Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4813

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
13/684513-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684513-18 (Promis)

Datum uitspraak: 5 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]) op [geboortedag 1] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van der Linden en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.G. van Wijk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdenking komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte op 28 november 2018 heeft geprobeerd om aan zijn vriendin [persoon] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Als dit niet tot een veroordeling leidt, wordt verdachte subsidiair verweten dat hij [persoon] op genoemde datum heeft mishandeld.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt en hebben ter terechtzitting niet tot discussie gestaan, zodat zij zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag. Op 28 november 2018 heeft verdachte zijn toenmalige vriendin [persoon] (hierna: aangeefster) naar de huisartsenpost van het AMC-ziekenhuis (Amsterdam) gebracht met de auto. Aangeefster is aldaar omstreeks 20.15 uur door een arts gezien, waarbij de volgende diagnose is gesteld: Twee schrammen op het voorhoofd rechts, een drukpijnlijke kaak (nu niet meer uit de kom), twee grote bulten links op de schedel (halve mandarijnen), kleinere bulten achter op het hoofd links, een bloeduitstorting op de linker bovenarm en vier kleine bloeduitstortingen op het rechter bovenbeen. Als toelichting vermeldt de forensisch arts dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een (gedeeltelijke) ontwrichting van het rechter kaakgewricht wat zich spontaan heeft hersteld.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die dit letsel aan aangeefster heeft toegebracht en het primair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) heeft begaan. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de aangifte en het bij aangeefster geconstateerde letsel, alsmede hetgeen bij het ziekenhuis zou zijn voorgevallen en wat uit het relaas van de 112-meldingen naar voren komt.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte stelt dat hij niet degene is geweest die aangeefster heeft mishandeld. Volgens de raadsman van verdachte valt op grond van het dossier niet met zekerheid vast te stellen wat er precies allemaal in de woning van aangeefster heeft plaatsgevonden, zodat getwijfeld moet worden aan de inhoud van de verklaring van aangeefster, wat tot een algehele vrijspraak moet leiden.

Subsidiair verzoekt de verdediging om verdachte in ieder geval vrij te spreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het trappen tegen het hoofd van aangeefster, omdat voor dit deel van de beschuldiging onvoldoende bewijs aanwezig is.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de aangifte, waarin aangeefster gedetailleerd heeft verklaard omtrent wat er op de avond van 28 november 2018 in haar woning heeft plaatsgevonden. De aangifte komt overeen met wat zij tegen de politie heeft verklaard toen deze in het ziekenhuis arriveerde, korte tijd na het incident. Dit geldt meer in het bijzonder voor wat betreft het door verdachte uitgeoefende geweld, ook voor zover dit betrekking heeft op het tegen het hoofd slaan en het tegen het hoofd schoppen toen aangeefster op de grond lag.

De aangifte vindt ook steun in de overige bewijsmiddelen. Zo past het bij aangeefster geconstateerde letsel goed bij wat zij over het door verdachte tegen haar gebruikte geweld heeft verklaard. Bovendien kan de door aangeefster aangegeven toedracht goed passen bij het geconstateerde letsel. Meer in het bijzonder past het geconstateerde letsel aan de kaak van aangeefster bij wat zij heeft verklaard over het tegen haar hoofd trappen door de verdachte. Verder bieden ook de geluidsopnamen, waarvan een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt, van zowel de telefoon van aangeefster als die van de 112-melding steun voor de verklaring van aangeefster.

De door verdachte geopperde mogelijkheid dat iemand anders, eerder op de bewuste dag, aangeefster zou kunnen hebben mishandeld, is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt niet aannemelijk. Elk aanknopingspunt voor dat scenario ontbreekt.

Het door verdachte uitgeoefende geweld is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een poging om aan aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Meer in het bijzonder geldt dit voor het met kracht schoppen tegen het hoofd – bij uitstek een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel – van aangeefster. Door aldus te handelen heeft verdachte de kans dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen aanvaard.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangeefster.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair:

op 28 november 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vriendin [persoon] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met kracht tegen het lichaam van voornoemde [persoon] heeft geduwd en

- met kracht vuistslagen en klappen tegen het hoofd van voornoemde [persoon] heeft gegeven en

- toen voornoemde [persoon] op de grond lag met kracht tegen het hoofd en kin en keel van voornoemde [persoon] heeft geschopt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden van meldplicht bij de reclassering en het volgen van een CoVa-training. Verder vordert de officier van justitie dat er een contactverbod wordt opgelegd als bedoeld in art. 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte, zodat hij zich dient te onthouden van contact met aangeefster voor de duur van 1 jaar en vordert de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om, in het geval van een veroordeling, de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de hoogte van de straf, daarbij verdachte aan te merken als een “first offender” nu hij geen strafblad heeft ter zake geweldsdelicten en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Deze poging heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Het door verdachte op aangeefster uitgeoefende geweld is fors te noemen. Met name het met gebalde vuist tegen het hoofd van aangeefster slaan en het trappen tegen het hoofd van aangeefster terwijl zij weerloos op de grond lag, rekent de rechtbank de verdachte zeer aan. Door aldus te handelen heeft verdachte met opzet zwaar lichamelijk letsel willen toebrengen aan aangeefster. Dat het bij een poging is gebleven, is bepaald niet aan het handelen van verdachte te danken. Het had allemaal veel erger kunnen aflopen. Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en de gezondheid van aangeefster, op wie het voorval grote indruk heeft gemaakt en van negatieve invloed is geweest op haar dagelijks leven. Ook uit de inhoud van de door aangeefster opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring, die ter terechtzitting is voorgedragen, blijkt dat zij nog dagelijks hinder ondervindt van wat haar op 28 november 2018 door verdachte is aangedaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 27 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet eerder voor het plegen van geweldsdelicten.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een reclasseringsrapportage van 25 maart 2019, opgemaakt door I. Hassing, betreffende verdachte waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, het deelnemen aan een CoVa-training en een contactverbod met aangeefster.

Gelet op de ernst van het feit, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats. Daartoe zal de rechtbank evenwel niet overgaan, onder meer vanwege redenen die zijn gelegen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 3 december 2018, heeft verdachte zich – voor zover de rechtbank bekend is – niet nogmaals schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Gelet hierop is de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte niet meer terug de gevangenis in hoeft. Wel is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal om die reden een hogere straf aan verdachte op leggen dan door de officier van justitie geëist.

Aan verdachte wordt daarom een taakstraf van 180 uur opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de door de Reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon] vordert € 422,98 aan materiële schadevergoeding en € 1.250,00 aan immateriële schadevergoeding (in totaal: € 1.672,98), te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr op te leggen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.322,98, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar gehele vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primaire feit rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 72,98 aan materiële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend begroot de rechtbank de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,00. In totaal wordt door de rechtbank dus een bedrag aan schade toegewezen van in totaal: € 1.072,98 (duizend tweeënzeventig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen van 28 november 2018.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij overweegt de rechtbank dat voor zover de benadeelde partij een bedrag vordert wegens het moeten aanspreken van het “eigen risico” van haar zorgverzekering, zulks op dit moment niet kan worden toegewezen omdat het thans voor de rechtbank niet duidelijk is in hoeverre en tot welk bedrag dit eigen risico (in de toekomst) dan zal worden aangesproken als gevolg van de behandeling bij de psycholoog. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.072,98 (duizend tweeënzeventig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade (28 november 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering (Leger des Heils) op het adres [adres 2]. Veroordeelde blijft zich, gedurende de proeftijd van twee jaren, melden op afspraken bij de Reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd van twee jaren moet deelnemen aan een gedragsinterventie, zijnde de gedragsinterventie CoVa+ training of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, aan te wijzen door de Reclassering. Daarbij dient veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de reclassering aan veroordeelde zullen worden gegeven;

- gedurende de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op mag nemen, zoeken of hebben met [persoon], geboren op [geboortedag 2] 1982 te [geboorteplaats 2], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod.

Geeft aan genoemde instelling(en) opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 3 (drie) maanden, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 50 (vijftig) uren per dag.

Wijst de vordering van [persoon], wonende te [woonplaats], gedeeltelijk toe tot € 1.072,98 (duizend tweeënzeventig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 28 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon], € 1.072,98 (duizend tweeënzeventig euro en achtennegentig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 20 (twintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juli 2019.

[...]

[...]