Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4542

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2019
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
13/993007-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingfraude: benadelingsbedrag bijna € 40.000,-. Straf: vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993007-18 (Promis)

Datum uitspraak: 28 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.B.A. Frakking en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij verantwoordelijk is voor valse aangiften omzetbelasting die namens [persoon 1] en [persoon 2] zijn ingediend. Deze valse aangiften hebben betrekking op het derde en vierde kwartaal van 2015 en op de maanden januari tot en met juli 2016. Daarnaast zou verdachte valse/vervalste facturen en bankafschriften aan de Belastingdienst ter beschikking hebben gesteld.

Deze beschuldigingen zijn samengevat als volgt ten laste gelegd:

1. Medeplegen van het opzettelijk (laten) doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, terwijl dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

of

Medeplegen van het opzettelijk valselijk (laten) opmaken of (laten) vervalsen van aangiften omzetbelasting;

2. Medeplegen van het in valse of vervalste vorm voor raadpleging aan de Belastingdienst beschikbaar stellen van boeken en bescheiden, terwijl dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

of

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften.

De tenlastelegging is op de zitting van 14 juni 2019 gewijzigd. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De officier van justitie gaat bij beide feiten uit van fiscale misdrijven: onjuiste aangiften doen en de Belastingdienst vervolgens vervalste stukken geven om die onjuiste aangiften te onderbouwen. De officier van justitie vindt voor beide feiten niet bewezen dat verdachte de feiten samen met iemand anders heeft gepleegd.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van het laten opmaken van de onjuiste/valse aangiften omzetbelasting (feit 1) en het gebruiken van de (ver)vals(t)e facturen (feit 2). De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vervalste bankafschriften (feit 2).

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte feit 1 (eerste alternatief) en feit 2 (eerste alternatief) heeft begaan. De rechtbank komt tot die conclusie op grond van de volgende feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen.1

Inleiding

Het gaat in deze zaak om aangiften omzetbelasting die zijn gedaan op naam van [persoon 1] en [persoon 2] met betrekking tot hun eenmanszaken.

[persoon 1] is de eigenaar van [naam import en export bedrijf] .2 [persoon 1] verklaart hierover dat er nog geen activiteiten zijn geweest in haar eenmanszaak. Bij het opstarten van het bedrijf zou [persoon 1] geholpen worden door verdachte. Alles wat zij aan papieren en bonnetjes kreeg gaf zij aan verdachte.3

[persoon 2] is de eigenaar van [naam handelsbedrijf] .4 [persoon 2] verklaart helemaal niets van de eenmanszaak te weten. Als de FIOD [persoon 2] een foto van verdachte laat zien , verklaart zij dat dat dit de boekhouder van de eenmanszaak was.5

[persoon 3] verklaart dat hij een eenmanszaak heeft die fiscale aangiften en boekhouding doet voor particulieren. Verdachte is bij hem werkzaam als zelfstandige. [persoon 1] en [persoon 2] waren klanten van de eenmanszaak, kwamen uit de persoonlijke kennissenkring van verdachte en hij verrichtte werkzaamheden voor hen. [persoon 3] was degene die de aangiften omzetbelasting voor [persoon 1] en [persoon 2] invulde en indiende, zoals hij alle aangiften van klanten indiende. Hij ontving alle gegevens voor de aangiften van verdachte.6

Verdachte heeft op zitting bevestigd dat [persoon 3] de aangiften omzetbelasting voor [persoon 1] en [persoon 2] indiende en dat hij de gegevens daarvoor aan [persoon 3] verstrekte.7

Belastingaangiften [persoon 1]

Voor [persoon 1] zijn elektronisch aangiften omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst.8 Deze aangiften hebben betrekking op het derde en vierde kwartaal van 2015 en op de maanden januari 2016 tot en met juli 2016. De eerste aangifte is ontvangen op 11 november 2015 (3e kwartaal 2015) en de laatste op 8 augustus 2016 (juli 2016).

In de aangiften voor [persoon 1] zijn de volgende bedragen opgenomen:

Tijdvak omzetbelasting voorbelasting terug te betalen/terug te vragen

3e kwart ’15 0 1456 -1456

4e kwart ’15 0 2495 -2495

Januari ’16 0 2482 -2482

Februari ’16 0 2495 -2495

Maart ’16 0 2471 -2471

April ’16 0 2493 -2493

Mei ’16 0 2495 -2495

Juni ’16 0 2488 -2488

Juli ’16 0 2494 -24949

Blijkens de nadeelberekening van de Belastingdienst (DOC21) hebben de onjuiste aangiften tot een belastingnadeel van € 17.419 geleid.

Belastingaangiften [persoon 2]

Voor [persoon 2] zijn ook elektronische aangiften omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst. Deze aangiften hebben betrekking op het derde en vierde kwartaal van 2015 en de maanden januari 2016 tot en met juli 2016. De eerste aangifte is ontvangen op 29 oktober 2015 (3e kwartaal 2015) en de laatste op 9 augustus 2016 (juli 2016).10

In de aangiften voor [persoon 2] zijn de volgende bedragen opgenomen :

Tijdvak omzetbelasting voorbelasting terug te betalen/terug te vragen

3e kwart ’15 0 1137 -1137

4e kwart ’15 0 2442 -2442

Januari ’16 0 2491 -2491

Februari ’16 0 2490 -2490

Maart ’16 0 2481 -2481

April ’16 0 2489 -2489

Mei ’16 0 2496 -2496

Juni ’16 0 2488 -2488

Juli ’16 0 2492 -249211

Blijkens de nadeelberekening van de Belastingdienst (DOC22) hebben de onjuiste aangiften tot een belastingnadeel van € 21.006 geleid.

Boekenonderzoek en derdenonderzoek

Naar aanleiding van deze negatieve aangiften omzetbelasting zijn door de Belastingdienst in de persoon van [persoon 4] (controleur omzetbelasting) boekenonderzoeken ingesteld bij [naam import en export bedrijf] en [naam handelsbedrijf] .

[naam import en export bedrijf]

[persoon 4] is op 6 september 2016 bij [persoon 1] geweest. Bij die controle was verdachte aanwezig. Verdachte heeft de administratie laten zien en [persoon 4] heeft facturen en bankafschriften meegenomen.12 Het betreft inkoopfacturen van [naam automontagebedrijf bv]13

[naam automontagebedrijf bv] heeft op verzoek van [persoon 4] de juistheid gecontroleerd van de facturen. Hij concludeert dat de facturen vals zijn en wijst op vijf verschillen tussen deze facturen en originele facturen van zijn bedrijf. Daarnaast wijst [naam automontagebedrijf bv] erop dat [naam import en export bedrijf] niet als debiteur voorkomt in hun bestand.14

In een andere strafzaak tegen verdachte is onderzoek gedaan naar de inhoud van zijn laptop. Een aantal van de aangetroffen Word- en PDF-documenten is in het dossier gevoegd, waaronder bestanden met bankafschriften van [naam import en export bedrijf] .15 Deze bestanden zijn voor het laatst gewijzigd op 20 september 2016.

De bankafschriften die aan de Belastingdienst zijn gegeven en de op de laptop aangetroffen bestanden zijn vergeleken met bankafschriften die de FIOD bij de bank heeft opgevraagd. Daaruit blijkt dat op de originele, van de bank verkregen, bankafschriften transacties en bedragen staan die op de bestanden op de laptop en op de bankafschriften die aan de Belastingdienst zijn gegeven niet voorkomen. Het gaat onder meer om overboekingen naar [persoon 3] en om overboekingen naar verdachte.16

Tot slot zijn ook verschillen in opmaak geconstateerd, waaronder dat de uitlijning van de cijfers op de aangetroffen bestanden niet lijnrecht onder elkaar is, terwijl dat op de van de bank afkomstige afschriften wel het geval is.17

[naam handelsbedrijf]

[persoon 4] heeft op 2 november 2016 een boekenonderzoek ingesteld bij [naam handelsbedrijf] . [persoon 4] heeft toen gesproken met verdachte en met [persoon 2] .18 [persoon 4] heeft in de administratie van [naam handelsbedrijf] acht facturen van [naam bedrijf bv] en bankafschriften aangetroffen.

[persoon 4] heeft bij [naam bedrijf bv] navraag gedaan naar de verstrekte facturen. Het accountantskantoor van deze B.V. heeft [persoon 4] laten weten dat de facturen vals zijn en door het accountantskantoor nooit zijn aangetroffen in de administratie van de B.V.19

Op de laptop van verdachte zijn ook bestanden aangetroffen met bankafschriften van [naam handelsbedrijf] .20 Deze bestanden zijn voor het laatst gewijzigd op 30 oktober 2016. De transacties op de bankafschriften uit de laptop komen allemaal terug op de bankafschriften die verdachte aan de Belastingdienst heeft gegeven.21

De bankafschriften op de laptop en die aan de Belastingdienst zijn gegeven, zijn vergeleken met bankafschriften die door de FIOD bij de bank zijn opgevraagd. Daaruit bleek dat op de originele, van de bank verkregen, bankafschriften transacties en bedragen staan die op de bestanden op de laptop en op de bankafschriften die aan de Belastingdienst zijn gegeven niet voorkomen. Het gaat om overboekingen naar [persoon 3] en naar verdachte en één contante geldopname.22 Tot slot zijn ook verschillen in opmaak geconstateerd, waaronder dat de uitlijning van de cijfers op de aangetroffen bestanden niet lijnrecht onder elkaar is, terwijl dat op de van de bank afkomstige afschriften wel het geval is.23

Tussenconclusies

Voor [persoon 1] en [persoon 2] zijn aangiften omzetbelasting ingediend die ertoe strekten dat per persoon ruim € 20.000,- aan voorbelasting zou worden terugbetaald. Deze aangiften zijn onjuist, omdat de eenmanszaken van [persoon 1] en [persoon 2] deze voorbelasting niet betaald hebben. De betaalde voorbelasting zou moeten blijken uit inkoopfacturen die verdachte aan de Belastingdienst heeft gegeven. Deze inkoopfacturen bleken vals. Bovendien bleken de bankafschriften die verdachte aan de Belastingdienst heeft gegeven niet hetzelfde als die van de bank werden verkregen, waaraan de rechtbank de conclusie verbindt dat de door verdachte aan de Belastingdienst verstrekte bankafschriften vervalst zijn.

De betrokkenheid van verdachte

Op de zitting heeft verdachte ontkend dat hij ten tijde van het indienen van de aangiften omzetbelasting wist dat deze onjuist waren. Verdachte heeft verklaard dat hij de facturen van [persoon 1] en [persoon 2] heeft gekregen en ontkent te hebben geweten dat de facturen vals waren. Verdachte heeft op de zitting verklaard zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de vervalste bankafschriften.

Verdachte was de boekhouder van de beide eenmanszaken. Uit onderzoek naar de ING-bankrekening van verdachte is gebleken dat hij vanaf de bankrekening van [naam handelsbedrijf] een bedrag van € 8.300,- heeft ontvangen. Vanaf de bankrekening van [naam import en export bedrijf] heeft verdachte in totaal € 8.200,- ontvangen.24 Deze overboekingen zijn verwijderd van de bankafschriften die aan de Belastingdienst zijn gegeven. Uit de op de laptop aangetroffen documenten trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte de bankafschriften heeft vervalst.

Uit deze gedragingen van verdachte, gevoegd bij het moment waarop deze plaatsvonden, leidt de rechtbank af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de aangiften omzetbelasting onjuist waren en dat deze onjuistheden afgedekt moesten worden met valse facturen en vervalste bankafschriften.

De verdediging heeft alternatieve scenario’s geschetst. [persoon 1] en [persoon 2] zouden wellicht van verdachte misbruik hebben gemaakt of anders mogelijk [persoon 5] . Voor deze scenario’s is echter geen ondersteuning te vinden in het dossier en de verdediging heeft geen van de scenario’s ook maar enigszins onderbouwd. De rechtbank ziet in het door verdachte verstrekken van (door hem) vervalste bankafschriften en valse facturen aan de Belastingdienst een belangrijke contra-indicatie voor de geopperde andere scenario’s en schuift deze dan ook als niet aannemelijk ter zijde.

Tenlastelegging

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte bij de verschillende feiten nauw en bewust heeft samengewerkt met [persoon 1] , [persoon 2] of anderen. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van medeplegen.

Het strafbare feit zoals ten laste gelegd onder 2, eerste alternatief, richt zich specifiek op degene die op grond van de Belastingwet verplicht is boeken, bescheiden of andere gegevensdragers aan de Belastingdienst ter beschikking te stellen. Deze verplichting geldt niet alleen voor de belastingplichtige, maar ook voor een derde bij wie die gegevens(dragers) zich bevinden.25 In het geval van [persoon 1] en [persoon 2] was de administratie aanwezig bij verdachte, hun boekhouder.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat feit 1 (eerste alternatief) en feit 2 (eerste alternatief) zijn bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

Feit 1 (eerste alternatief)

in de periode van 29 oktober 2015 tot en met 9 augustus 2016 in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [persoon 1] en [persoon 2] over:

  • -

    het derde kwartaal 2015 en

  • -

    het vierde kwartaal 2015 en

  • -

    de maand januari 2016 en

  • -

    de maand februari 2016 en

  • -

    de maand maart 2016 en

  • -

    de maand april 2016 en

  • -

    de maand mei 2016 en

  • -

    de maand juni 2016 en

  • -

    de maand juli 2016,

opzettelijk onjuist heeft laten doen, immers heeft verdachte opzettelijk op de bij de Belastingdienst digitaal ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde tijdvakken te hoge bedragen aan voorbelasting doen opgeven, terwijl deze feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

Feit 2 (eerste alternatief)

in de periode van 6 september 2016 tot en met 7 augustus 2017 in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld aan een ambtenaar van de Belastingdienst, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft verdachte

A) facturen op naam van Autodemontagebedrijf [naam automontagebedrijf bv] , gericht aan [naam import en export bedrijf] en

B) facturen op naam van [naam bedrijf bv] , gericht aan [naam handelsbedrijf] en

C) bankafschriften van bankrekening [bankrekeningnummer 1] ten name van [naam import en export bedrijf] en van bankrekening [bankrekeningnummer 2] ten name van [naam handelsbedrijf]

opzettelijk aan (een (controle)ambtenaar (de heer [persoon 4] ) van) de Belastingdienst ter beschikking heeft gesteld en heeft verstrekt, terwijl hij wist dat die geschriften vals en/of vervalst waren, bestaande die valsheid/valsheden en/of vervalsing(en) hierin dat:

A) het totaal nagemaakte facturen betreft,

B) het totaal nagemaakte facturen betreft en

C) op die bankafschriften transacties en/of overboekingen en/of opnames, waaronder overboekingen naar [persoon 3] en/of verdachte ( [verdachte] ) en/of contante geldopnamen zijn verwijderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen staan in (de voetnoten bij) rubriek 3.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar om in plaats daarvan te kiezen voor een taakstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van vier maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Bij het opleggen van een vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank in het bijzonder de volgende omstandigheden meegewogen.

Verdachte heeft onjuiste aangiftes omzetbelasting laten indienen voor [persoon 1] en [persoon 2] . Gedurende ruim negen maanden is de Belastingdienst hierdoor voor in totaal bijna € 40.000,- benadeeld. Toen de Belastingdienst onderzoek ging doen naar deze onjuiste aangiftes heeft verdachte met valse facturen en vervalste bankafschriften de onjuistheid van de aangiften en de omstandigheid dat grote bedragen naar hem zijn doorbetaald proberen te verhullen. Veel van het ten onrechte ontvangen geld is uiteindelijk contant opgenomen, waardoor niet duidelijk is wat ermee is gebeurd of waar het geld gebleven is. Dit maakt dat het uiterst onzeker is of het ten onrechte ontvangen geld aan de Belastingdienst terugbetaald zal worden. Ook is van belang dat verdachte anderen, in het bijzonder [persoon 1] en [persoon 2] , bij zijn strafbare feiten heeft betrokken. Daarbij is het niet verdachte die te maken krijgt met de navorderingsaanslagen vanuit de Belastingdienst, maar [persoon 1] en [persoon 2] .

De strafbaarstelling van belastingfraude beschermt niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingfraude kan leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank overeenkomstig de oriëntatiepunten voor fraudedelicten die de rechtbanken onderling hebben afgesproken de hoogte van het benadelingsbedrag als vertrekpunt voor het bepalen van de hoogte van de straf en de soort straf. Het berekende benadelingsbedrag van circa € 40.000,- valt binnen de bandbreedte van € 10.000,- – € 70.000,- waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een vergelijkbare taakstraf als uitgangspunt geldt. Het oriëntatiepunt gaat uit van een verdachte zonder relevant strafblad. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de huidige feiten veroordeeld is tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verduistering in dienstbetrekking. Deze veroordeling is weliswaar geen fiscaal misdrijf, maar wel een vermogensdelict. Omdat ook in deze zaak het doel van verdachte kennelijk is geweest om ten koste van anderen geld te bemachtigen, neemt de rechtbank de eerdere veroordeling als strafverzwarende omstandigheid mee. Ook de omstandigheid dat verdachte de strafbare feiten gepleegd heeft vanuit zijn functie als boekhouder vindt de rechtbank strafverzwarend.

De combinatie van deze omstandigheden maakt dat de rechtbank een taakstraf niet passend vindt. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen waarvan een deel voorwaardelijk om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

- doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl dit feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 2

- als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat een gedeelte van 2 (twee) maanden van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. B. Vogel en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2019.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen in het dossier, volgens de daarin toegepaste documentnummering. Indien sprake is van een proces-verbaal betreft dat steeds een in wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften.

2 Een uittreksel uit het handelsregister (DOC-002).

3 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [persoon 1] (V001-01, pag. 2-3).

4 Een uittreksel uit het handelsregister (DOC-019).

5 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [persoon 2] (V002-01, pag. 5 en 6).

6 Een proces-verbaal van verhoor van getuige (G002-01, pag. 1-3).

7 Verklaring van verdachte op de zitting van 14 juni 2019.

8 Een ambtsedige verklaring met bijlagen (DOC-001, pag. 1 en 2).

9 Een ambtsedige verklaring met bijlagen (DOC-001, pag. 7, 10, 13, 16, 19, 22, 25, 28 en 31).

10 Een ambtsedige verklaring met bijlagen (DOC-011, pag. 1 en 2).

11 Een ambtsedige verklaring met bijlagen (DOC-011, pag. 7, 10, 13, 16, 19, 22, 25, 28 en 31).

12 Een proces-verbaal van verhoor van getuige (G-004-01A, pag. 2).

13 Een conceptrapport inzake een ingesteld boekenonderzoek (DOC-003, pag. 3) en geschriften, zijnde een achttal facturen (DOC-005).

14 Een e-mailbericht van [naam automontagebedrijf bv] (DOC-025, pag. 1).

15 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 1-4 en 8).

16 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 9).

17 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 8 en 9).

18 Een proces-verbaal van verhoor van getuige (G-004-01A, pag. 4).

19 Een e-mailwisseling (DOC-020, pag. 4).

20 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 1-4).

21 Een proces-verbaal van bevindingen (AMB-007, pag. 6) en geschriften, zijnde een zestal bankafschriften (DOC-036, -038, -042, -044, -046 en -050).

22 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 6).

23 Een proces-verbaal (AMB-007, pag. 5).

24 Een proces-verbaal van bevindingen (AMB-005, pag. 2).

25 Artikel 47, eerste lid, onder b, en 48 AWR.