Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4750

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
13/667024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing, gegeven door GI aan ouder met gezag die meewerkt met de doelen van de ondertoezichtstelling. Daar is een schriftelijke aanwijzing niet voor bedoeld. Aanwijzing niet op goede gronden gegeven en geheel vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

Zaakgegevens : C/13/667024 / JE RK 19-495

beschikking van 1. juli 2019 betreffende vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats]

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1]

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI), gevestigd te Alkmaar.

Als informant is gehoord:

[de vader] , de vader van [minderjarige 2] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 23 mei 2019, ingekomen bij de griffie op 24 mei 2019;

- de nagekomen brief van de moeder van 25 juni 2019, ingekomen bij de griffie op die datum.

Op 27 juni 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door naar advocaat mr. C.J. Forder,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.A.J. van Putten,

waarbij beide ouders werden bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal,
- [vertegenwoordigster van GI 1] en [vertegenwoordigster van GI 2] als vertegenwoordigsters van de GI.

De feiten


Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de moeder.

De kinderen wonen in een pleeggezin.

Bij beschikking van 14 augustus 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot 14 februari 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 april 2019 de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen met ingang van 28 maart 2019 voor de duur van twee weken gehandhaafd en aansluitend machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 juli 2019.

De GI heeft op 10 mei 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:

“Voordat de GI een thuisplaatsing kan overwegen, moet minimaal aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • -

    U zorgt voor rust en stabiliteit in uw eigen situatie;

  • -

    U zoekt passende hulpverlening voor uzelf, om alles wat u heeft meegemaakt te verwerken en een plek te geven;

  • -

    U heeft een passende woning, waar u minimaal een jaar mag wonen;

  • -

    Indien dit een woning betreft in het kader van onderhuur, dan wil de GI met de eigenaar/eigenaresse een gesprek hebben om afspraken met hem/haar te maken;

  • -

    Zodra u een woning heeft zal er intensieve opvoedingsondersteuning worden ingezet;

  • -

    U laat hulpverlening toe en neemt tips en adviezen over, zodat er zicht is op de verzorging en opvoeding;

  • -

    U heeft voldoende inkomen voor levensonderhoud van uw gezin en geeft hier inzicht in;

  • -

    U werkt mee aan de door de GI opgelegde omgangsregeling, die wordt begeleid en indien mogelijk geobserveerd door een vorm van opvoedondersteuning. De omgang moet positief verlopen en er moet een positieve ouder-kind;

  • -

    U maakt samen met de vader van [minderjarige 2] een plan over uw toekomstperspectief. Is dit in Nederland of elders? Hoe ziet uw relatie eruit (wilt u samen verder of niet?)

De GI zal een aanmelding voor een moeder-kindhuis doen. Er is een wachtlijst, deze kan maanden duren. In deze periode dient u aan bovenstaande punten te gaan werken. Als er plek is in het moeder-kindhuis zal op dat moment bekeken worden of de GI uw situatie op dat moment voldoende veilig vindt om over te gaan tot een plaatsing daar samen met uw kinderen. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan en zorgen komen over de ouder-kind interactie op basis van de omgang, zal de GI niet overgaan tot een plaatsing van de kinderen bij u. Indien wordt overgegaan tot plaatsing van de kinderen bij u, zijn de volgende voorwaarden van belang naast de bovengenoemde voorwaarden:

  • -

    U komt de afspraken op het consultatiebureau na en gaat met uw kinderen naar de tandarts en eventueel ander (medische) afspraken die nodig zijn;

  • -

    [minderjarige 1] slaapt bij u en [minderjarige 2] op de kamer, niet bij een onbekende en vreemde;

  • -

    U zoekt een passende school voor [minderjarige 1] en zorgt ervoor dat zij dagelijks op tijd verschijnt en voldoende eten en drinken mee heeft.”

Het verzoek


De moeder heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de moeder onder meer het volgende aangevoerd. Twee doelen van de ondertoezichtstelling zijn bereikt. Er is duidelijkheid gekomen over het feit dat de moeder het gezag heeft over haar kinderen en er is een uitkomst in de terugvorderingsprocedure. De resterende doelen zijn nog steeds actueel. Niet duidelijk is of de GI stelt dat de ouders niet met het gezinsplan hebben ingestemd, dat zij onvoldoende hebben meegewerkt aan de uitvoering van het plan of dat de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk is geoordeeld om de concrete bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Het is onduidelijk of de ouders met het gezinsplan hebben ingestemd. De eerste aanwijzing – “u zorgt voor rust en stabiliteit in uw eigen situatie” – lijkt een overkoepelende opdracht in de zin dat deze wordt bewerkstelligd indien de andere aanwijzingen worden opgevolgd.

De aanwijzing “zoek passende hulpverlening voor uzelf” is onrechtmatig, omdat deze niet in overeenstemming is met de doelstellingen van de ondertoezichtstelling die door de kinderrechter zijn vastgesteld. De aanwijzingen over het vinden van een woning en het beschikken over voldoende inkomen, zijn in strijd met de regels die het EHRM heeft gegeven. De bedoelde aanwijzingen zijn niet noodzakelijk om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen en zijn disproportioneel. De schriftelijke aanwijzing in haar geheel is niet in het belang van de kinderen, omdat van een veel te lange periode van scheiding van moeder en kinderen wordt uitgegaan.

De moeder heeft geen bezwaar tegen plaatsing in een moeder-kindhuis. De moeder stelt zich open voor hulp en zal acht slaan op aanwijzing 6 – “u laat hulpverlening toe en neemt tips en advies over zodat er zicht op de verzorging en opvoeding” –, maar waar ze bezwaar tegen heeft is dat ze gedurende maanden gescheiden wordt van de kinderen, in afwachting van de plaatsing in het moeder-kindhuis. Door deze lange periode van scheiding van moeder en kinderen voor te schrijven, is de schriftelijke aanwijzing disproportioneel. De schriftelijke aanwijzing is niet in het belang van de kinderen en daarmee in strijd met artikel 3 van het IVRK. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij maandenlang van hun moeder worden gescheiden. Het belang van de kinderen bij rust, stabiliteit en veiligheid wordt geheel verenigbaar met hun belang bij een spoedige hereniging met de moeder. Door een plaatsing in een moeder-kindhuis, krijgt de moeder de mogelijkheid begeleiding te krijgen in haar opvoedingsvaardigheden en kan zij worden begeleid in hoe zij rust, veiligheid en stabiliteit in het leven van de kinderen tot stand kan brengen en houden.

De moeder heeft ter zitting gepersisteerd bij haar verzoek. Naar aanleiding van het geven van de schriftelijke aanwijzing is er overleg geweest tussen de moeder en de GI over de inhoud van de door de GI geformuleerde voorwaarden. De moeder en de GI zijn het over de inhoud van die voorwaarden eens en het is voor de moeder duidelijk waar zij aan mee moet werken. De moeder is daartoe ook bereid en spant zich daarvoor in.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting te kennen gegeven dat er tussen de GI en de moeder eigenlijk geen verschil van inzicht bestaat over de strekking van de door de GI in de schriftelijke aanwijzing vastgelegde voorwaarden. Wel is het zo dat de formulering van de voorwaarden in sommige gevallen wat ongelukkig is. De bedoeling van de GI was aan de moeder duidelijk te maken waar zij aan mee diende te werken en de moeder een rechtsingang te bieden voor zover zij het daar niet mee eens was. Het is niet zo dat de bal wat dat betreft geheel bij de moeder is gelegd, de GI spant zich in om het meewerken aan de voorwaarden voor de moeder mogelijk te maken. De GI persisteert bij de strekking van de geformuleerde voorwaarden.

Het standpunt van de vader

De vader heeft naar voren gebracht dat de schriftelijke aanwijzing wat hem betreft niet in overeenstemming met de wet is gegeven. De aanwijzing moet daarom vervallen worden verklaard, aldus de vader.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende.

De GI is een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die als een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Een aanwijzing door een instelling als bedoeld in artikel 1:263 BW is een besluit in de zin van de Awb. Bij het nemen van een besluit tot het doen van een schriftelijke aanwijzing, dient de instelling de normen, die zijn neergelegd in de hoofdstukken 3 en 4 van de Awb in acht te nemen. Daarnaast mag een gecertificeerde instelling niet handelen in strijd met de ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur.

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan dient de kinderrechter te beoordelen of de moeder tijdig beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke aanwijzingen van de gecertificeerde instelling.

Op grond van artikel 1:264 lid 1 BW kan op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende werking tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. De termijn die is gesteld voor het indienen van een dergelijk beroep is opgenomen in artikel 1:264 lid 3 BW. Voornoemd artikel luidt als volgt: “De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.” Artikel 1:264 lid 4 BW bepaalt dat van een na afloop van de termijn ingediend verzoek niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien de verzoeker redelijkerwijze niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

De kinderrechter stelt vast dat, nu de aanwijzing op 10 mei 2019 is afgegeven en verstuurd en het verzoekschrift tot vervallenverklaring van de moeder op 24 mei 2019 ter griffie van deze rechtbank is ontvangen, het verzoek binnen de in voornoemd artikel gestelde termijn is ingediend. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

Ten aanzien van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende.

Het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling biedt de gezinsmanager de mogelijkheid – tot uitvoering van haar taak – een schriftelijke aanwijzing te geven betreffende de verzorging en opvoeding van de kinderen, welke het doel van de ondertoezichtstelling moet dienen. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt met of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan van aanpak. De met het gezag belaste ouder dient de schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouders de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Nu bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven aan de gecertificeerde instelling een zekere beleidsvrijheid toekomt, beziet de kinderrechter naar de huidige stand van zaken – gegeven de taak van de gezinsmanager – of de gezinsmanager voldoende gronden heeft (gehad) om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 augustus 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 28 januari 2019 verlengd tot 14 februari 2020. De doelen waaraan gewerkt moest worden om de bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen waren – en zijn – :

-er dient rust, duidelijkheid en stabiliteit te komen;

-er dient duidelijkheid te komen over de juridische situatie omtrent het gezag van de moeder over [minderjarige 1] ;

-er dient zicht gehouden te worden op de procedure in Italië en waar mogelijk een bemiddelende rol te worden gespeeld, waarbij de belangen van de kinderen in voldoende mate worden meegewogen in de besluiten en acties die worden genomen;

-het perspectief en de mogelijkheden ten aanzien van inkomen, huisvesting en werk in Nederland dienen te worden onderzocht, waarbij een mogelijke terugkeer naar Italië dient te worden besproken indien het opbouwen van een stabiele opvoedingsomgeving in Nederland niet mogelijk zal blijken;

-er dient aandacht te komen voor de psychische toestand van de moeder en indien wenselijk dient er hulpverlening voor de moeder worden ingezet;

-er dient aandacht te zijn voor de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en haar psychische welzijn in verband met eventuele ingrijpende gebeurtenissen die zij in Italië heeft meegemaakt en de onzekere situatie in Nederland waarin het gezin momenteel verblijft.

De kinderen zijn bij spoedbeschikking van 28 maart 2019 uit huis geplaatst en die beslissing is op 9 april 2019 gehandhaafd, waarbij aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor drie maanden is verleend.

De GI heeft op 10 mei 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van de kinderen, waarin de GI voorwaarden heeft geformuleerd waar aan moet zijn voldaan voordat de GI een thuisplaatsing kan overwegen. Enkele van deze voorwaarden, maar niet alle, zijn geformuleerd met het oog op de doelen van de ondertoezichtstelling, zoals hierboven weergegeven. De GI heeft ter zitting te kennen gegeven de schriftelijke aanwijzing te hebben uitgereikt om voor de moeder duidelijk te maken waar zij aan moet voldoen, voordat van thuisplaatsing sprake kan zijn. Daarbij wordt overwogen dat het uiteindelijk aan de kinderrechter is om - op verzoek van de GI - te beslissen over verlenging van de uithuisplaatsing en dus of de kinderen thuis of (langer) elders geplaatst worden en waarom. Voor zover de moeder het met de beslissing van de kinderrechter niet eens is, kan zij daartegen hoger beroep instellen en is dat haar rechtsingang voor zover zij het met de uithuisplaatsing van haar kinderen niet eens is.

De GI heeft verder nog aangevoerd dat – voor zover het voldoen aan de voorwaarden niet binnen het vermogen van de moeder ligt – de voorwaarden wellicht wat onhandig zijn geformuleerd, maar dat de strekking ervan duidelijk is en dat er tussen de GI en de moeder daarover ook geen verschil van inzicht bestaat. Wat er verder zij van de door de GI geformuleerde voorwaarden en in hoeverre die gericht zijn op de doelen van de ondertoezichtstelling, vast staat dat de moeder bereid is aan die voorwaarden mee te werken voor zover dat binnen haar vermogen ligt. De GI heeft dat ook niet bestreden. Een schriftelijke aanwijzing is er echter op gericht om een met het gezag belaste ouder te bewegen om mee te werken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing, waartoe pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt. Van die situatie is in de onderhavige zaak echter geen sprake. De door de GI geformuleerde voorwaarden, gericht op thuisplaatsing van de kinderen, hadden volgens de GI als doel aan de moeder duidelijk te maken waar zij aan moest voldoen om thuisplaatsing van de kinderen mogelijk te maken. De vastlegging van dergelijke voorwaarden dient in de eerste plaats te geschieden in een plan van aanpak. Pas als dat is gebeurd en is gebleken dat de moeder aan dat plan van aanpak niet of onvoldoende meewerkt, biedt de wet de mogelijkheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing.

De kinderrechter is daarom van oordeel dat de GI de schriftelijke aanwijzing niet op goede gronden heeft gegeven. Hoewel de schriftelijke aanwijzing in deze zaak voor overleg tussen de moeder en de GI en voor duidelijkheid heeft gezorgd, is een schriftelijke aanwijzing daarvoor niet het meest geschikte – en door de wet voorgeschreven – middel.

De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing daarom geheel vervallen verklaren.

De beslissing


De kinderrechter:

verklaart de schriftelijke aanwijzingen van 10 mei 2019 geheel vervallen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.