 9, derde lid, onder b) van het Verdrag. Bovendien wordt geen bewijs geleverd dat de opgeëiste persoon wetenschap had van deze court order.

3.2.3

Overige verdragsvereisten

De raadsman heeft verder aangevoerd, dat er niet is voldaan aan de in artikel 9, tweede lid, onder b) en e) van het Verdrag genoemde eisen. Het tijdstip en de plaats van de strafbare handelingen worden niet genoemd. Op nadere vragen van het Openbaar Ministerie hebben de Amerikaanse autoriteiten geantwoord dat het gaat om de periode van 31 augustus 2015 tot heden. Ten aanzien van de rechtsmacht van de Verenigde Staten geeft de affidavit geen informatie, terwijl het mede gaat om strafbare feiten die in Turkije dan wel Nederland begaan zouden zijn. Ook gelet op deze gebreken dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.

3.2.4

Toezegging van de moeder

Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2019 bij de voorzieningenrechter te Amsterdam blijkt dat de moeder, in het kader van die civiele procedure tussen haar en de opgeëiste persoon, heeft toegezegd dat zij er alles aan zal doen om de vervolging van de opgeëiste persoon in Amerika en Nederland gestaakt te krijgen - ook als dat inhoudt dat zij haar aanklacht tegen de opgeëiste persoon moet intrekken en moet verklaren dat zij niet bereid is tegen hem te getuigen. Gelet op deze toezegging moet de uitlevering ontoelaatbaar worden geacht, dan wel moet de uitleveringszaak worden aangehouden hangende de civiele procedure.

4 Heropening van het onderzoek

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat zij op dit moment nog over onvoldoende informatie beschikt om een oordeel over het verzoek tot uitlevering te kunnen vormen. Zij verzoekt de Amerikaanse autoriteiten te reageren op de volgende vragen/verzoeken:

1. Op grond van artikel 9, tweede lid, onder e) van het Verdrag moeten bij het uitleveringsverzoek worden overgelegd: de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd. Deze wetsbepalingen ontbreken. De rechtbank verzoekt deze wetsbepalingen alsnog te verstrekken.

2. De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 25 juni 2019 tegenover de rechtbank verklaard dat hij sole custody had en dat zijn ex-echtgenote visiting rights had. In Title 18 United States Code Section 1204 (international parental kidnapping) staat:

‘Whoever removes a child from the United States, or attempts to do so, or retains a child (who has been in the United States) outside the United States with intent to obstruct the lawful exercise of parental rights shall be fined under this title or imprisoned not more than 3 years. (…) the term ‘parental rights’, with respect to a child, means the right to physical custody of the child – whether joint or sole (and includes visiting rights); and whether arising by operation of law, court order, or legally binding agreement of the parties.’

Met het oog op de beoordeling van de strafbaarheid naar Nederlands recht verzoekt de rechtbank om een nadere toelichting:

- Verstaan de Amerikaanse autoriteiten in dit uitleveringsverzoek onder de ‘parental rights’ die de opgeëiste persoon zou hebben geschonden uitsluitend de visiting rights, of ook de primary custody of sole custody?

- Klopt het dat in de court order van 24 maart 2015 sole custody werd toegekend aan de opgeëiste persoon?

- In de Marital Settlement Agreement van 23 december 2013 wordt gesproken over primary custody. Is het onderscheid tussen primary custody en sole custody in dit specifieke geval van belang?

3. In het kader van de onder 2. geformuleerde vragen merkt de rechtbank op dat de opgeëiste persoon ter zitting van 25 juni 2019 heeft verklaard dat de emergency custody order van 18 juli 2016 72 uur van kracht was en dat hij pas na het verstrijken van die termijn op de hoogte is geraakt van het bestaan van die emergency custody order. De rechtbank heeft in dit verband de volgende vragen:

– Was de emergency custody order inderdaad slechts 72 uur van kracht?

– En zijn er bewijzen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van die order tijdens de geldingsduur daarvan?

4. Tot slot maakt de rechtbank de Amerikaanse autoriteiten erop attent dat er in Nederland een civiele procedure aanhangig is tussen de opgeëiste persoon en zijn ex-echtgenote en dat de ex-echtgenote op een zitting van 11 maart 2019 klaarblijkelijk heeft toegezegd er alles aan te zullen doen om de vervolging van de opgeëiste persoon in Amerika en Nederland gestaakt te krijgen - ook als dat inhoudt dat zij haar aanklacht tegen de opgeëiste persoon moet intrekken en zij moet verklaren niet bereid te zijn tegen de opgeëiste persoon te getuigen. De rechtbank sluit niet uit dat er in dit kader nadere ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, en wenst over die mogelijke ontwikkelingen graag voorafgaand aan de volgende zitting te worden geïnformeerd.

5 Beslissing

HEROPENT EN SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie, door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde vragen/verzoeken aan de autoriteiten van de Verenigde Staten voor te leggen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Engelse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en M. van Mourik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2019.