Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:470

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
13-089904-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

openlijk geweld, no OM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/089904-15

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat de raadsvrouw van de verdachte, mr. N. El Farougui, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 13 december 2014 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Leidsekruisstraat en/of Kleine Gartmanplantsoen en/of Korte Leidsedwarsstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] en/of [persoon 2] , welk geweld bestond uit het een of meermalen slaan (met een riem, althans een hard voorwerp) en/of stompen en/of trappen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam van die [persoon 1] en/of het een of meermalen slaan met een riem, althans een hard voorwerp, in/tegen het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam van die [persoon 2] .

3 Voorvragen

3.1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, overeenkomstig haar overlegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Het feit dateert uit 2014. Op 14 juli 2016 heeft de politierechter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. De zaak wordt nu pas inhoudelijk behandeld. Dit is vier jaar na de aanhouding van verdachte en twee jaar en vijf maanden na de eerste zitting. De overschrijding van meer dan twee jaar is niet te wijten aan verdachte of de verdediging. De raadsvrouw heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2018:10035), waaruit blijkt dat overschrijding van de redelijke termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Aangezien de overschrijding in deze zaak aanzienlijk is, heeft de raadsvrouw verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.

3.1.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erkend dat er veel tijd is verstreken, voordat deze zaak op zitting is aangebracht, wat een kwalijke zaak is. Hiermee is het Openbaar Ministerie zijn recht op vervolging niet verloren. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens de Hoge Raad slechts tot niet-ontvankelijkheid bij minderjarigen of in hoogst uitzonderlijke gevallen. Van een dergelijk geval is geen sprake. Daar komt bij dat er in deze zaak een slachtoffer is, die ernstig gedupeerd zou zijn als de officier van justitie niet-ontvankelijk zou worden verklaard. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij, in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad, rekening zal houden met het aanzienlijke tijdsverloop door haar strafeis te matigen.

3.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In eerste aanleg geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg is overschreden. Deze termijn is in deze zaak aangevangen op 13 december 2014. Verdachte is op die datum door de politie in verzekering gesteld en hij heeft hieraan in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld door het Openbaar Ministerie. Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot verlenging van de termijn is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn eindigde dus op 13 december 2016. Met betrekking tot de behandeling is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en één maand.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt hierop niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar van een verlaging van de op te leggen straf.

Het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie als sanctie voor vormverzuimen komt slechts in uitzonderlijke gevallen voor, namelijk alleen als sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. De rechtbank is van oordeel dat daar in deze zaak geen sprake van is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.2.

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Betrokkenheid verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt welke van de personen genoemd in de verschillende verklaringen hij geweest zou zijn. Uit het enkele feit dat verdachte is aangehouden met een opgerolde riem in zijn zak, kan niet worden afgeleid dat hij degene is geweest die met een riem heeft geslagen.

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, als de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Beoordeeld zal dus moeten worden of de door verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat er op 13 december 2014 op de Leidsekruisstraat te Amsterdam een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarbij meerdere personen betrokken waren. Uit de verklaringen van aangever [persoon 2] , getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) blijkt dat er tijdens deze vechtpartij door één of meer personen geslagen is met een riem. Ook uit het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden volgt dat er meerdere malen met een riem is geslagen.

Verdachte is door [getuige 2] aangewezen als lid van de groep jongens die betrokken was bij de vechtpartij. [getuige 2] heeft de vechtpartij gezien en heeft kort daarna aan de verbalisanten drie jongens, waaronder verdachte, aangewezen met de woorden: “Die drie jongens die aan de overkant lopen waren ook betrokken bij de mishandeling.” Verdachte werd aangehouden en tijdens de insluitingsfouillering zag de verbalisant dat de bovenste knoop van zijn broek los was en werd in zijn jaszak een opgerolde zwart lederen broekriem aangetroffen. Ook is door de verbalisant vastgesteld dat verdachte een bloedende snee aan zijn rechterhand had. Op de foto van dit letsel blijkt dat de verwonding ter hoogte van de knokkel zat, zodat dit als aanvalsletsel kan worden aangemerkt.

Verdachte heeft geen verklaring of alternatieve lezing gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse en de verdachte omstandigheden waaronder hij is aangehouden, zodat de rechtbank deze omstandigheden in belastende zin zal uitleggen.

Op grond van bovengenoemde omstandigheden stelt de rechtbank de betrokkenheid van verdachte vast. Verdachte maakte deel uit van de groep jongens die betrokken was bij de vechtpartij op de openbare weg en heeft een wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd door met een riem en zijn vuist te slaan.

4.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 13 december 2014 te Amsterdam met anderen, op de openbare weg, de Leidsekruisstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] en [persoon 2] , welk geweld bestond uit het meermalen slaan met een riem en stompen in het gezicht, en tegen het lichaam van die [persoon 1] en het meermalen slaan met een riem, in het gezicht, en tegen het lichaam van die [persoon 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

De hierna te noemen strafoplegging is volgens de rechtbank in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [persoon 1] en [persoon 2] . Verdachte heeft daarbij fors geweld gebruikt door te slaan met een riem. De rechtbank neemt als strafverzwarende factor in haar oordeel mee dat verdachte het feit heeft gepleegd in een uitgaansomgeving. Uitgaansgeweld heeft niet alleen een enorme invloed op het veiligheidsgevoel van de samenleving in het algemeen en dat van slachtoffers en getuigen van uitgaansgeweld in het bijzonder, maar uitgaansgeweld kan ook zeer gemakkelijk escaleren met onvoorzienbare gevolgen. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen zonder enige rechtvaardiging een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de beide slachtoffers, waarbij met name [persoon 1] ernstig letsel heeft opgelopen.

Uit het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 januari 2019 blijkt dat hij recentelijk niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt in de op te leggen straf rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en zij hanteert daarom als uitgangspunt de oriëntatiepunten die zien op openlijk geweld, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze oriëntatiepunten indiceren een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uur. Zoals eerder overwogen, maakt het feit dat hier sprake is van uitgaansgeweld dat er reden bestaat om een hogere taakstraf aan verdachte op te leggen.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de zeer forse overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en acht een taakstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden.

9 De benadeelde partij

[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) vordert € 930,46 aan materiële-schadevergoeding en € 300,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan [persoon 1] door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten de dag waarop het strafbare feit is gepleegd, 13 december 2014.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [persoon 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat verdachte jegens [persoon 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.230,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2014.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] , toe tot een bedrag van € 1.230,46 (twaalfhonderddertig euro en zesenveertig eurocent), bestaande uit materiële schade (€ 930,46) en immateriële schade (€ 300,00), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 1] , te betalen de som van € 1.230,46 (twaalfhonderddertig euro en zesenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen, E. van der Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 januari 2019.