Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4827

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
13/751015-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB België / executie / verzetgarantie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751015-19

RK nummer: 19/2208

Datum uitspraak: 14 mei 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 april 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 december 2018 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 mei 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. B.P.J. Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.

De opgeëiste persoon heeft op 13 mei 2019 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord en zijn raadsman uitdrukkelijk gemachtigd namens hem verweer te voeren tegen de vordering.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 27 februari 2018 van de correctionele rechtbank Antwerpen – afdeling Antwerpen (vonnisnummer 998/2018 – systeemnummer 16RA12740/AN18.LA.4976-2016).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 40 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in sectie D 3.4 van het EAB het volgende verklaard:

De beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

- de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en

- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).”

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat Belgische vonnissen op de (Nederlandse) justitiële documentatie soms als onherroepelijk worden genoteerd, maar dat heeft er in die gevallen nooit toe geleid dat een opgeëiste persoon geen gebruik meer heeft kunnen maken van de gegeven verzetgarantie. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Dit betekent dat ook de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing is.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten op deze lijst onder nummer 18, te weten:

Georganiseerde of gewapende overval

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens zijn op deze feiten naar het recht van België vrijheidsstraffen met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen heeft bij brief van 3 april 2019 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal

terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.


In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd: de goede rechtsbedeling vereist dat de vervolging in België plaatsvindt, want het strafrechtelijk onderzoek is daar aangevangen, het bewijs bevindt zich daar, de medeverdachten worden in België vervolgd en ook de schade is in België geleden.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 140 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7, 12 en 13 Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout (België) wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 mei 2019.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.